E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Fiscaal

Bedrijfsleiders - Sociale en fiscale aspecten

Wat is een bedrijfsleider?

Het gaat uitsluitend om natuurlijke personen die:

1ste categorie: vennootschapsmandatarissen of mandatarissen die gelijksoortige functies uitoefenen

Deze eerste categorie heeft betrekking op natuurlijke personen die een mandaat uitoefenen binnen rechtspersonen. Het gaat met name om:

  1. bestuurders van naamloze vennootschappen benoemd door algemene vergaderingen, vergaderingen van andere types vennootschappen, of als dusdanig aangewezen in hun statuten;
  2. bestuurders van andere Belgische of buitenlandse rechtspersonen die dezelfde prerogatieven uitoefenen als bestuurders van vennootschappen op aandelen[2];
  3. zaakvoerders van BVBA's benoemd voor een bepaalde of onbepaalde duur;
  4. vereffenaars belast met de tegeldemaking van het actief, met het aanzuiveren van het passief en met de verdeling van het surplus tussen de aandeelhouders en de vennoten;
  5. de natuurlijke personen die gelijksoortige functies uitoefenen als die van bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar, namelijk zij die in de praktijk de juridische voorrechten ervan uitoefenen. De permanente vertegenwoordiger van een rechtspersoon die in een andere vennootschap wordt benoemd als bestuurder, zaakvoerder, lid van de Directieraad of van de raad van toezicht oefent volgens de Minister van Financiën, een gelijksoortige functie uit als degene die door een bedrijfsleider uitgeoefend wordt[3].

2de categorie: commerciële, financiële of technische directeuren of directeuren belast met het dagelijks bestuur

Het zijn de natuurlijke personen die in de vennootschap een leidende functie of activiteit van dagelijks bestuur van commerciële, financiële of technische aard uitoefenen en dit, op zelfstandige basis (dit wil zeggen buiten een arbeidsovereenkomst).

Aangezien de activiteit of de functie in de onderneming uitgeoefend moet worden, sluit dit in principe onafhankelijke externe consultants uit.  Deze handelen namelijk niet namens hun klant noch als leiders van de vennootschap en geven geen instructies aan de werknemers van de onderneming.



[1] Artikel 32, lid 1 van het WIB 92.

[2] P. Bellen: "Administrateurs d'ASBL, dirigeant d'entreprise de la 1ère catégorie?", Actualités Fiscales nr. 26 van 6/8/2003, bl.2.

[3] Parlementaire vraag n° 39 van 14 januari 2009 van volksvertegenwoordiger J. Lejeune Kamer, Sessie 2008-2009 n° 46 p.28.

Wat is het sociaal statuut van een bedrijfsleider?

Principe

In tegenstelling tot werknemers in loondienst die aan de sociale zekerheid onderworpen zijn via hun werkgever hangt de sociale zekerheid van een bedrijfsleider af van de categorie waartoe hij behoort.

Voor de bedrijfsleiders van de 1ste categorie (de "vennootschapsmandatarissen") wordt de uitoefening van een mandaat in een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt vermoed een zelfstandige activiteit te vormen[1].

Het vermoeden van onderwerping kan weerlegd worden voor zover de mandataris het bewijs kan leveren dat het mandaat gratis is.

Het onbezoldigd karakter van het mandaat moet worden bewezen in rechte. Dit betekent dat het onbezoldigd karakter duidelijk in de statuten van de vennootschap opgenomen moet zijn. Indien de statuten hieromtrent niets vermelden, moet men zich baseren op een besluit van het bevoegde orgaan.

Het onbezoldigd karakter van het mandaat moet met de feiten overeenkomen. Er mag geen toekenning zijn van beroepsinkomens voor zelfstandigen en dit voor de ganse duur van het mandaat. Opgelet: ook voordelen in natura, tantièmes, zitpenningen, … worden beschouwd als beroepsinkomens.

Indien aan de mandataris een bezoldiging toegekend wordt, moeten de statuten in die zin aangepast worden. Indien dit niet het geval is, staat het winstoogmerk vast en zal de mandataris onderworpen worden aan het sociaal statuut voor zelfstandigen voor de ganse duur van het mandaat.

Indien het vermoeden niet weerlegd wordt, zal ook de onbezoldigde mandataris zich moeten onderwerpen aan het sociaal statuut voor zelfstandigen.

Bedrijfsleiders kunnen echter een bijkomende bezoldigde activiteit uitoefenen. Zie hieromtrent het antwoord op de vraag "Kan men een vennootschapsmandaat en een bezoldigde activiteit uitoefenen?".

Voor bedrijfsleiders van de 2de categorie ("directeuren") dient op al hun inkomsten steeds het sociaal statuut van de zelfstandige toegepast te worden. De directieactiviteit wordt per definitie uitgeoefend buiten enige band van ondergeschiktheid. Een bijkomende bezoldigde activiteit is dus nooit verenigbaar met deze leidinggevende werkzaamheid.

