E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Fiscaal

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 6.2. Steunzones - Aanvraagformulier ingediend vanaf 1 augustus 2018

Lees eerst even dit…

Omwille van het groot aantal sluitingen en collectieve ontslagen waarmee we de laatste tijd geconfronteerd werden, wil de overheid ondernemingen stimuleren om te investeren in zgn. “ontwrichte zones”.

Het competitiviteitspact[1] geeft in dit verband de mogelijkheid aan de gewesten om, in geval van grootschalige collectieve ontslagen, een steunzone af te bakenen[2]. Op 1 augustus heeft de wetgever dit begrip collectief ontslag uitgebreid tot alle collectieve ontslagen[3]. Het heeft daarbij geen belang of dit ontslag al dan niet volgt op een faillissement[4].

In dergelijke steunzone genieten de werkgevers, die door een investering nieuwe arbeidsplaatsen creëren, onder bepaalde voorwaarden van een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing van 25% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van de werknemers die verband houden met de nieuwe arbeidsplaatsen.

Momenteel zijn in Vlaanderen 2 steunzones[5] van kracht: één rond Ford Genken één rond de Philips- site in Turnhout[6] .

Oorspronkelijk kwamen enkel de bedrijventerreinen die zich in een straal van 40 km rond deze vestigingen bevinden in aanmerking. Op basis van een Koninklijk besluit van 9 april 2017 (B.S. van 18 april 2017) werd dit toepassingsgebied van de Vlaamse steunzones echter uitgebreid met incubatoren, bedrijvencentra en brownfieldprojecten die binnen dezelfde perimeter gelegen zijn[7].

De gewesten mogen op 1 augustus 2018 4 bijkomende nieuwe steunzones (in totaal 8) afbakenen voor zover het gewest beslist om de oppervlakte van de zone te beperken binnen een cirkel waarvan de straal 20 km of minder bedraagt.

Het Vlaams gewest integreert de afbakening van deze steunzones in de webapplicatie “geopunt” [8] en voorziet in deze applicatie de mogelijkheid om op te zoeken of een bepaald adres of kadastraal perceelnummer zich al dan niet in de steunzone bevindt.

Hoewel deze maatregel officieel in werking is getreden op 1 mei 2015[9], is ze met terugwerkende kracht op die datum in werking getreden ten gevolge van de rechtzettingen die werden aangebracht door de wet van 18 december 2015 [10].

 


[1] Wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, Belgisch Staatsblad 22 mei 2014

[2] In geval van collectief ontslag stelt het gewest waarin (de) getroffen vestiging(en) gelegen is binnen de drie jaar na de kennisgeving van het collectief ontslag, een steunzone voor aan de minister van Financiën en dit  voor een toepassingsperiode van maximum zes jaar. Vervolgens is de goedkeuring van de federale overheid vereist, waarbij een samenwerkingsakkoord zal worden gesloten tussen het gewest en de federale regering omtrent de nadere modaliteiten van de maatregel.

[3] Die worden georganiseerd.

[4] Art. 15 van de wet van 15 mei 2014 gewijzigd door de wet van 30 juli 2018 die op 1 augustus 2018 in werking is getreden.

[5] De Vlaamse Regering heeft bovendien op 21 april 2017 ingestemd met de afbakening van een bijkomende (en dus derde steunzone in Vlaanderen) rond Zaventem-Vilvoorde.

[6] In Wallonië en Brussel werden nog geen specifieke steunzones afgebakend. Er werd op 17 november 2015 wel reeds een samenwerkingsakkoord gesloten tussen het Waalse Gewest en de federale overheid.

[7] Deze incubatoren, bedrijvencentra en brownfieldprojecten zijn terug te vinden in bijlage van voormeld Koninklijk besluit. Door deze uitbreiding wil de overheid de loonlastenverlaging verder uitbreiden om nog meer bedrijven in ontwrichte zones extra groeikansen te geven.

[8] Voor het Waals gewest zal gebruik worden gemaakt van "WalOnMap".

[9] Door publicatie van het Koninklijk besluit van 28 april 2015 tot uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, wat het Vlaamse Gewest betreft, en tot vaststelling van het in artikel 2758, § 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde formulier, B.S. 30 april 2015.

[10] Wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen, B.S. van 28 december 2015.

Welke werkgevers komen in aanmerking voor deze maatregel?

In het algemeen komen alle werkgevers die onder de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ressorteren en die personen tewerkstellen krachtens een arbeidsovereenkomst (wet van 3 juli 1978) of een leerovereenkomst in aanmerking voor deze maatregel.

Verder dient een onderscheid te worden gemaakt tussen 2 groepen van werkgevers: 

Groep 1: KMO’s en partnerondernemingen

Dit zijn de werkgevers, natuurlijke personen en vennootschappen, die aan de voorwaarden voldoen van kleine en middelgrote ondernemingen in het licht van de Europese staatssteunregels[1].

Concreet betreft het werkgevers die in ten minste twee van de laatste drie afgesloten tijdperken, voorafgaand aan het belastbaar tijdperk waarin het formulier inzake de toepassing van deze steunmaatregel[2] geldig overlegd werd, aan volgende voorwaarden voldoen:  

Indien de werkgever een vennootschap is, dan gelden voor de berekening van bovenstaande criteria. 

De bepalingen van artikel 1:24 §§2-4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV).

In geval van groepen van vennootschappen[3] (artikel 11 Wetboek vennootschappen) moeten bovenvermelde criteria op geconsolideerde basis berekend worden.

Partnerondernemingen

Sinds 1 augustus 2018 is een bijzondere regeling van toepassing op partnerondernemingen. Dat zijn natuurlijke of rechtspersonen die niet verbonden zijn met de werkgever. Ze beschikken echter over een deelneming van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten van deze werkgever of deze werkgever houdt ten minste 25% van het kapitaal of de stemrechten van de partneronderneming aan[4].

Uitsluitingen van het begrip partneronderneming

Van het begrip partneronderneming worden uitgesloten:  openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscentra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en autonome lokale autoriteiten.

Berekening van het begrip KMO

De jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van de werkgever worden verhoogd met diezelfde elementen van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste percentage van de volgende twee percentages :   - hetzij het percentage van de stemrechten dat verbonden is met de deelneming;   - hetzij het percentage van het kapitaal dat de deelneming vertegenwoordigt.

Groep 2: Ondernemingen die niet voldoen aan de criteria van groep 1 (grote ondernemingen)

Groep 2 betreffen de werkgevers, natuurlijke personen en rechtspersonen die niet voldoen aan de criteria zoals bovenstaand voor groep 1 bepaald.

Wanneer kan geen toepassing worden gemaakt van de maatregel?

Voor beide groepen van werkgevers geldt dat zij geen toepassing kunnen maken van de maatregel, indien zij zich in één van volgende situaties bevinden op het ogenblik van het overleggen van het formulier inzake de toepassing van deze steunmaatregel[5]:

Werkgevers behorende tot groep 2 (grote ondernemingen), kunnen bovendien geen toepassing kunnen maken van de maatregel, indien zij zich in één van volgende situaties bevinden:

 


[1] Deze maatregel kadert in de EU staatssteun en is gebaseerd op de algemene Europese groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014). Op basis van deze verordening wordt vermeden dat voor elke afbakening van een steunzone de afzonderlijke en voorafgaande instemming van de Europese Commissie vereist is (wat de afbakening van steunzones alleen maar zou blokkeren en/of vertragen).

