E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Fiscaal

Personen ten laste

Lees eerst even dit …

Wanneer het huishouden van een belastingplichtige samengesteld is uit personen die als fiscaal ten laste beschouwd worden, leidt dat tot een niet te verwaarlozen belastingvoordeel, omdat de belastingvrije som in dat geval verhoogd zal worden. Het maakt hierbij niet uit of deze personen al dan niet gezinsleden van de belastingplichtige zijn.

Daarom is het erg belangrijk om te weten wie als fiscaal ten laste beschouwd kan worden.

We wensen u er op te wijzen dat wanneer we in deze fiche verwijzen naar het begrip echtgenoot van de belastingplichtige, dit enkel de persoon dekt met wie de belastingplichtige gehuwd is of wettelijk samenwoont. Om als wettelijk samenwonend beschouwd te worden, moet het koppel een verklaring van wettelijke samenwoning ingediend hebben bij de burgerlijke stand van de gemeente waar het woont.

 

Wie kan als fiscaal ten laste beschouwd worden?

Opgelet: de echtgenoot van de belastingplichtige kan nooit als fiscaal ten laste aangegeven worden.

Enkel de volgende personen kunnen fiscaal ten laste van de belastingplichtige vallen:

De afstammelingen van de belastingplichtige

Hiermee bedoelt men:

Men oordeelt dat een kind volledig ten laste van een belastingplichtige valt: 

Het zal als zijnde hoofdzakelijk ten laste beschouwd worden indien de belastingplichtige meer dan de helft van de kosten voor het onderhoud van het kind betaalt.

De ascendenten van de belastingplichtige

Dit zijn de ouders, grootouders, overgrootouders,… van de belastingplichtige of van zijn echtgenoot.

Bijzonderheid: de ascendenten van 65 jaar en ouder

De ascendenten die op 1 januari van het inkomstenjaar (of van het aanslagjaar voor de berekening van de belastingen) de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben, maken een bijkomende categorie uit van personen ten laste. Deze categorie geeft recht op een verhoging van de basisbelastingvrije som op vlak van de belastingen en op een bijkomende vermindering op vlak van de bedrijfsvoorheffing.

Let op! Vanaf het inkomstenjaar 2022 (aanslagjaar 2023) worden de voorwaarden voor de vermindering van de bedrijfsvoorheffing strenger. De persoon ten laste van 65 jaar of ouder moet vanaf dan immers 'zorgbehoevend' zijn.

De zijverwanten tot en met de tweede graad

Dit zijn de broers en zussen van de belastingplichtige of van zijn echtgenoot.

Bijzonderheid: de zijverwanten van 65 jaar en ouder

De zijverwanten die op 1 januari van het inkomstenjaar (of van het aanslagjaar voor de berekening van de belastingen) de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben, maken een bijkomende categorie uit van personen ten laste. Deze categorie geeft recht op een verhoging van de basisbelastingvrije som op vlak van de belastingen en op een bijkomende vermindering op vlak van de bedrijfsvoorheffing.

Let op! Vanaf het inkomstenjaar 2022 (aanslagjaar 2023) worden de voorwaarden voor de vermindering van de bedrijfsvoorheffing strenger. De persoon ten laste van 65 jaar of ouder moet vanaf dan immers 'zorgbehoevend' zijn.

De personen van wie de belastingplichtige uitsluitend ten laste geweest is tijdens zijn kindertijd

Bij gebrek aan een band van verwantschap, mag de belastingplichtige de personen die de last van de belastingplichtige als kind hebben gedragen, ten laste nemen.

 


[1] Bijvoorbeeld het kind van wie de ouders uit de ouderlijke macht ontzet zijn, het kind van een samenwonende partner, de alleenstaande minderjarige vluchteling …

 

Wat zijn de voorwaarden om fiscaal ten laste te zijn?