Bedrijfsleiders die onder het sociaal statuut van zelfstandige vallen, moeten zich dus ten laatste tegen het begin van de uitoefening van het mandaat of van de activiteiten die leiden tot de onderwerping aansluiten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen naar keuze. Zoniet zullen zij als zwartwerkers worden beschouwd en zal de RSVZ hen administratieve boetes opleggen[2].

Buitenlandse mandataris van een Belgische vennootschap

Wanneer een vennootschap een beroep doet op bedrijfsleiders die in het buitenland gedomicilieerd zijn, dan moet rekening gehouden worden met de bepalingen:

Indien geen overeenkomst over sociale zekerheid werd afgesloten tussen België en het land waar de bedrijfsleider gedomicilieerd is, dan is deze van rechtswege onderworpen aan de Belgische socialezekerheidswetgeving. Wegens het bestaan van een onweerlegbaar vermoeden dient hij dus sociale bijdragen voor zelfstandige te betalen zelfs indien zijn mandaat niet bezoldigd is.

Wanneer er een grensoverschrijdend aspect bestaat, bezorgt de sociale kas voor zelfstandigen het dossier, bij de aansluiting van de zelfstandige, aan de Dienst Internationale Overeenkomsten van de RSVZ.



[1] Koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement van de sociale zekerheid van zelfstandige werknemers (artikel 2).

[2] Deze bepaling gaat van kracht op 1 april 2010.

Kan men een vennootschapsmandaat en een bezoldigde activiteit uitoefenen?

Principe

Een vennootschapsmandaat is juridisch verenigbaar met de uitoefening van een bezoldigde activiteit voor zover de vennootschapsmandataris:

Er dient op gewezen te worden dat de bedrijfsleiders van de tweede categorie (commerciële, financiële of technische directeuren of directeuren belast met het dagelijks bestuur) nooit een bijkomende bezoldigde activiteit kunnen uitoefenen in dezelfde vennootschap.

Sociaal statuut

Indien de mandataris aan deze voorwaarden beantwoordt, dan zal hij aangesloten worden bij een sociale kas voor zelfstandigen wat zijn mandaat betreft en onderworpen worden aan de sociale zekerheid van de werknemers wat zijn bezoldigde activiteit betreft.

In de praktijk moet een vennootschapsmandataris die in dezelfde vennootschap eveneens een bezoldigde activiteit uitoefent ieder jaar aan zijn sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, aan de hand van een individuele rekening, het bewijs verstrekken dat van zijn inkomsten als werknemer de socialezekerheidsbijdragen van werknemers zijn ingehouden. Zo kan de sociale verzekeringskas de sociale bijdragen voor zelfstandige correct berekenen.

Fiscaal statuut

Men dient echter rekening te houden met het attractiebeginsel. Volgens dit beginsel worden zowel zijn bezoldigingen als werknemer als zijn bezoldigingen als bedrijfsleider belast als bedrijfsleiderbezoldigingen. Indien het mandaat van bestuurder daarentegen onbezoldigd is, dan zullen zijn bezoldigingen als werknemer als zodanig belast worden.



[1] Cass., 30 mei 1988, Pas., I, 1169.

[2] Cass., 18 mei 1981, Pas., I, 1079.

Wat zijn de bezoldigingen van de bedrijfsleider?

De bezoldigingen van een bedrijfsleider zijn alle vergoedingen die de onderneming waarin hij zijn activiteiten of functies uitoefent aan deze natuurlijke persoon betaalt of toekent.

De verschillende types van bezoldiging

Het gaat met name om:

In het algemeen zijn de beslissing en de modaliteiten inzake de toekenning van de bedrijfsleidersinkomsten geregeld door:

Het attractiebeginsel

Principe

Volgens het juridische concept van het attractiebeginsel vormt alles wat een bedrijfsleider ontvangt van de vennootschap waar hij een leidende functie of activiteit uitoefent, een inkomen als bedrijfsleider[6]. Zo wordt belet dat de beroepsinkomsten opgesplitst worden[7] en dat belastingplichtigen tweemaal het forfait voor beroepskosten toepassen[8] (dat zowel voor de aanslag van de bezoldigingen van werknemers als voor de aanslag van bezoldigingen van bedrijfsleiders is vastgesteld[9]).

Krachtens dit attractiebeginsel worden de vervangingsinkomens die de vennootschap aan haar bedrijfsleiders toekent in het kader van een tijdelijke inkomensderving dus beschouwd als bedrijfsleiderbezoldigingen. De vervangingsinkomens die daarentegen worden toegekend in het kader van een permanente inkomensderving worden behandeld als pensioenen indien ze worden toegekend aan ex-bedrijfsleiders die ontslag hebben genomen als bedrijfsleider.

De vervangingsinkomens die een tijdelijke of permanente inkomensderving compenseren worden echter als dusdanig behandeld indien ze door derden (verzekeraars of ziekenfondsen, ...) aan de bedrijfsleiders betaald worden.