[2] Zie vraag “Welke formaliteiten dienen te worden nageleefd?”.

[3] De verbonden vennootschappen worden vervangen door de groep van vennootschappen die wordt omschreven in artikel 2/1 van het WIB 92 dat verwijst naar artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigngen.

[4] Artikel 275/8, § 2, 4e lid van het WIB 1992.

[5] Zie vraag “Welke formaliteiten dienen te worden nageleefd?”.

Komen erkende uitzendkantoren in aanmerking?

Ja.

Erkende uitzendkantoren die uitzendkrachten ter beschikking stellen van werkgevers die in aanmerking komen voor deze maatregel (zie vraag: “Welke werkgevers komen in aanmerking voor deze maatregel?”) en die voor deze uitzendkrachten bezoldigingen uitbetalen die voldoen aan de ter zake geldende voorwaarden (zie vraag: “Gelden er specifieke voorwaarden?”), kunnen van deze gunstmaatregel genieten in de plaats van de werkgever.

Dit werd bevestigd door de wet van 18 december 2015 en bovendien kregen uitzendkantoren op basis van diezelfde wetgeving bijkomend de mogelijkheid om via de bijlage in de aangifte van de inkomstenbelasting aan te geven dat de nieuwe arbeidsplaats gedurende 3 jaar (KMO’s) (resp. 5 jaar voor grote ondernemingen) behouden is gebleven (zie vraag “De nieuwe arbeidsplaatsen die gecreëerd worden door de investering”).

Door deze toevoeging kunnen uitzendkantoren nu ten volle hun verantwoordelijkheid opnemen en wordt vermeden dat zij afhankelijk zouden zijn van hun opdrachtgever voor het leveren van dit bewijs (in geval de vrijstelling volledig werd ingehouden door het uitzendkantoor en de opdrachtgever dus helemaal geen belang heeft bij het aantonen van het behoud van de arbeidsplaats).

Er wordt een bijkomende voorwaarde ingevoerd: uitzendkantoren moeten zich vooraf melden bij de administratie volgens modaliteiten die bij koninklijk besluit zullen worden vastgesteld. De uitzendkantoren komen in afwachting van de bekendmaking van dit koninklijk besluit nog in aanmerking voor deze vrijstelling[1].

 


[1] Art. 275/8, § 1, 8e lid en art. 275/9, § 1, 9e lid van het WIB 1992.

Wat is het verschil met de steunkaart?

Deze maatregel voor steunzones mag geenszins verward worden met een andere fiscale maatregel inzake regionale steunkaarten.

Een regionale steunkaart is een kaart met steungebieden die, op basis van de Europese richtlijnen inzake regionale steunmaatregelen[1], zijn achtergebleven op sociaal- economisch vlak. Deze steunkaart wordt samengesteld door de gewesten en heeft slechts uitwerking na publicatie in het Europees Publicatieblad.

Het doel van de regionale steunkaarten bestaat erin om de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid in bepaalde regio’s te bevorderen. Om deze doelstelling te bereiken, werd een fiscale maatregel verbonden aan de regionale steunkaarten.

Zo kunnen bedrijven die gevestigd zijn in een gebied behorende tot de steunkaarten subsidies verkrijgen voor regionale investeringsprojecten[2].

 


[1] Publicatieblad van 23 juli 2013, c 209/01.

[2]Grote bedrijven kunnen bovendien enkel binnen deze afbakening van de regionale steunkaarten- in het kader van de Europese staatssteunregels - investeringssteun onder voorwaarden genieten.

Gelden er specifieke voorwaarden?

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor steunzones is slechts van toepassing indien de werkgever:

Vanaf 1 augustus 2018 wordt een investering die wordt gedaan door een vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep als die van de werkgever gelijkgesteld met een investering door de werkgever[1]. Voor de toepassing van de aan de KMO verleende vrijstelling moeten zowel de werkgever als de onderneming die de investering heeft gedaan bewijzen dat ze aan het KMO-begrip voldoen. Het aanvraagformulier van de vrijstelling zal worden aangepast.

 


[1] Art. 275/8, § 1, 4e lid en art. 275/9, § 1, 4e lid van het WIB 1992.

Welke investeringen komen in aanmerking voor deze maatregel?

Met betrekking tot de investeringen die in aanmerking komen voor deze maatregel gelden 2 voorwaarden[1].

Materieel toepassingsgebied van de investering

Voor de werkgevers die behoren tot groep 1 (KMO’s), moet de investering:

Ligging van de inrichting waar de investering gebeurt

De steunzones worden opgedeeld in de groepen A en B.

Groep A bevat de steunzones of delen van steunzones die binnen de steungebieden vallen die zijn opgenomen in de regionale steunkaart.

Groep B daarentegen bevat de steunzones of delen van steunzones die niet binnen de steungebieden vallen die zijn opgenomen in de regionale steunkaart.

De werkgevers die behoren tot groep 2 dienen hun investering te verrichten in een inrichting die gelegen is in een steunzone die is opgenomen in groep A. Dit heeft te maken met het feit dat grote bedrijven enkel van Europese investeringssteun kunnen genieten binnen de afbakening van de regionale steunkaarten[5].

KMO’s (groep 1) daarentegen kunnen hun investering zowel verrichten in steunzones van groep A als van groep B.

 


[1] Oorspronkelijk golden er 3 voorwaarden. De eerste voorwaarde op basis waarvan slechts toepassing kon gemaakt worden van deze maatregel indien voor de beoogde investering gewestelijke steun werd verleend, werd afgeschaft. Voor werkgevers die tussen 1 mei 2015 en 1 januari 2016 geen aanvraag hadden ingediend omwille van deze voorwaarde, werd in een overgangsmaatregel voorzien. Zij kunnen hun aanvraag vooralsnog binnen de drie maanden indienen.

[2]De derde- werkgever en de onderneming waarvan sprake, mogen niet verbonden zijn (art.1:20 en 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen met de werkgever die de overname verricht).

[3]Een activiteit wordt geacht vergelijkbaar te zijn met een andere activiteit indien beide activiteiten behoren tot dezelfde klasse van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 (Verordening EG nr. 1893/2006).

[4]Zie voetnoot 9.

[5] Grote bedrijven kunnen bovendien enkel binnen deze afbakening van de regionale steunkaarten- in het kader van de Europese staatssteunregels - investeringssteun onder voorwaarden genieten.

Welke investeringen zijn uitgesloten?

Grote ondernemingen komen niet in aanmerking voor deze vrijstelling voor hun investeringen:

 


[1] Art. 275/9, § 3, 5e lid van het WIB 1992.

Welke sectoren zijn uitgesloten?

Voor zowel de KMO’s als de grote ondernemingen (Groep 1 en 2), is de maatregel niet van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van volgende sectoren:

Bovendien is de maatregel voor grote ondernemingen (groep 2) evenmin van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van volgende sectoren:

De nieuwe arbeidsplaatsen die gecreëerd worden door de investering

De maatregel geldt enkel voor bezoldigingen die betrekking hebben op een ten gevolge van de investering nieuw gecreëerde arbeidsplaats die voor het eerst wordt ingevuld tussen de dag waarin het aanvraagformulier van de vrijstelling wordt overgelegd en de eerste dag van de 36ste maand die volgt op de maand waarop de investering wordt voltooid. Het feit dat het aanvraagformulier van de vrijstelling kan worden overlegd na de voltooiing van de investering betekent niet dat de vrijstelling vóór die overlegging wordt toegepast.