Om fiscaal ten laste te zijn, moeten de betreffende personen:

Deel uitmaken van het gezin op 1 januari van het aanslagjaar 

Concreet betekent dit dat de persoon op 1 januari van het aanslagjaar werkelijk en duurzaam samenwoont met de belastingplichtige.  Het is niet noodzakelijk om gedurende het volledige jaar te hebben samengewoond, maar de belastingplichtige moet regelmatig hebben bijgedragen in de kosten van voeding, kledij, gezondheidszorgen.  De naleving van deze voorwaarde wordt gecontroleerd op basis van de feitelijke elementen die specifiek zijn voor elke situatie.

Geen loon ontvangen dat een beroepskost uitmaakt ten laste van de belastingplichtige

De personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en die bezoldigingen verkrijgen die voor die laatste beroepskosten zijn (in het kader van een éénmanszaak), kunnen niet als persoon ten laste van die belastingplichtige worden beschouwd.[1]. Anders gezegd, personen die een loon ontvangen dat als beroepskost in mindering kan gebracht worden door de belastingplichtige, kunnen nooit ten laste zijn van deze laatste persoon.

Men kan echter wel fiscaal ten laste zijn van een bedrijfsleider van een vennootschap die hen tewerkstelt. De bezoldiging betreft dan immers een beroepskost voor de vennootschap en niet voor de belastingplichtige zelf.

Als student-zelfstandige geen loon als bedrijfsleider ontvangen dat een beroepskost uitmaakt in hoofde van een vennootschap

De student-zelfstandige kan, als hij deel uitmaakt van het gezin van de bedrijfsleider (de belastingplichtige), niet meer worden beschouwd als kind ten laste van deze laatste voor zover hij een loon als bedrijfsleider ontvangt. Dit loon moet een beroepskost uitmaken van de vennootschap die wordt gecontroleerd[2] door de belastingplichtige. Deze laatste is rechtstreeks of onrechtstreeks een bedrijfsleider[3] van de vennootschap.

Deze bepaling is niet van toepassing:

Geen netto-bestaansmiddelen hebben die hoger zijn dan een bepaalde grens

Maximumbedrag van netto-bestaansmiddelen

Om als ten laste te worden beschouwd, mogen de personen persoonlijk tijdens het belastbaar tijdperk geen netto-belastbaar bedrag aan bestaansmiddelen hebben van meer dan:

Deze bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de evolutie van de index der consumptieprijzen.   

Inkomsten die binnen het begrip bestaansmiddelen vallen

De netto-bestaansmiddelen zijn alle regelmatige of occasionele inkomsten die al dan niet belastbaar zijn, met inbegrip van lonen, inkomsten van onroerende goederen, achterstallen, vakantiegeld, gewaarborgd inkomen[7]

Roerende of onroerende goederen van minderjarige kinderen waarvan de ouders het wettelijk genot hebben, zijn niet begrepen in de berekeningsgrondslag van de netto-bestaansmiddelen van het kind.

Ook de inkomsten van het kind waarvan de ouders (als wettelijke beheerders) het wettelijk genot hebben[8], neemt de fiscus niet op in de berekeningsgrondslag van de eigen bestaansmiddelen van het kind.

Het wettelijk genot neemt een einde bij de meerderjarigheid of de ontvoogding van de jongere en het strekt zich niet uit tot de goederen die de kinderen door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerven, noch tot die welke hun geschonken of vermaakt worden onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de vader of moeder daarvan het genot niet zullen hebben[9].

Inkomsten uitgesloten van het begrip bestaansmiddelen[10]

De volgende inkomsten vallen niet onder het begrip netto-bestaansmiddelen:

Bepaling van het nettobedrag van de bestaansmiddelen

Het bedrag van de in acht te nemen bestaansmiddelen is een nettobedrag.

Om dat nettobedrag te bepalen, neemt men het bruto-bedrag, verminderd met:

In geval van baten of van inkomsten als loontrekkende bedragen de aftrekbare minimumkosten € 250[16].