Krachtens ditzelfde attractiebeginsel worden van een algemeen directeur die zijn functie uitoefent met een arbeidsovereenkomst en aan wie een bezoldigd mandaat als bestuurder wordt aangeboden, zowel de bezoldigingen als werknemer als de bezoldigingen als bedrijfsleider belast als bedrijfsleiderbezoldigingen. Indien het mandaat van bestuurder daarentegen onbezoldigd is, dan zullen zijn bezoldigingen als werknemer als zodanig belast worden.

Uitzonderingen

De volgende inkomsten ontsnappen aan het attractiebeginsel;

 

[1] Artikel 31, lid 2, 2° van het WIB 92.

[2] Artikel 31, lid 2, 3° van het WIB 92.

[3] Artikel 31, lid 2, 4° van het WIB 92.

[4] Artikel 31, lid 2, 5° van het WIB 92.

[5] Artikel 32, lid 2, 3° van het WIB 92.

[6] Cass., 7 december 1955, Pas., 1956, I, 336.

[7] Grondwettelijk Hof, arrest nr. 30/2001 van 1 maart 2001 B.6.6, Belgisch Staatsblad van 24 maart 2001.

[8] Grondwettelijk Hof, voornoemde arrest van 1 maart 2001 B.6.3.

[9] Artikel 51, lid 2, 1° en 2° van het WIB 92.

[10] Artikel 32, lid 2, 2° en 3° van het WIB 92.

[11] Artikel 32, lid 3 van het WIB 92.

[12]Com IR artikel 32/6 van het WIB 92.

Wanneer worden onroerende inkomsten geherkwalificeerd als bedrijfsleiderbezoldiging?

Principe

De huurgelden die bedrijfsleiders-mandatarissen van de vennootschappen waarin zij een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen worden geherkwalificeerd als bedrijfsleiderbezoldiging voor zover zij meer bedragen dan vijf derden van het geherwaardeerde kadastrale inkomen van het verhuurde gebouwde onroerende goed. De wet beschouwt deze onroerende inkomsten als buitensporig en kwalificeert ze dan als bedrijfsleiderbezoldiging. Ieder jaar bepaalt de administratie de herwaarderingscoëfficiënt van het kadastraal inkomen[1].  De kosten in verband met de verhuurde onroerende goederen mogen niet afgetrokken worden van de geherkwalificeerde bezoldiging[2].

Voorwaarden

Opdat onroerende inkomsten geherkwalificeerd zouden worden als bedrijfsleiderbezoldiging, moet:

Beoogde onroerende goederen

De herkwalificatie moet verricht worden rekening houdend met het juridisch statuut van het verhuurde onroerende goed ten aanzien van de rechten van de echtgenoten[5]. Als bijvoorbeeld het verhuurde gebouwde onroerende goed deel uitmaakt van het gemeenschappelijke vermogen van de bestuurder en zijn echtgenote, dan is alleen het deel van de huurprijs dat slaat op het onverdeelde aandeel van de bedrijfsleider vatbaar voor herkwalificatie als bedrijfsleiderbezoldiging.  

Indien, in de loop van de huurovereenkomst, de bedrijfsleider zijn mandaat of zijn functie neerlegt, dan gebeurt de herkwalificatie voor het deel van het jaar waarin de eigenaar als bedrijfsleider beschouwd wordt.  Hetzelfde geldt wanneer het onroerende goed in de loop van het jaar verhuurd wordt. Deze berekening wordt gemaakt naar rato van het aantal dagen waarop de begunstgde (de onderneming of persoon) het onroerend goed heeft vervreemd[6].

Beoogde bedrijfsleiders

Alleen de huurinkomsten verkregen door natuurlijke personen die een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen zijn vatbaar voor herkwalificatie als bedrijfsleiderbezoldiging.

De huurinkomsten verkregen van de vennootschap waarin de natuurlijke personen een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, buiten een arbeidsovereenkomst, uitoefenen, zullen nooit geherkwalificeerd worden als bedrijfsleiderbezoldigingen.

Berekening van de als bezoldiging geherkwalificeerde huurprijs

De als bezoldiging beschouwde huurprijs is gelijk aan het positieve verschil tussen het totale bedrag van de verkregen huurprijzen en -voordelen en het niet geïndexeerd kadastraal inkomen van het onroerend goed vermenigvuldigd met 5/3 en met de ieder jaar door de administratie vastgestelde herwaarderingscoëfficiënt[7].

Voorbeeld

Een bedrijfsleider verhuurt 30% van een gebouwd onroerend goed aan zijn vennootschap waarvan hij 50% bezit in mede-eigendom met zijn echtgenote. De maandelijkse huurprijs die het gezin van de bedrijfsleider ontvangt, bedraagt € 525 en het kadastraal inkomen van het gebouwde onroerende goed bedraagt € 2.500.

Opmerking: de volgende berekening werd uitgevoerd op basis van de bedragen die van toepassing zijn voor het aanslagjaar 2021, inkomsten 2020.