Een arbeidsplaats wordt als nieuw beschouwd indien de arbeidsplaats in de betrokken inrichting het totaal aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, doet verhogen ten opzichte van het gemiddelde aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten over de twaalf maanden voorafgaand aan de overlegging van het aanvraagformulier aan de administratie, vermeerderd met de andere door de investering reeds gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen uitgedrukt in voltijdse equivalenten.

Bij investeringen die de vorm aannemen van een overname, worden alle arbeidsplaatsen als nieuw aangemeld.

Deze maatregel is beperkt tot de bezoldigingen die, vanaf de initiële invulling van de nieuwe arbeidsplaats, binnen de 2 jaar uitbetaald worden. 

Bovendien moet deze nieuwe tewerkstelling gedurende minimum 3 jaar (voor KMO’s) en 5 jaar (grote ondernemingen) behouden blijven (zie eveneens de vraag: “Vanaf wanneer wordt deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing definitief?”).

Vanaf wanneer wordt deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing definitief?

De nieuwe tewerkstelling die ingevolge de investering binnen de 36 maanden (na voltooiing van de investering) gecreëerd werd, moet gedurende minimum drie jaar (voor KMO’s) en 5 jaar (grote ondernemingen) behouden blijven.

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt immers maar definitief toegestaan nadat:

Ten aanzien van de werkgevers die dit bewijs niet kunnen leveren, wordt de bedrijfsvoorheffing die werd vrijgesteld van doorstorting, aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de maand binnen dewelke de bovenvermelde minimale behoudstermijn (3 of 5 jaar) is verstreken[1].

 


[1] Werkgevers die dus tijdig vaststellen dat de nieuwe tewerkstelling niet behouden is gebleven gedurende de voorgeschreven behoudstermijn van resp. drie, dan wel vijf jaar, kunnen de betaling van nalatigheidsintresten vermijden door de situatie voordien (m.n. vóór het verstrijken van de maand binnen dewelke de behoudstermijn verstreken is) recht te zetten.

Hoeveel bedraagt deze vrijstelling?

Principe

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedraagt 25% van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in aanmerking komende bezoldigingen.

Wat zijn de beperkingen?

Deze maatregel is enerzijds beperkt tot een maximum van 7,5 miljoen euro per investering.

Voor grote ondernemingen (groep 2) wordt dit maximum verminderd met het geheel van bedrijfsvoorheffing waarvoor de werkgever op basis van deze maatregel werd vrijgesteld van doorstorting en van het geheel van de door een gewest aan de werkgever toegekende investeringssteun, in de mate dat:

Verder is de vrijstelling beperkt tot de bezoldigingen die, vanaf de datum van initiële invulling van de nieuwe arbeidsplaats, binnen de 2 jaar uitbetaald worden. 

Mag deze maatregel gecumuleerd worden met de andere gedeeltelijke vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing?

De nieuwe vrijstellingsregeling kan enkel gecumuleerd worden met de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor[1]:

De maatregel is dus niet cumuleerbaar met de gedeeltelijke vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de maritieme sector (art. 275/2 en 4 WIB 92), wetenschappelijk onderzoek (art. 275/3 WIB 92) en betaalde sportbeoefenaars (art. 275/6 WIB 92).

Vanaf 1 augustus 2018 mag de vrijstelling niet worden berekend op de bezoldigingen die betrekking hebben op overwerk dat door de betrokken werknemer wordt gepresteerd en dat wordt bedoeld door artikel 275/1[3].

 


[1] Op basis van het ontwerp van programmawet van 1 juni 2015 zou deze maatregel ook cumuleerbaar zijn met de nieuwe gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting bedrijfsvoorheffing die voorzien wordt voor startende ondernemingen.

[2] (Verhoogde) IPA- korting.

[3] Artikel 275/8, §1, 2e lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.

Mag de werkgever de exploitatie van de nieuwe investering overbrengen naar een andere vennootschap?

Ja. Vanaf 1 augustus 2018 mag de werkgever in het kader van een fusie, splitsing, een met een fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting, een inbreng van de algemeenheid van goederen of een inbreng van bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid de exploitatie van de nieuwe investering overdragen aan een andere vennootschap.

Deze andere vennootschap zal worden gelijkgesteld met de werkgever voor de toepassing van de vrijstelling indien deze vennootschap:

Deze maatregel is momenteel niet van toepassing zolang die koninklijke besluiten niet werden bekendgemaakt[1].

 


[1] Art. 275/8, §1 8e lid en art. 275/9 § 1, 9elid van het WIB 1992 en artikel 8, 2e lid van de wet van 30 juli 2018.

Welke formaliteiten dienen te worden nageleefd?

Vóór de aanvang van de investering moet de werkgever een formulier [1] inzake de toepassing van deze steunmaatregel op geldige wijze overleggen bij het bevoegde documentatiecentrum bedrijfsvoorheffing. Op dit formulier zal de werkgever de nodige gegevens moeten opgeven met betrekking tot de identiteit en activiteit van de werkgever, de opzet en uitvoering van de investering, de datum van aanvang en verwachte voltooiing van de investering en meer informatie aangaande de verwachte bijkomende arbeidsplaatsen.

Termijn voor het indienen van het formulier

Tot 31 juli 2018 kon de vrijstelling niet worden verleend indien de periode tussen de indiening van bovenvermeld formulier en de verwachte voltooiing van de investering met meer dan de helft overschreden werd. Idem indien niet wordt aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen betrekking hebben op de investering.

Vanaf 1 augustus 2018 moet het formulier voor de toepassing van de maatregel uiterlijk worden ingediend in de loop van de derde maand na de voltooiing van de investering. Op het formulier moet altijd de verwachte voltooiingsdatum van de investering worden vermeld, maar die mag overeenstemmen met de effectieve voltooiingsdatum van de investering. De voltooiing van de investering is het tijdstip waarop deze investering effectief door de werkgever in gebruik wordt genomen; het is het tijdstip waarop de werkgever de investering exploiteert in het kader van zijn economische activiteit.

Deze effectieve voltooiing van de investering moet plaatsvinden binnen de zes maanden na de verwachte voltooiing die in het formulier is vermeld. De administratie zou dit criterium strikt kunnen toepassen.

 


[1] Het oorspronkelijke formulier werd vervangen door een nieuwe versie (Koninklijk besluit van 9 april 2017, B.S. van 18 april 2017). Deze nieuwe versie bevat geen inhoudelijke wijzigingen, maar een aanpassing ervan was noodzakelijk ingevolge een interne herstructurering van de belastingadministratie (zo zijn ten gevolge van deze herstructurering de fysieke adressen en emailadressen gewijzigd waarnaar de door de werkgevers ingevulde formulieren moeten worden verzonden).

 

Welke aangiften in de bedrijfsvoorheffing moet men indienen?

De betrokken werkgevers moeten twee aangiften 274 indienen voor de periode waarin zij gedeeltelijk of volledig kunnen worden vrijgesteld van storting van bedrijfsvoorheffing.

 

Rubrieken van de aangifte 274

De eerste slaat op alle inkomsten van alle werknemers

De tweede slaat op de inkomsten van de werknemers waarvoor een vrijstelling van doorstorting geldt.