Voorbeeld

Een 20-jarige student ontving in 2022 de volgende inkomsten:

Gewone bezoldiging ontvangen in het kader van een arbeidsovereenkomst

€ 1.400

Bezoldiging verkregen ingevolge een overeenkomst voor studenten

€ 3.000

Huurinkomen (hij is eigenaar van een niet gebouwde terrein – kadastraal inkomen € 200)

€ 3.200

Er zijn geen werkelijke kosten.

 

Berekening van de netto-bestaansmiddelen

Huur

Brutobedrag

€ 3.200

 

 

Aftrekbare kosten (-20% van het bruto)

 

-  € 640

 

Nettobedrag bestaansmiddelen

 

 

€2.560

Bezoldigingen en baten

A. Brutobedrag studentencontract

€ 3.000

 

 

Vrijgesteld bedrag (art 143, 7°)

 

- € 2.910

 

In aanmerking te nemen verschil voor de berekening van de bruto-bestaansmiddelen

 

 

€ 90

B. Brutobedrag arbeidscontract

 

 

€ 1.400

Totaal bruto bestaansmiddelen (bezoldiging en baten)(60+1.400) =

 

 

€ 1.490

Forfaitaire aftrekbare kosten (20% van € 1.460) = € 292 met een minimum van € 460

 

- € 480

 

Nettobedrag van de bestaansmiddelen afkomstig van de beroepsactiviteit

 

 

€ 1010

 

Totaal van de netto-bestaansmiddelen van de student: (€ 2.560 + 1010)  = € 3.570.

het nettobedrag van de bestaansmiddelen is hoger dan het grensbedrag van 3.490 euro (inkomsten 2022). Bijgevolg kan de student niet als kind ten laste worden beschouwd.  Indien de student 17 jaar is, blijft hij ten laste van zijn ouders want zij bezitten het wettelijk genot van de huurinkomsten.

 


[1] Art. 145, 1° van het WIB 1992.

[2] In de zin van artikel 5 van het Wetboek van Vennootschappen.

[3] In de zin van artikel 32 alinea 1 van  het WIB 1992.

[4] € 3.490  voor het inkomstenjaar 2022, aanslagjaar 2023.

[5] € 5.040 voor het inkomstenjaar 2022, aanslagjaar 2023.

[6] € 6.400 voor het inkomstenjaar 2022, aanslagjaar 2023.

[7] Com. IB. nr. 136/26.

[8] Com. IB. nr. 136/25.

[9] Art 387 B.W.

[10] Art 143 van het WIB.

[11] € 28.100 voor het inkomstenjaar 2022, aanslagjaar 2023.

[12] Wet van 6 maart 2018 tot wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wat de bestaansmiddelen van wezen betreft ; Belgisch Staatsblad van 15 maart 2018. Art. 143 6° WIB 1992.

[13] € 3.490 voor het inkomstenjaar 2022, aanslagjaar 2023.

[14] Art 143 7° van het WIB 1992.

[15] 2.910 euro voor het inkomstenjaar 2022, aanslagjaar 2023.

[16] € 480 voor het inkomstenjaar 2022, aanslagjaar 2023.

 

Wie komt in aanmerking voor de vermindering wegens zware handicap?

De kinderen en andere personen ten laste die als mindervalide erkend zijn, tellen voor twee bij de berekening van de toeslagen op de belastingvrije som.

Let op ! Vanaf 2022 is de verdubbeling van de vermindering geschrapt voor personen van 65 jaar of ouder die 'zorgbehoevend' zijn.

 

Voor de vermindering wegens zware handicap houdt men rekening met:

Er moet een attest uitgaan van verschillende organismen of personen (adviserend geneesheer, rechter) voorgelegd worden om dit te bewijzen;

Het bewijs van de invaliditeit moet bij de eerste belastingaangifte gevoegd worden die gewag maakt van deze situatie en blijft gelden voor de ganse periode van ongeschiktheid die opgegeven werd.