Kadastraal inkomen van het gebouwde onroerende goed: € 2.500

Kadastraal inkomen van het aan de vennootschap verhuurde deel van het gebouwde onroerende goed: € 2.500 *30% = € 750

Deel van het KI van het verhuurde onroerende goed eigen aan de bedrijfsleider: € 750 x 50% = € 375

Grens van de huurprijs beschouwd als huurinkomen: (375 x 4.60 *5/3)* = € 2.860,00

Jaarlijkse huurprijs eigen aan de bedrijfsleiders = 525*12*50% = € 3.150

Als bezoldiging te herkwalificeren jaarlijkse huurprijs = 3.150 – 2.860,00 = € 290,00

Indien de huurprijs iedere maand betaald wordt, dan is het bedrag van de maandelijkse huurprijs dat bij de andere bezoldigingen van de bedrijfsleider gevoegd moet worden om de bedrijfsvoorheffing te berekenen gelijk aan 290,00/12 = € 24,17

 


[1] Voor inkomstenjaar 2020 (aanslagjaar 2021) is het toepasselijke bedrag 4,60.

[2] Artikel 32, lid 2, 3° van het WIB 92.

[3] Circ. nr. CI.RH. 221/569.663, IV nr. 20 van 14 april 2005.

[4] Artikel 2 van het WIB 1992.

[5] Circ. nr. CI.RH. 221/569.663, IV nr. 20 van 14 april 2005.

[6] Circ.AG Fisc nr. 43/2016 Nr. CI 702.734) van 19 december 2016

[7] Voor inkomstenjaar 2018 (aanslagjaar 2019) is het toepasselijke bedrag 4,47.

Bedrijfsleiders en de wettelijk verschuldigde bedrijfsvoorheffing - Algemeen

Op het loon dat wordt uitbetaald aan bedrijfsleiders is krachtens de wet bedrijfsvoorheffing verschuldigd[1]. Concreet heeft de schuldenaar van de bezoldigingen van bedrijfsleiders (onderneming/ rechtspersoon) de verplichting om de verschuldigde bedrijfsvoorheffing door te storten aan de fiscus.

De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd vanaf het ogenblik van de toekenning of de betaling van belastbare bezoldigingen[2].

Niet-naleving van bovenvermelde verplichting heeft sancties tot gevolg (zie ‘Wat indien geen of te weinig bedrijfsvoorheffing ingehouden en betaald werd?’).

Naast de wettelijk verschuldigde bedrijfsvoorheffing zijn bedrijfsleiders eveneens onderworpen aan het stelsel van de verplichte voorafbetalingen. Deze vormen, net zoals bedrijfsvoorheffing, een voorschot op de eindbelasting. De bedoeling van de voorafbetalingen bestaat erin om de vaak ontoereikende wettelijke bedrijfsvoorheffing voor bedrijfsleiders te compenseren (zie ‘Het verschil tussen de berekening van de belasting en van de bedrijfsvoorheffing van de bedrijfsleider').

Het feit dat bedrijfsleiders voorafbetalingen doen, ontslaat de schuldenaar van de inkomsten echter niet om de verschuldigde bedrijfsvoorheffing in de schatkist te storten.

 


[1] Artikel 270,1° Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB) en artikel 273 WIB.

[2] Artikel 273 Wetboek van de Inkomstenbelastingen.

Welke inkomsten zijn onderworpen aan de bedrijfsvoorheffing?

Alle door een vennootschap aan haar bedrijfsleiders betaalde of toegekende bedragen worden beschouwd als bezoldigingen (zie hiervoor het antwoord op de vraag "Wat zijn de bezoldigingen van een bedrijfsleider?") en zijn derhalve onderworpen aan bedrijfsvoorheffing.  

De berekening van de bedrijfsvoorheffing geschiedt echter anders naargelang de bezoldigingen al dan niet periodiek worden toegekend.

Periodieke bezoldigingen

Een periodieke bezoldiging wordt regelmatig en ten minste één maal per maand toegekend vóór het einde van het belastbare tijdperk waarop de prestaties betrekking hebben[1]. Met andere woorden, de bezoldiging moet aangerekend worden op dat belastbare tijdperk maar het bedrag ervan kan van maand tot maand of van berekeningsperiode tot berekeningsperiode verschillen.  Ze kan ook toegekend worden over een andere periode dan een maand, bijvoorbeeld per dag, per week of per twee weken.

Het als bezoldiging geherkwalificeerde gedeelte van de maandelijks betaalde huurprijzen en de voordelen van alle aard die gelijktijdig met de periodieke bezoldiging worden toegekend of geacht te zijn toegekend, worden aan deze laatste toegevoegd[2].

Niet-periodieke bezoldigingen

Niet-periodieke bezoldigingen worden niet elke maand toegekend. Worden als dusdanig beschouwd:

De vertrek- en ontslagvergoedingen[7] betaald aan zelfstandige bedrijfsleider zijn onderworpen aan een afzonderlijke personenbelasting. Wat de bedrijfsvoorheffing op beroepsinkomsten betreft, is de wetgeving niet aangepast en wordt de berekening ervan nog steeds uitgevoerd in overeenstemming met de regels die van toepassing zijn op niet-periodieke bezoldigingen. Op formulier 281.20 zal ook een speciale vermelding van deze toelagen worden aangebracht[8].