"Aard van de inkomsten"

Code "10"

Code "81" (KMO’s – groep 1) of “91” (voor grote onderneming – groep 2).

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de betrokken periode

Bedrag van de belastbare bezoldigingen die werden uitbetaald ten gevolge van de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing (aanvankelijk verschuldigde bedrijfsvoorheffing).

Een negatief bedrag gelijk aan 25% van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in aanmerking komende bezoldigingen

 

Hoe moet een eventuele terugname van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing worden verwerkt in de aangifte bedrijfsvoorheffing?

In dat geval dient slechts één aangifte bedrijfsvoorheffing te worden opgesteld.

 

Rubrieken van de aangifte 274

 

"Aard van de inkomsten"

Code "81" (KMO’s – groep 1) of “91” (voor grote onderneming – groep 2).

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen die werden uitbetaald ten gevolge van de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen en die niet meer in aanmerking komen voor de steunmaatregel.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Een positief bedrag gelijk aan 25% van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de hierboven vermelde belastbare bezoldigingen

 

Wanneer trad deze maatregel in werking?

Deze maatregel is in werking getreden op 1 mei 2015.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke bepalingen?

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 0. Inleiding

Lees eerst even dit...

De bezoldigingen van werknemers vormen het voorwerp van een inhouding aan de bron door de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing[1]. Deze ingehouden voorheffing wordt aangegeven en doorgestort aan de fiscus binnen een maandelijkse of driemaandelijkse termijn.

In bepaalde gevallen en mits naleving van bepaalde voorwaarden en formaliteiten kan de werkgever vrijgesteld worden van deze verplichting tot doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van de werknemers die hij tewerkstelt.

Concreet betekent dit dat enkel een deel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing moet worden doorgestort aan de schatkist en dat de werkgever het andere deel (bepaald percentage in functie van het specifieke geval) mag bijhouden (in bepaalde gevallen geldt echter wel een bestedingsverplichting/ bestedingsbeperking).

100% inhouding van bedrijfsvoorheffing als algemene voorwaarde

Deze vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing zijn toegelaten op voorwaarde dat de werkgever op deze bezoldigingen 100% van de bedrijfsvoorheffing inhoudt. Indien de bedrijfsvoorheffing voor een werknemer die in aanmerking komt voor een vrijstelling, 0 bedraagt (bv. Frans-Belgische grensarbeider), dan kan immers geen enkele vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing worden toegekend.

Het eventuele fiscale voluntariaat, ingehouden als aanvulling op de reglementaire bedrijfsvoorheffing, komt in aanmerking voor de verschillende vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Hulpmaatregel voor de ondernemingen

De techniek van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing strekt er in de eerste plaats toe om de werkgever te helpen en niet de werknemer. Aan zijn fiscale situatie verandert immers niets.

Op het vlak van zijn maandelijkse bezoldiging zal de inhouding van bedrijfsvoorheffing van de bruto bezoldiging gelijk zijn (inhouding van 100%) aan die welke verricht zou zijn indien de gedeeltelijke vrijstelling niet had bestaan. Ook het bedrag van de belasting zal niet verschillend zijn met of zonder vrijstelling, vermits de aanslag wordt berekend op basis van het belastbare bedrag dat het voorwerp van de inhouding heeft gevormd.

 


[1] Artikel 270,1° van het WIB 92: het gaat om natuurlijke of rechtspersonen die schuldenaar zijn van bezoldigingen en onderworpen zijn aan een Belgische belasting.

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 1. Wetenschappelijk onderzoek

Lees eerst even dit …

België heeft sinds 2003 een aantrekkelijke regeling ingevoerd waarbij werkgevers die onderzoekers tewerkstellen een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing genieten. Dit betekent simpelweg gezegd dat zij een deel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de lonen mogen bijhouden. Zij moeten dit deel dus niet doorstorten aan de fiscus. De bedoeling hiervan is het concurrentievermogen van de Belgische ondernemingen die aan onderzoek en ontwikkeling doen te versterken door in een fiscale gunstregeling te voorzien voor hun investeringen in deze domeinen.

Deze regeling werd eind 2005[1] samengevat in één tekst, meer bepaald in het artikel 275/3 van het WIB 92. Nadien werd het toepassingsgebied steeds verder uitgebreid tot meerdere hypothesen van tewerkstelling van werknemers in het domein van het wetenschappelijk onderzoek.

In 2013 werd het percentage van de vrijstelling verhoogd, met daartegenover een scherpere controle via de invoering van bijkomende administratieve procedures[2].

Tot slot werd deze gedeeltelijke vrijstelling op 1 januari 2018 in het kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting uitgebreid naar bepaalde bachelordiploma’s.

 


[1] Wet houdende diverse bepalingen van 23 december 2005, Belgisch Staatsblad van 30 december 2005, 2de editie.

[2] Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013.

 

In welke hypothesen mag de vrijstelling toegepast worden?

De wet voorziet in de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ingehouden op de totaliteit of een gedeelte van de bezoldiging toegekend aan onderzoekers tewerkgesteld:

 


[1] Art. 275/3, § 1, 1ste lid van het WIB 92.

[2] Art. 275/3, § 1, 2de lid van het WIB 92.

[3] Art. 275/3, § 1, 3de lid, 1° van het WIB 92.

[4] Art. 275/3, § 1, 3de lid, 2° van het WIB 92.

[5] Art. 275/3, § 1, 3de lid, 3° van het WIB 92.

Welke bezoldigingen vallen onder het toepassingsgebied van de vrijstelling?

De wet spreekt over bezoldigingen, zonder verdere toelichting.

Rekening houdend met de algemene context van de ingevoerde regeling moet de term "bezoldigingen" worden begrepen in de zin van bezoldigingen van werknemers vastgelegd in artikel 31, 1ste en 2de lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992[1]. Volgens de administratie gaat het om bezoldigingen van werknemers: dit zijn de bezoldigingen die activiteiten belonen die in ondergeschikt verband zijn verricht. Zijn dus uitgesloten, de beroepsinkomsten van zelfstandige onderzoekers en de bezoldigingen van onderzoekers-zelfstandige bedrijfsleiders.


[1] De administratie volgt dat standpunt, zie haar circulaire nr. Ci.RH.244/603.128 (AOIF 44/2010) van 15 juni 2010.

Onderzoekers tewerkgesteld voor academisch wetenschappelijk onderzoek

Het academisch onderzoek dat in een zelfde deel van de wet is opgenomen[1] omvat twee aspecten die op bepaalde punten van elkaar afwijken. Historisch gezien is dit het eerste geval van vrijstelling[2] dat de bevordering van het wetenschappelijk onderzoek in België beoogt.

Onderzoek aan een universiteit of hogeschool

Het voordeel van de gedeeltelijke vrijstelling wordt verleend aan de universiteiten of hogescholen die bezoldigingen aan assistent-onderzoekers betalen of toekennen.

Volgens de Federale Dienst Wetenschapsbeleid worden de assistent-onderzoekers[3] gedefinieerd als zijnde houders van een diploma van het hoger onderwijs tewerkgesteld door de universiteiten of hogescholen die wetenschappelijke onderzoeksopdrachten uitvoeren in het kader van de voorbereiding van een doctoraal proefschrift of gelijkaardige onderzoekswerkzaamheden[4].