Nieuw vanaf 2022 : ‘zorgbehoevende’ personen ten laste van 65 jaar of ouder

Vanaf het inkomstenjaar 2022 wordt de vermindering van de bedrijfsvoorheffing voor personen ten laste van 65 jaar of ouder verhoogd naar 129 euro. De voorwaarden voor die vermindering worden echter strenger.

De persoon ten laste van 65 jaar of ouder moet vanaf dan immers 'zorgbehoevend' zijn. Dat begrip is beperkender dan het begrip 'persoon met een handicap' waardoor ook het toepassingsgebied van het belastingvoordeel wordt beperkt.

Bovendien wordt de verdubbeling van de vermindering die van toepassing was wanneer de persoon ten laste gehandicapt is, geschrapt

Voor wie al een belastingvoordeel genoot voor een persoon ten laste wordt evenwel ineen overgangsperiode van drie jaar voorzien.

De hierboven beschreven principes waren al van toepassing in de eindbelasting sinds het inkomstenjaar 2021.

 

Wie wordt als “zorgbehoevend” beschouwd?

Om te bepalen of iemand zorgbehoevend is, wordt gekeken naar de graad van zelfredzaamheid, of beter gezegd de mate van vermindering van de zelfredzaamheid. 'Zorgbehoevend' betekent dat de zelfredzaamheid wordt verminderd met ten minste 9 punten volgens een specifieke evaluatiemethode.

De zorgbehoevendheid moet officieel worden vastgesteld door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale zekerheid, Medex, de adviserend geneesheer bij het ziekenfonds of een gelijkwaardige instelling of persoon uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Dit nieuwe begrip is beperkender dan het begrip 'persoon met een handicap' waardoor ook het toepassingsgebied van het belastingvoordeel wordt beperkt.

De zorgbehoevendheid moet echter niet noodzakelijk voortvloeien uit feiten die voor de leeftijd van 65 jaar gebeurden of werden vastgesteld, hetgeen vandaag wel het geval is inzake handicap.

 

Welke bijzondere gevallen bestaan er?

Studerend kind

Van een studerend kind zal men steeds oordelen dat het deel uitmaakt van het gezin ook al is het tijdens de duur van zijn studies tijdelijk verwijderd uit dat gezin (op kot, op Erasmus).

Buitenlands kind opgevangen in een Belgisch gezin

Voor de Belgische belastingadministratie mag dit kind niet als ten laste aangegeven worden, want deze last is noch duurzaam noch permanent.

In werkelijkheid - en dat werd trouwens ook meermaals bevestigd door de beroepshoven - moet men gaan kijken naar de realiteit van de feiten.  Indien het opvanggezin de meeste kosten draagt die onmisbaar zijn in het dagelijks leven, kan de buitenlandse student als ten laste beschouwd worden ook al is zijn verblijf in België slechts tijdelijk.

Buitenlandse werknemers waarvan de echtgeno(o)t(e) en de kinderen in een land verblijven dat geen deel uitmaakt van de Europese Unie

Deze buitenlandse werknemers kunnen hun kinderen die in het land van herkomst zijn gebleven maar waarvoor in België kinderbijslag wordt betaald, beschouwen als personen ten laste. Ze kunnen ook genieten van de bepalingen die van toepassing zijn op gehuwden, tenzij er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de belastingplichtige zijn gezin in het buitenland heeft verlaten[1].

De andere personen die in het land van herkomst zijn gebleven (zijverwanten, ascendenten…) worden niet in aanmerking genomen om de personen ten laste te bepalen.

Gehandicapt kind

Ook voor het kind dat tijdelijk in een gespecialiseerde instelling verblijft, gaat men ervan uit dat het deel uitmaakt van het gezin indien zijn ouders nog nauwe banden met dat kind onderhouden (regelmatige bezoeken, verzorging in het gezin tijdens de weekends).