Let wel, stortingen voor sociale verzekeringen (groepsverzekering, IPT,…) zijn slechts aftrekbaar in zoverre ze betrekking hebben op bezoldigingen die ten minste om de maand betaald worden[9]. Hoewel aan bedrijfsleiders perfect niet-periodieke bezoldigingen kunnen worden toegekend, zullen de stortingen voor sociale verzekeringen die hierop betrekking hebben, bijgevolg niet aftrekbaar zijn.

Aan een derde afgestane bezoldigingen

Sommige door de algemene vergadering van de vennootschap benoemde bestuurders staan hun bezoldigingen af aan derden en meer bepaald aan vennootschappen waarin zij bijvoorbeeld een bezoldigde activiteit uitoefenen.

In dat geval moet de vennootschap die de inkomsten verschuldigd is de wettelijk verschuldigde bedrijfsvoorheffing betalen en een fiche 281.20 opstellen namens de bedrijfsleider. Hij, en niet de vennootschap waarvan hij de belangen behartigt, is immers statutair de leider van de vennootschap.

Om praktische redenen aanvaardt de administratie, in welbepaalde gevallen en op verzoek van de betrokkenen, dat deze emolumenten niet onderworpen worden aan de bedrijfsvoorheffing noch vermeld worden op een fiche 281.20.  Deze bezoldigingen moeten echter volledig, contractueel en rechtstreeks worden afgestaan[10]. Deze inkomsten worden dan belast in hoofde van hun daadwerkelijke verkrijger, namelijk de derde vennootschap.

 


[1] Artikel 195, §1 lid 2 van het WIB 92.

[2] Bijlage III, punt 1.3.A.1°

[3] Volgens Com. I.R., 1992, nr. 275/142, 2° lid, p. 275/63, in tegenstelling tot de tekst van Bijlage III die niet in deze mogelijkheid voorziet.

[4] P. Bellen, "Les dirigeants d’entreprise depuis l’arrêté royal du 20 décembre 1996", R.G.F., mei 1998, p. 161.

[5] Artikel 171, 5° b verwijst enkel naar artikel 31 van het WIB 92 dat handelt over de bezoldigingen van werknemers.

[6] Cass., 12.10.1989, Pas., I, 1990, p.190.

[7] Kijk uit de uitspraak van het Grondwettelijk Hof van 24 september 2015 en Circulaire 2017/c/73. 

[8] Circulaire 2017/C/73 van 14 november 2017, waarvan de gevolgen onmiddellijk op die datum in werking zijn getreden.

[9] Artikel 195, §1 lid 2 WIB.

[10] Parlementaire vraag 99/133 van volksvertegenwoordiger Pieters van 25/11/1999 en circulaire nr. Ci.RH.244/599.047 van 18.08.2009.

Hoe wordt de belastbare grondslag bepaald die onderworpen is aan de inhoudingen van bedrijfsvoorheffing?

Voorafgaand aan de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt de periodieke of niet-periodieke bezoldiging van de bedrijfsleider verminderd met:

Brutobedrag van de maandelijkse bezoldigingen

Vermindering

Tot € 1.190,00

€ 330,00

Van € 1.190,01 tot € 5.140,00

€ 330,00+ 22,50% op de schijf boven € 1.190,00

Van 5.140,01 tot € 7.560,00

€ 1.179,25 + 14,50% op de schijf boven € 5.140,00

Boven € 7.560,00

€ 1.530,15

 

De overeenkomstig deze tabel berekende vermindering van de brutobezoldiging leidt over het algemeen tot een groot verschil in de berekening van de bedrijfsvoorheffing en de berekening van de eindbelasting. Zie hierover het antwoord op de vraag "Waarom een verschil tussen de berekening van de belasting en van de bedrijfsvoorheffing?".

 


[1] Com. Ir.275/13 en 275/42.

[2] Bijlage III, punt 1.1. C. Bedragen van toepassing voor aanslagjaar 2021, inkomsten 2020.

Hoe wordt de bedrijfsvoorheffing berekend?

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de berekening van de bedrijfsvoorheffing op de periodieke bezoldigingen en op de niet-periodieke bezoldigingen of nog, tussen de situatie waarin een bedrijfsleider wel of niet het statuut van rijksinwoner heeft.  

Bedrijfsvoorheffing op de periodieke bezoldiging

De betaling geschiedt maandelijks

De berekening van de bedrijfsvoorheffing op de periodieke bezoldiging geschiedt, net als voor werknemers, op basis van de loonschalen I, II of III van bijlage III[1].  De twee eerste loonschalen zijn van toepassing op rijksinwoners (of hiermee gelijkgesteld). Loonschaal III is van toepassing op bedrijfsleiders niet-inwoners.

Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat in aanmerking genomen moet worden staat in kolom 3 van de loonschalen.  Er wordt in een specifieke berekeningsregel voorzien indien de maandelijkse brutobezoldiging hoger is dan € 7.500[2].