Onderzoek gesteund door een fonds voor wetenschappelijk onderzoek

Academisch onderzoek wordt ook gevoerd door postdoctorale onderzoekers die tewerkgesteld zijn in allerlei (federale of regionale) fondsen voor wetenschappelijk onderzoek.  

De maatregel geldt enkel voor de volgende fondsen:

Nog steeds volgens de Federale Dienst Wetenschapsbeleid worden hier de postdoctorale onderzoekers beoogd, dat wil zeggen de houders van een diploma van het hoger onderwijs die tewerkgesteld zijn door één van de voornoemde fondsen en die wetenschappelijke onderzoekswerkzaamheden uitvoeren op een postdoctoraal niveau.

Wetenschappelijk onderzoek(swerkzaamheden)?

Hoewel deze thematiek centraal staat in deze categorie van vrijstelling van doorstorting is nergens in de wettekst een definitie terug te vinden van het (wetenschappelijk) onderzoek.

Onder (wetenschappelijk) onderzoek en bij afwezigheid van een wettelijke definitie[5] omschrijven de parlementaire werkzaamheden dit als "vernieuwend en planmatig onderzoekswerk met het oog op het verwerven van nieuwe wetenschappelijke of technische kennis"[6].

Moet men een bewijs van de tewerkstelling van de onderzoeker voor onderzoekswerkzaamheden kunnen voorleggen?

Bij gebrek aan andere bewijselementen raadt de Federale Dienst Wetenschapsbeleid aan om in de aanstellingsakte[7] (arbeidsovereenkomst, opdracht, onderzoeksovereenkomst…) op z'n minst te vermelden dat de onderzoeker belast is met taken van wetenschappelijk onderzoek.

Hoeveel bedraagt de vrijstelling?

Sinds 1 juli 2013 is 80% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing vrijgesteld van doorstorting aan de fiscus. 

Om welke bezoldigingen gaat het?

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt berekend op de gehele bezoldiging van de onderzoekers. Zelfs indien zij gedeeltelijk belast zijn met andere taken (bijvoorbeeld administratieve of onderwijstaken), maar toch als assistent- onderzoekers of postdoctoraal onderzoekers aangemerkt worden, komt hun volledige bezoldiging in aanmerking voor de vrijstelling[8].

Besteding van de vrijgestelde bedragen: beperking

Oorspronkelijk had de wetgever geen bijzondere verplichting ingevoerd voor de aanwending van de vrijgestelde bedragen, behalve dat ze moesten worden geïnvesteerd in wetenschappelijk onderzoek.

Sinds 10 januari 2010 daarentegen bevat de wettekst[9] een specifieke negatieve verplichting voor academische instellingen (universiteiten, fondsen) en voor de  erkende wetenschappelijke instellingen.

Zij kregen het verbod opgelegd om de fondsen die het voorwerp van een vrijstelling van doorstorting hadden gevormd te gebruiken om de loonlast van de bestaande onderzoekers voort te verminderen. Deze onderzoekers genieten immers reeds voordelige maatregelen die ertoe strekken de loonlast te verlagen (vermindering van sociale lasten en overheidssubsidies). De loonbesparing ingevolge de vrijstelling is volgens de auteurs van dit wetgevend amendement in de eerste plaats bedoeld om te worden herbelegd in wetenschappelijk onderzoek "om bijkomende wetenschappelijke onderzoekers aan te werven of om het budget voor het eigenlijke wetenschappelijk onderzoek te verhogen"[10] (uitrusting, infrastructuur, enz.). 

 


[1] Art. 275/3, § 1, 1ste lid van het WIB 92.

[2] Programmawet (I) van 24 december 2002, Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, 1ste editie.

[3] "Innovatief België – Fiscale maatregelen en innovatiepremies voor de bedrijven", informatiebrochure uitgegeven door de Federale Dienst Wetenschapsbeleid van de FOD Financiën en het VBO (Verbond van Belgische Ondernemingen), nr. 1.2, p. 6.

[4] Circulaire nr. AAFisc 17/2015 (Ci.RH. 244/635.467) dd. 08.05.2015 punt 8.

[5] De Federale Dienst Wetenschapsbeleid heeft gekozen voor de volgende definitie "de thematisch uitgevoerde creatieve werkzaamheden met het oog op de uitbreiding van de kennisvoorraad en het exploiteren ervan om nieuwe toepassingen te bedenken, zoals de ontwikkeling van nieuwe producten en procedés" in " Innovatief België – Fiscale maatregelen en innovatiepremies voor de bedrijven", o.c., p. 6 in fine.

[6] Ontwerp van wet betreffende het Generatiepact, Amendement nr. 12, MM. Devlies en Bogaert, Parl. doc., Kamer, gew. zitt. 2005-2006, nr. 2128/003, p. 25.

[7] De juridische aard van de verbintenis van de onderzoeker is niet doorslaggevend voor de toepassing van de vrijstellingsregeling.

[8] Mondelinge parlementaire vragen nr. 10078 en 10079 van de heer Bogaert d.d. 07.02.2006, Kamer, Commissie voor de Financiën en de Begroting, zittingsperiode 51, beknopt verslag, Com. 842, p.5-6. Circulaire nr. AAFisc 17/2015 (Ci.RH. 244/635.467) dd. 08.05.2015 punt 11.

[9] Artikel 275/3, § 1, 1ste lid in fine van het WIB 92.

[10] Wetsontwerp houdende fiscale en andere bepalingen, Amendement nr. 1, MM. De Potter en co, Parl. doc., Kamer, gew. zitt. 2009-2010, nr. 52-2310/002, p. 3.

Onderzoekers tewerkgesteld door erkende wetenschappelijke instellingen

Om welke situaties gaat het?

Het betreft het personeel dat bezoldigd is door wetenschappelijke instellingen die erkend zijn bij koninklijk besluit en houder is van een diploma van het hoger onderwijs en:

Wat verstaat men onder gediplomeerde van het hoger onderwijs?

Het gaat minstens om een diploma dat aantoont dat men onderwijs heeft gevolgd aan een hogeschool met een looptijd van 3 jaar, dat zijn de "vroegere" graduaten A1. Sinds Bologna stemt dat overeen met een "professionele bachelor".

Assistent-onderzoeker en post-doctorandus

Assistent-onderzoeker

Oorspronkelijk komt dit specifieke begrip uit de academische wereld. De overheveling van dat begrip naar de wereld van de (erkende) wetenschappelijke instellingen moet in een functionele zin gebeuren. Een assistent-onderzoeker is dus een personeelslid dat in het bezit is van een diploma van het hoger onderwijs en dat aan wetenschappelijke projecten werkt als assistent-onderzoeker. Deze persoon staat één of meer promotoren bij in de verwezenlijking van hun onderzoeksdoelstellingen. Houders van een A1-diploma of professionele bachelor hebben een diploma van het hoger onderwijs[2].

Post-doctorandus

De postdoctorale onderzoekers moet men in statutaire zin begrijpen omdat er geen andersluidende verduidelijking hierover bestaat. Het gaat dus om de onderzoekers die houder zijn van een diploma van het hoger onderwijs en die uitvoerende wetenschappelijke werkzaamheden verrichten voor het onderzoek op postdoctoraal niveau[3].