Vermist of verdwenen kind

Vermiste of verdwenen kinderen die op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, worden geacht nog steeds deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige die ze reeds het vorige aanslagjaar ten laste had. Om deze regel te kunnen toepassen, moet de belastingplichtige echter aantonen dat hij uiterlijk op 31 december van het betreffende belastbaar tijdperk de verdwijning of ontvoering heeft aangegeven bij de politie of een klacht heeft ingediend bij het parket.

Overleden kind

Het kind mag als ten laste aangegeven worden voor het jaar van het overlijden op voorwaarde dat het tijdens het aanslagjaar daarvoor ten laste was.

Een kind dat in hetzelfde jaar geboren en overleden is, kan eveneens als persoon ten laste aangemerkt worden voor het jaar van het overlijden.  Sinds 2006 geldt dat ook voor de kinderen die overleden zijn bij de geboorte of na een zwangerschap van ten minste 180 dagen.

Echtpaar van ascendenten

Het gaat over de situatie waarin een koppel van ascendenten (getrouwd of wettelijk samenwonend) deel uitmaken van het gezin van een belastingplichtige en zijn eventuele echtgeno(o)t(e).

De nettobestaansmiddelen worden als een geheel beschouwd: gevolgen

De grens van de maximale nettobestaansmiddelen van het koppel van ascendenten wordt cumulatief beoordeeld. Dit houdt in dat de nettobestaansmiddelen van beide ascendenten in rekening worden gebracht om het toegelaten plafond te berekenen.

Bijgevolg, indien de gecumuleerde nettobestaansmiddelen:

Deze administratieve interpretatie wordt betwist, Sommige auteurs zijn van oordeel dat de beoordeling van de nettobestaansmiddelen moet gedaan worden per afzonderlijke persoon ten laste[7].

Kan iemand tegelijkertijd gezinshoofd zijn en ten laste worden genomen?

Volgens de FOD Financiën is dit niet mogelijk. Het is ook logisch, dat dezelfde persoon niet tegelijkertijd gezinshoofd kan zijn en als persoon ten laste beschouwd wordt.

 


[1] Com. IR n° 136/65.

[2] € 3.490 voor het inkomstenjaar 2022, aanslagjaar 2023.

[3] Idem supra.

[4] Idem supra.

[5] Idem supra.

[6] Circulaire n° VI.RH. 331/594.501 van 25 oktober 2010, punt 17 (www.fisconet.be).

[7] Fiscoloog nr 1225  van 3 november 2010, p. 9; B. Mariscal, “La prise en charge d’une personne  de 65 ans ou plus: mode d’emploi” » ; Actualités Fiscales n° 41 p.1. 

 

Welke administratieve formaliteiten moeten vervuld worden op vlak van inhouding van bedrijfsvoorheffing?

De alleenstaanden moeten hun werkgever (liefst schriftelijk) op de hoogte brengen van de personen die ze ten laste hebben.

De gehuwden of samenwonenden die beiden beroepsinkomsten genieten, moeten kiezen op wiens inkomen de verminderingen voor personen ten laste worden toegepast[1].  Hiervoor dienen zij hun keuze te communiceren middels de verklaring « Toekenning van de vermindering wegens gezinslasten ».

Dit document wordt door de gehuwden of samenwonenden ingevuld, gedateerd en ondertekend. Het wordt aan de werkgever van de persoon die kiest voor de toepassing van de verminderingen overhandigd.  Degene die afziet van de vermindering moet ook een verklaring afleveren aan zijn of haar werkgever, tenzij de beroepsinkomsten niet onderworpen zijn aan bedrijfsvoorheffing of indien ze onderworpen zijn aan een vast percentage zonder vermindering (vb. : toevallig of periodiek en bijkomstig betaalde vergoedingen en toelagen, werkloosheidsuitkeringen, stukloon, schuldvorderingen die als loon beschouwd worden…).

 


[1] Bijlage III 1.8 A.

 

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?