De betaling geschiedt anders dan per maand

Periodieke bezoldigingen die anders dan per maand worden betaald, worden berekend op basis van de referentiemaandbezoldiging.  Dit is de desbetreffende periodieke bezoldiging gedeeld door het aantal werkdagen van de loonperiode in kwestie en vermenigvuldigd met 20. De op deze maandbezoldiging verschuldigde bedrijfsvoorheffing wordt gedeeld door 20 en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal werkdagen van het tijdperk waarop de bezoldiging betrekking heeft[3].

Bedrijfsvoorheffing op de niet-periodieke bezoldiging

De bedrijfsvoorheffing op een niet-periodieke bezoldiging is gelijk aan twaalf maal het verschil tussen:

Verminderingen van bedrijfsvoorheffing

Van de aan de hand van de loonschalen I, II of III berekende voorheffing worden bepaalde verminderingen afgetrokken naargelang de bedrijfsleider een rijksinwoner (of hiermee gelijkgesteld[4]) of een niet-inwoner is:

Type van vermindering

Rijksinwoners en gelijkgestelden[5]

Niet-inwoners

Kinderen ten laste

Ja

Nee

Andere gezinslasten

Ja

Nee

Vermindering voor groepsverzekering en voor extrawettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood

Ja

Ja

Vermindering van 33,14 % van het bedrag van het werkbonus (bedrijfsbegeleider met inkomens van werknemers)

Ja

Nee

Voorbeeld

 Zie bijlage 1.

 


[1] Bijlage III voor rijksinwoners en gelijkgestelde personen punten 3.1 tot 3.8 en  5.16 tot 5.22.

[2] Bijlage III, punten 3.5 tot 3.6 en 5.19  tot 5.20.

[3] Bijlage III, punten 3.7 en 5.21.

[4] Worden gelijkgesteld met rijksinwoners voor de berekening van hun belastingen: de niet- inwoners die 75% of meer van het totaal van hun ‘wereldwijde’ beroepsinkomsten als (belastbare) beroepsinkomsten in België verkrijgen.

[5] Bijlage III, punten 3.3. A en 3.4.

Hoe wordt de bruto-netto van het loon van een bedrijfsleider berekend?

De bruto-netto berekening van het loon van een bedrijfsleider op 01.01.2020

 

1. Het brutomaandloon (S)

 

2. De bijdragen voor de sociale zekerheid

Brutobedrag van de maandelijkse bezoldigingen

Vermindering

Tot 1.190 euro

330,00 euro

Van 1.190,01 euro tot 5.140,00 euro

330,00 euro+ 21,50% op de schijf boven 1.190 euro

Van5.140,01 eurotot 7.560,00 euro

1.179,25 euro + 14,50% op de schijf boven 5.030,00 euro

Boven 7.560,00euro

1.530,15 euro

 

3. Belastbaar = 1-2

4. Inhouding van bedrijfsvoorheffing

 

4.1 Het belastbaar bedrag is afgerond op het lagere veelvoud van € 15 = belastbaar

 

 

Alleenstaande of echtgenoot met inkomen

Echtgenoot zonder inkomen of met pensioeninkomsten < € 129

Niet-inwoner

Belastbaar <= € 7.500

Barema I

Barema II

Barema III

Belastbaar > € 7,500 = (belastbaar- € 7.500) X 53,50% +

€ 3.276,25

€ 2.854,04

€ 3.451,01

 

4.2 Vermindering van bedrijfsvoorheffing

a) Voor kinderen ten laste

b) Andere gezinslasten

Aantal

Vermindering

 

Vermindering

1

€ 37

Alleenstaande

€ 26

2

€ 106

Niet-hertrouwde weduwnaar, ongehuwde vader met kind ten laste

€ 37

3

€ 280

Gehandicapte begunstigde

€ 37

4

€ 490

Ascendenten en zijverwanten tot en met de 2de graad van 65 jaar of ouder

€ 81

5

€724

Andere personen ten laste

€ 37

6

€ 957

Echtgenoot heeft beroepsinkomsten andere dan pensioeninkomsten < € 233

€ 116,50

7

€ 1.191

8

€ 1.448

Echtgenoot heeft pensioeninkomsten <= € 466 en > € 233

€ 233

> 8: € 1448+ 260x (aantal kinderen - 8)

Gehandicapte echtgenoot en geen inkomsten

€ 36

Een gehandicapte persoon telt voor 2

c) Groepsverzekering en extrawettelijke verzekering tegen ouderdom of een I.P.T. Vrij Aanvullend Pensioen Werknemers

30% van de door werknemer gestorte premie

dg) Voor bedrijfsleiders die loontrekkenden zijn

33,14% van de werkbonus

       

5. De bijzondere socialezekerheidsbijdrage op maandbasis[1] voor bedrijfsleider met een arberidsovereenkomst

Onderworpen inkomens (S)

Gezin met 2 inkomens

Gezin met 1 inkomen of alleenstaande

Tot € 1.095,09

0

0

Van € 1.095,10 tot € 1.945,38

€ 9,30

0

Van € 1.945,39 tot € 2.190,18

(S-€ 1945,38) x 7.60% Minimum € 9,30

(S-€ 1945,38) x 7.60%

Van € 2.190,19 tot € 6.038,82

€ 18,60 +(S – € 2190,18) x 1.1%

€ 18,60 +(S – € 2.190,18) x 1.1%

Vanaf € 6.038,83

€ 51,64

€ 60,94

6. Netto

   

In het geel: Op de inhoudingen van de bedrijfsvoorheffing volgens barema III (niet-inwoners zonder tehuis in België) worden enkel deze verminderingen toegekend.