Erkenning door een in de ministerraad overlegd koninklijk besluit

Om de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing te mogen toepassen, moet de wetenschappelijke instelling de erkenning van de Koning verkrijgen. De wettekst vermeldt dat de erkenning de vorm moet aannemen van een in de ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Op 1 juli 2004 werd een eerste reeks wetenschappelijke instellingen erkend. Sindsdien werd deze lijst regelmatig aangepast en opgenomen in bijlage IIIquater van het koninklijk uitvoeringsbesluit van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Let op! De procedure tot erkenning als wetenschappelijke instelling ligt al jaren stil omdat er een nieuw Koninklijk Besluit moet geschreven worden door het Kabinet van de Minister van Wetenschapsbeleid.

Vzw’s, wiens personeelsleden aan de vereiste voorwaarden voldoen (bv. diplomavereisten), hebben echter steeds de mogelijkheid om van de fiscale vrijstelling te genieten in de hoedanigheid van “onderneming die onderzoekers bezoldigen die meewerken aan onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s en houder zijn van een doctoraat of een master- of bachelordiploma in de wetenschappen".

Zij moeten hun onderzoeksprojecten (in tegenstelling tot erkende wetenschappelijke instellingen) dan wel aanmelden bij BELSPO.

Om welke bezoldigingen gaat het?

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing mag door de erkende wetenschappelijke instelling op de gehele bezoldiging van de assistent- onderzoeker of postdoctorale onderzoeker berekend worden, zelfs indien de onderzoeker gedeeltelijk met andere taken belast is.

Besteding van de vrijgestelde bedragen: beperking

De beperking inzake het gebruik van de van doorstorting vrijgestelde bedragen is identiek[4] aan deze op het vlak van het academisch wetenschappelijk onderzoek. Gelieve de commentaar hierover te raadplegen.

Bijzondere bewijsformaliteit

Net zoals het academisch onderzoek zou de voorlegging van de aanstellingsakte (of de overeenkomst die de werknemer met de instelling bindt) moeten volstaan om aan te tonen dat de werknemer/onderzoeker tewerkgesteld is voor een activiteit van wetenschappelijk onderzoek.

 


[1] Lid van het leidinggevend personeel of verantwoordelijke voor de oriëntering van het onderzoek, statutaire organen, technische comités, raden van bestuur, wetenschappelijke raad.

[2] Circulaire nr. AAFisc 17/2015 (Ci.RH. 244/635.467) dd. 08.05.2015 punt 14 en 15. 

[3] Circulaire nr. AAFisc 17/2015 (Ci.RH. 244/635.467) dd. 08.05.2015 punt 16. 

[4] Artikel 275/3, § 1, 2e lid 2 in fine van het WIB 92.

Onderzoekers toegewezen aan onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s in het kader van een privépartnership / onderzoeksinstelling

Uitbreiding van de begunstigden tot privéondernemingen

Sinds 1 oktober 2005 is de gedeeltelijke vrijstelling verruimd tot de bezoldigingen betaald aan onderzoekers die ondernemingen aanstellen voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's[1] die worden geleid in uitvoering van samenwerkingsovereenkomsten gesloten met onderzoeksinstellingen.

Deze samenwerking moet dienen om het (fundamenteel of toegepast) onderzoek aan te moedigen door banden te smeden tussen de bedrijfswereld, de academische wereld en de onderzoeksinstellingen.

Samenwerkingsovereenkomst

Deze samenwerkingsovereenkomst behelst elke overeenkomst die voorziet in een geformaliseerde samenwerking tussen een onderneming en één of meer onderzoeksinstellingen (universiteit[2], hogeschool, erkende wetenschappelijke instelling) waarbij de onderzoekers die in die onderneming werken en de onderzoeksploegen die in de onderzoeksinstelling(en) werken aan een zelfde onderzoeks- of ontwikkelingsproject of -programma meewerken.

Europees partnership

Deze onderzoekspartnerships kunnen bilateraal (een onderneming en een erkende onderzoeksinstelling (universiteit, hogeschool, erkende instelling)) of multilateraal[3] (meerdere privé- partners en ten minste één academische partner) worden gesloten.

In het domein van het academisch onderzoek valt het steeds vaker voor dat een project van die aard het strikte nationale kader overschrijdt en op Europese schaal wordt uitgewerkt en geleid. Om die reden heeft de wetgever de Europese samenwerking vergemakkelijkt door partnerships van bedrijven/onderzoeksinstellingen mogelijk te maken voor universiteiten of hogescholen die in de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn[4].

Moet de onderzoeker een specifiek diploma bezitten?

Voor de toepassing van de vrijstelling gekoppeld aan een samenwerkingsovereenkomst moet men onder onderzoekers verstaan, de wetenschappers of ingenieurs die werken aan het bedenken of creëren van nieuwe kennis, producten, procedés, methodes of systemen. Zij moeten minstens een bachelordiploma hebben.

Bovendien zijn de leden van de onderneming die meewerken aan het onderzoeks- of ontwikkelingsproject of -programma, maar niet voldoen aan de diplomavereisten niet automatisch uitgesloten. Indien wordt aangetoond dat deze werknemers die kwalificatie in de onderneming hebben verworven, worden zij gelijkgesteld met ingenieurs en kunnen zij dus in aanmerking komen voor de toepassing van de maatregel[5].

Het project of programma moet niet noodzakelijk gesubsidieerd zijn om de maatregel te kunnen genieten. Indien er meerdere partners zijn, kan de betrokken Belgische onderneming de maatregel genieten zodra het consortium een kwalificerende partner bevat.

Onderzoeksproject

Sinds de wet van 17 juni 2013[6] wordt dit begrip gedefinieerd in het WIB. Voor alle uitleg hieromtrent, verwijzen we u naar de vraag: “Wat verstaat men onder ‘onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's?'

Hoeveel bedraagt de vrijstelling?

Sinds 1 juli 2013 is 80% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing vrijgesteld van doorstorting aan de Schatkist. Verder in de tekst vindt u een algemene tabel die de evolutie van de tarieven in de verschillende betrokken periodes weergeeft.

Om welke bezoldigingen gaat het?

In tegenstelling tot de hypothesen die we tot hiertoe onderzocht hebben, is het gedeelte van de bezoldiging gestort aan de onderzoekers dat in acht zal worden genomen aan twee beperkingen onderworpen om de gedeeltelijke vrijstelling te kunnen genieten.

Deze beperkingen zijn cumulatief.

1ste beperking: bezoldiging gestort tijdens de looptijd van het project

Deze eerste beperking is tijdelijk: enkel de bezoldiging betaald of toegekend tijdens de periode waarin het project of programma "werkelijk" (officieel, wettelijk) loopt, zal in acht worden genomen voor de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting.

De wedden die voor of na de periode waarin het project of programma loopt aan de onderzoekers worden betaald, zijn uitgesloten van het voordeel van de tijdelijke vrijstelling.

De maatregel is daarentegen onmiddellijk van toepassing op de lopende samenwerkingsovereenkomsten voor zover de wettelijke voorwaarden vervuld zijn.

2de beperking: bezoldiging die betrekking heeft op de effectieve tewerkstelling in het onderzoeksproject

De bezoldigingen die tijdens de looptijd van het project of programma worden uitbetaald, moeten bovendien aan de onderzoekers worden gestort in het kader van de uitvoering van het onderzoeks- of ontwikkelingsproject of -programma. Met andere woorden, de mate van toewijzing van een onderzoeker aan het project of programma bepaalt het gedeelte van zijn bezoldigingen dat in aanmerking komt voor de gedeeltelijke vrijstelling.