 


[1] Opgelet, op het einde van het kwartaal wordt deze bijdrage herberekend op basis van het kwartaalbarema en van de inkomsten die in de loop van het kwartaal ontvangen werden.

 

Wanneer dient de bedrijfsvoorheffing voor bedrijfsleiders berekend en doorgestort te worden?

Het ogenblik van de berekening van de bedrijfsvoorheffing

De berekening van de bedrijfsvoorheffing dient te gebeuren in functie van de frequentie van de betaling van het loon of van de voordelen van alle aard.

De bedrijfsvoorheffing is immers opeisbaar uit hoofde van de betaling of toekenning van belastbare bezoldigingen[1].

Voorbeeld 1:

Een bedrijfsleider ontvangt een periodieke, maandelijkse bezoldiging van 3.000 euro. Dit betekent concreet dat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing hierop maand per maand dient berekend te worden.

Voorbeeld 2:

Een bedrijfsleider krijgt de beschikking over een bedrijfswagen. Aangezien dit voordeel van alle aard maand na maand wordt toegekend, dient de bedrijfsvoorheffing hierop ook maand per maand te worden berekend.

Voorbeeld 3:

Toekenning van jaarlijkse tantièmes (niet-periodieke bezoldiging) aan de bedrijfsleider. De bedrijfsvoorheffing hierop dient bijgevolg jaarlijks berekend te worden.

Het ogenblik van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing

Net zoals voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing, geldt voor wat de doorstorting ervan betreft eveneens het principe dat dit moet gebeuren in functie van de frequentie van de toekenning of betaling van de bezoldiging of het voordeel van alle aard.

De onderneming/ rechtspersoon (schuldenaar van bedrijfsvoorheffing) krijgt wel tot de 15de van de maand na het verstrijken van de maand waarin de bezoldiging werd betaald of toegekend, de tijd om over te gaan tot de effectieve doorstorting van de bedrijfsvoorheffing aan de fiscus[2].

Voorbeeld:

Een bedrijfsleider krijgt maandelijks rond de 25ste van de maand een bezoldiging van 3.000 euro.

Voor wat januari betreft, is de bedrijfsvoorheffing bijgevolg verschuldigd vanaf 25 januari. De doorstorting ervan door de onderneming/ rechtspersoon dient te gebeuren vóór 15 februari.

Idem voor de volgende maanden.

Situaties waarbij maandelijks een loon of voordelen van alle aard worden toegekend aan de bedrijfsleider, maar die slechts op het einde van het jaar worden ‘geboekt', zijn bijgevolg niet wettelijk.



[1] Artikel 273 Wetboek van de inkomstenbelastingen.

[2] Artikel 412, lid 2 WIB. Op dit principe bestaat één uitzondering: De bedrijfsvoorheffing is betaalbaar binnen de 15 dagen na het verstrijken van ieder trimester waarin de inkomsten zijn betaald of toegekend, wanneer de bedrijfsvoorheffing op de inkomsten van het vorige jaar minder bedroeg dan 25.000 euro (basisbedrag). Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk (overeenkomstig artikel 178 WIB). Voor aanslagjaar 2021-inkomsten 2020 bedraagt dit bedrag 40.800,00 euro.

Wat indien geen of te weinig bedrijfsvoorheffing ingehouden en betaald werd?

Bij de ontvangst van de fiches 218.20 vergelijken sommige documentatiecentra-bedrijfsvoorheffing vluchtig de bezoldigingen van de bedrijfsleiders met de op deze bezoldigingen ingehouden voorheffing en soms stellen ze vast dat er geen of te weinig voorheffing werd ingehouden in vergelijking met de in bijlage III vastgestelde wettelijke inhoudingen.

In dat geval stellen zowel de onderneming/ rechtspersoon, als de bedrijfsleider zich bloot aan sancties.

In hoofde van de onderneming/ rechtspersoon (schuldenaar bedrijfsvoorheffing):

In hoofde van de bedrijfsleider is de niet-ingehouden bedrijfsvoorheffing een voordeel van alle aard van het jaar waarin hij datgene verkregen heeft wat tot een rechtzetting van zijn aanslag en over het algemeen tot een verhoging van zijn sociale bijdragen van zelfstandigen zal leiden. Een niet ingehouden bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op een inkomstenjaar en aan de administratie betaald wordt tijdens een later jaar zal steeds aangegeven worden met de inkomsten waarop deze niet-ingehouden bedrijfsvoorheffing betrekking heeft.



[1] Artikel. 86 van het koninklijk uitvoeringsbesluit.

[2] Artikel 414 WIB.

[3] Artikel 445 WIB. Die bedraagt 10% van het niet-betaalde bedrag, met een minimum van 50 euro en een maximum van 1.250 euro. Deze boetes zijn van toepassing per periode van bedrijfsvoorheffing.