Voor een onderzoeker die halftijds is toegewezen aan een onderzoeks- of ontwikkelingsproject of -programma dat het voorwerp van het partnership met de onderzoeksinstelling vormt, zal slechts de helft van de uitbetaalde bezoldigingen in acht worden genomen voor de toepassing van de vrijstelling.

Voor de onderzoeker die daarentegen uitsluitend aan dat project of programma is toegewezen, zal de totaliteit van zijn bezoldiging in aanmerking worden genomen. Dezelfde redenering kan volgens ons ook worden gevolgd voor een onderzoeker die uitsluitend, zij het niet aan één, maar aan verschillende projecten of programma's in het kader van diverse partnerships is toegewezen.

Bijzondere bewijsformaliteit

Het is essentieel dat de samenwerkingsovereenkomsten in een contract geformaliseerd worden.

Identiteit van de onderzoekers ingezet voor het onderzoek

Bovendien en hoewel dat geen uitdrukkelijke voorwaarde van de wet is, raadt de Dienst voor Wetenschapsbeleid aan om, per project of programma, een lijst met de naam en functie van de onderzoekers die hieraan zijn toegewezen op te nemen in de samenwerkingsovereenkomst zelf of in een bijlage ervan.

Bewijs van de looptijd van het onderzoeksproject

De Dienst voor Wetenschapsbeleid wijst er terecht op dat men best een bewijs bijhoudt van het ogenblik waarop het onderzoeksproject wettelijk start. Het is immers noodzakelijk omdat men vanaf die datum een ondertekend bewijsstuk bezit zonder de officiële formalisering van de samenwerkingsovereenkomst af te wachten.

Volgens Wetenschapsbeleid bestaat een bewijsstuk in het bewaren van de werkelijke startdatum van het project, een ondertekende gezamenlijke intentieverklaring van de partijen betrokken bij het partnership die inzonderheid de datum van inwerkingtreding van het programma, de planning voor de afsluiting van de definitieve overeenkomst en de namen van de betrokken onderzoekers bevat.



[1] Onderzoek wordt gedefinieerd als zijnde "vernieuwend en planmatig onderzoekswerk met het oog op het verwerven van nieuwe wetenschappelijke of technische kennis".

[2] De universitaire ziekenhuizen, hetzij omdat ze integraal deel uitmaken van een universiteit, hetzij omdat ze erkend werden als wetenschappelijke instelling.

[3] Dat geldt voor talrijke Europese onderzoeksprojecten.

[4] Het gaat om de 27 lidstaten van de Europese Unie en IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

[5] Punt III, 2e lid van bijlage IIIter van het KB/WIB 92.

[6] Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013.

Bezoldigd wetenschappelijk personeel van de Young innovative companies

Naar het voorbeeld van de gelijkaardige Franse wetgeving is op 1 juli 2006 een bijkomende categorie van kracht geworden. De jonge innoverende ondernemingen, young innovative companies, die bezoldigingen betalen of toekennen aan het wetenschappelijk personeel dat zij tewerkstellen, zullen eveneens een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kunnen genieten. 

Young innovative companies

Cumulatieve voorwaarden

Een "young innovative company" is een onderneming die onderzoeksprojecten uitvoert en die op het einde van het belastbare tijdperk voorafgaand aan dat van de betaling of de toekenning van de bezoldigingen gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet:

De werkgever of de schuldenaar van de bezoldigingen moet een vennootschap zijn

In tegenstelling tot de vorige hypothesen moet de werkgever of de schuldenaar van de bezoldigingen een vennootschap zijn en niet een gewone onderneming.  Het toepassingsgebied van de vrijstelling is dus beperkter.

Onderzoeksproject

Sinds de wet van 17 juni 2013[5] wordt dit begrip gedefinieerd in het WIB. Voor alle uitleg hieromtrent, verwijzen we u naar de vraag: “Wat verstaat men onder ‘onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s?’

Bedoelde onderzoekers: het wetenschappelijk personeel

Het gaat om[6]:

De betrokken onderzoekers moeten in principe geen bachelordiploma hebben, maar wel relevante ervaring.

De bezoldigingen betaald aan het commerciële en administratieve personeel zijn dus alvast uitgesloten van het voordeel van de gedeeltelijke vrijstelling.

Om welke bezoldigingen gaat het?

De vrijstellingsmaatregel mag enkel toegepast worden op de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen van het wetenschappelijk personeel die betrekking hebben op onderzoek of ontwikkeling. Anders gesteld, de bezoldigingen van het wetenschappelijk personeel komen slechts pro rata de tijd die ze effectief besteed hebben aan onderzoek of ontwikkeling, in aanmerking voor deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

Toepassingen van de maatregel in de tijd

Wanneer de vennootschap op het einde van een belastbaar tijdperk niet meer voldoet aan alle voorwaarden om als een young innovative company te worden beschouwd, kan de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing niet langer worden toegepast op de betaalde of toegekende bezoldigingen vanaf de daaropvolgende maand.

Niets belet een bestaande vennootschap daarentegen om het voordeel van de vrijstelling aan te vragen wanneer alle wettelijke voorwaarden vervuld zijn.

De nieuw opgerichte vennootschappen wachten best tot het einde van het eerste boekjaar om na te gaan of zij aan de wettelijke voorwaarden voldoen vermits de boekhoudkundige gegevens ten vroegste op dat moment beschikbaar zijn.

Bijzondere bewijsformaliteit

Aangezien volgens de fiscus enkel het "wetenschappelijk" gedeelte van de bezoldiging betaald aan het personeel dat onderzoek verricht in aanmerking komt voor de vrijstelling, is het voorzichtig om, in geval van gemengde activiteit van de werknemer, het gedeelte van de arbeidstijd dat wel en het gedeelte dat niet aan onderzoek zal worden besteed te vermelden in de aanwervingsovereenkomst of in bijlage ervan.

 


[1] Zoals gedefinieerd in art 15 van het Wetboek van vennootschappen zoals het bestond vóór te zijn gewijzigd door de wet van 18 december 2015 tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013.

[2] Indien het gemiddeld aantal jaarlijks tewerkgestelde werknemers meer dan 100 bedraagt, zal de vennootschap niet meer als een kleine vennootschap worden beschouwd, ook al overschrijdt zij de overige grenzen niet.

[3] Zo zal de toepassing van de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor het inkomstenjaar 2016 slechts mogelijk zijn indien de vennootschap ten vroegste in de loop van het jaar 2006 werd opgericht.

[4] De "spin-offs" (of start-up) uitgaand van de universitaire onderzoekslaboratoria zouden uitgesloten zijn van het voordeel van deze regeling.

[5] Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013.

[6] Art. 275/3, § 1, 6de lid van het WIB 92.

[7] We verwijzen naar de definitie hiervoor die we hebben besproken in het kader van de samenwerkingsovereenkomst.

[8] Het gaat om de personen die belast zijn met het organiseren, coördineren en plannen van het project in zijn administratieve, juridische, financiële en technologische aspecten.