Wat zijn de verplichtingen inzake de fiches 281.10 en 281.20?

Algemeen

De inkomsten die door een vennootschap worden toegekend aan haar bedrijfsleider moeten in principe aangegeven worden op een fiche 281.20. Indien zij in een zelfde vennootschap gelijktijdig een gratis mandaat en een bezoldigde activiteit als werknemer uitoefenen dan moeten de bezoldigingen van de bedrijfsleiders-mandatarissen alleen aangegeven worden op een fiche 281.10.

De periodieke bezoldigingen moeten vermeld worden in vak 9a en de niet-periodieke bezoldigingen in vak 9b. Dit onderscheid is essentieel voor de berekening van de aftrekbaarheid van de pensioenverzekeringspremies in hoofde van de onderneming die ze betaalt.

De voordelen van alle aard worden vermeld in vak 9c en omvatten met name de persoonlijke sociale bijdragen die verschuldigd zijn krachtens het sociaal statuut van de zelfstandigen en ten laste genomen worden door de vennootschap (zie hierna).

Persoonlijke sociale bijdragen verschuldigd krachtens het sociaal statuut van de zelfstandigen

Ondernemingen betalen vaak de persoonlijke sociale bijdragen van de zelfstandigen namens hun bedrijfsleiders, net als de premies voor de vorming van een vrij aanvullend pensioen of andere premies die voor de personenbelasting sociale bijdragen vormen die aftrekbaar zijn in hoofde van de bedrijfsleider.

Voor zover zij vermeld worden op fiche 281.20 vormen deze premies en bijdragen een bedrijfsleiderbezoldiging die aftrekbaar is van de belastbare inkomsten van de vennootschap. Zij worden eveneens in aanmerking genomen om te bepalen of het verlaagde tarief van de vennootschapsbelasting toegepast kan worden[1].

Hetzelfde geldt voor de sociale bijdragen van de zelfstandigen die niet betaald worden door de bedrijfsleider maar die door de sociale verzekeringskas van de zelfstandigen gevorderd worden van de onderneming in het kader van haar hoofdelijke aansprakelijkheid in dat domein.

Aan een derde afgestane bezoldigingen

In bepaalde gevallen moeten de aan derden afgestane bezoldigingen niet vermeld worden op een fiche 281.20. Zie hiervoor het antwoord op de vraag " Welke bezoldigingen zijn onderworpen aan de bedrijfsvoorheffing?".

Sancties

Op het einde van het jaar dient erover gewaakt te worden dat de door de vennootschap betaalde bedragen en de op fiche 281.20 aangegeven bedragen volledig met elkaar overeenstemmen.

Al dan niet in België verblijfhoudende rechtspersonen zijn namelijk onderworpen aan een afzonderlijke aanslag van 100%[2] op de bedragen van de bezoldigingen, de beroepskosten en de voordelen van alle aard die niet verantwoord worden met fiscale fiches.


[1] Art 215 en 246 van het WIB 92.

[2] Art 219, 225 en 233 van het WIB 92.

 

Het verschil tussen de berekening van de belasting en van de bedrijfsvoorheffing van de bedrijfsleider

Door de verminderingen die worden toegepast op de periodieke en niet-periodieke bezoldigingen verschilt de door de vennootschap ingehouden en betaalde bedrijfsvoorheffing vaak van de eindbelasting die de bedrijfsleider moet betalen.  

Voorbeeld

Zie bijlage 2.

Sancties: bijkomende belasting en vermeerderingen

Een bedrijfsleider van wie de belasting hoger is dan de door zijn vennootschap ingehouden en betaalde bedrijfsvoorheffing moet dus een bijkomende belasting en, in sommige gevallen, vermeerderingen betalen wegens ontoereikende voorafbetalingen en onvoldoende ingehouden bedrijfsvoorheffing[1].  Bovendien zal hij achteraf aanvullende sociale bijdragen van zelfstandigen moeten betalen.

Vanaf aanslagjaar 2018 mag de basisrentevoet van deze belastingverhoging nooit minder bedragen dan 1%[2].

De vermeerdering wordt tot 90% van haar bedrag beperkt[3].  Deze is echter niet verschuldigd:

Besluit

Om vermeerderingen te vermijden, heeft de bedrijfsleider er dus alle belang bij om:

 


1] Artikel 157 van het WIB 92.

[2] Artikel 161 van het WIB 92.

[3] Artikel 160 van het WIB 92.

[4] Artikel 163 van het WIB 92. Dit is het basisbedrag.  Het bedrag van toepassing voor aanslagjaar 2021, inkomsten 2020 is gelijk aan € 80.

[5] Artikel 164 van het WIB 92.

[6] Com.IR 137/39 Cass. van 02 maart 1990 Bull 704 P. 827 en Antwerpen, 18 oktober 1993, CL. Fiscale jurisprudentie, 94/210.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

WIB 92, artikelen 32 en 157 tot 164

Bijlage III, punten 3.1. tot 3.8. en 5.16 tot 5.22.