Ondernemingen die onderzoekers bezoldigen die meewerken aan onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s en houder zijn van een doctoraat of een master- of bachelordiploma in de wetenschappen

Artikel 275/3 van het WIB 92 heeft een laatste situatie van vrijstelling van doorstorting toegevoegd die op 1 januari 2006 van kracht geworden is. Het gaat om de ondernemingen die "hooggekwalificeerde" onderzoekers tewerkstellen voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's.

Deze restcategorie[1] van vrijstelling onderscheidt zich van de andere hypothesen die wij hebben bestudeerd omdat zij eist dat de onderzoekers een specifiek wetenschappelijk diploma bezitten. We gaan hierna dieper in op deze twee voorwaarden.

Ondernemingen die onderzoekers bezoldigen die tewerkgesteld zijn in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's

Ondernemingen die onderzoekers bezoldigen

Het begrip "onderneming" moet in boekhoudkundige zin geïnterpreteerd worden.

Bijgevolg kan het gaan om:

Welke vorm de betrokken vennootschap ook zal aannemen, steeds moet zij bezoldigingen ten aanzien van de tewerkgestelde onderzoekers verschuldigd zijn. Het kan gaan over consulting-of interimvennootschappen die onderzoekers tewerkstellen in projecten of programma's bij hun klant[2].

Onderzoekers die meewerken aan (projecten en programma's van) onderzoek en ontwikkeling

De tewerkstelling van de werknemer moet kwalificerend zijn. Dat betekent dat de onderzoeker moet worden ingezet voor één of meer projecten of programma's zowel van onderzoek als van ontwikkeling (Bv de ontwikkeling van softwareprogramma's[3]) Voor een definitie van deze begrippen verwijzen we u naar de vraag: “Wat verstaat men onder ‘onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's?'

Hoewel ze actief zijn in de domeinen van onderzoek en ontwikkeling, moeten de onderzoekers met het oog op de vrijstelling bovendien houder zijn van een diploma van doctor (Ph’D) in de wetenschappen of burgerlijk ingenieur of een master- of bachelordiploma in een specifiek studiegebied behaald hebben.

Deze onderzoekers zijn houder van een doctoraat (Ph'D) of master in een wetenschappelijke discipline

Hoewel ze actief zijn in de domeinen van onderzoek en ontwikkeling, moeten de onderzoekers met het oog op de vrijstelling bovendien houder zijn van een diploma van doctor in de wetenschappen of burgerlijk ingenieur of een master in dat studiegebied behaald hebben.

Doctor (PhD) of burgerlijk ingenieur

Het doctoraat[4] wordt in zijn gebruikelijke betekenis geïnterpreteerd[5], dat wil zeggen een derde universitaire cyclus die toegang geeft tot de academische graad van doctor, verkregen na het verdedigen van een proefschrift.

Het gaat hier om doctoraten in de toegepaste wetenschappen, in de exacte wetenschappen[6], in de geneeskunde, in de diergeneeskunde of in de farmaceutische wetenschappen. Deze lijst werd uitgebreid met het diploma van burgerlijk ingenieur en, gezien de gelijkschakeling, van bio-ingenieur (vroeger landbouwkundig ingenieur).

Master of gelijkwaardig diploma verkregen in een wetenschappelijk studiegebied

Sinds 1 januari 2007 zijn ook de doctors, de onderzoekers houder van een master of gelijkwaardig diploma[7] in de studiegebieden of combinaties van de volgende studiegebieden toegelaten tot deze regeling[8]:

Ter info: diploma's in de economie en psychologie komen niet in aanmerking voor deze maatregel.

Bachelor of gelijkwaardig diploma verkregen in een wetenschappelijk studiegebied

Sinds 1 januari 2018 komen ook bachelors in aanmerking voor de regeling. Deze uitbreiding heeft zowel betrekking op academische bachelors als op professionele bachelors.

Net zoals voor master- en doctorsdiploma’s zullen echter niet alle bachelors in aanmerking komen, maar enkel diegene die behaald werden in een specifiek door de wet bepaald studiedomein.

De academische bachelordiploma’s (of gelijkwaardig) dienen behaald te zijn in één van de studiegebieden zoals bepaald voor masterdiploma’s (zie bovenstaand).

Professionele bachelordiploma’s (of gelijkwaardig) dienen dan weer behaald te worden in één van onderstaande studiegebieden zoals bij uitbreiding door de wet opgesomd:

Ter info: diploma's in de economie en psychologie komen niet in aanmerking voor deze maatregel.

Buitenlandse diploma's?

Onderzoekers die houder zijn van een buitenlands diploma kunnen mogelijks in aanmerking komen voor de toepassing van de vrijstelling.  De decreten van de Vlaamse en Franse Gemeenschappen voorzien immers uitdrukkelijk in de gelijkschakeling van bepaalde buitenlandse titels. 

BESLPO kan adviseren over de al dan niet gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s. In bepaalde gevallen zal echter een gelijkschakeling van de diploma’s moeten gevraagd worden bij NARIC.

Er is geen lijst met landen waarbij men a priori naar NARIC moet stappen om de gelijkwaardigheid te laten onderzoeken.

Binnen Europa is men bij de Bologna-akkoorden overeengekomen om dezelfde graden te gaan gebruiken voor gelijkwaardige diploma's en werd het systeem van de studiepunten ingevoerd. Soms is er twijfel met de gelijkwaardigheid van diploma's behaald vóór deze periode. Elk land heeft die akkoorden eveneens in verschillende snelheden ingevoerd. Ook bij de specialiteit is het niet altijd duidelijk met welk Belgisch diploma het buitenlands diploma het best overeenstemt. Vandaar dat BELSPO af en toe naar NARIC zal doorverwijzen om het diploma te laten onderzoeken.

Af en toe moet ook nagegaan worden of de instelling wel degelijk door de eigen overheid erkend werd om bepaalde diploma's af te leveren.

Hoeveel bedraagt de vrijstelling?

Sinds 1 juli 2013 is voor alle beoogde situaties 80% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing vrijgesteld van doorstorting aan de fiscus.

Afwijkende regels voor bachelor

Voor bachelors bedraagt de vrijstelling eveneens 80% van de bedrijfsvoorheffing (zoals ingehouden op de lonen van de bachelors), maar is ze beperkt tot:

Bachelors- De beperking tot 25% en desgevallend 50% geïllustreerd

Onderneming X (geen KMO) heeft een onderzoeksproject lopen waaraan 2 masters in de biomedische wetenschappen deelnemen, alsook 2 professionele bachelors in de biotechniek.

Tot 31 december 2017 kon enkel een fiscale vrijstelling van 80% worden toegepast op de ingehouden bedrijfsvoorheffing van de 2 masters. Vanaf 1 januari 2018 komen eveneens de bezoldigingen van de 2 werknemers met het bachelordiploma in aanmerking en dit voor 40% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op hun loon, beperkt tot 25% van de vrijgestelde bedrijfsvoorheffing van de masters.

In januari 2018 bedraagt de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de lonen van de masters 2.200 euro. Bijgevolg kan 1.760 euro hiervan (ofwel 80%) worden vrijgesteld.

De ingehouden bedrijfsvoorheffing op de lonen van de 2 bachelors bedraagt daarentegen 1.350 euro. In principe is de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor hen dan gelijk aan 80% ofwel 1.080 euro. Dit bedrag overschrijdt echter de 25% van de totale vrijstelling zoals toegepast voor de masters en dient bijgevolg beperkt te worden tot 440 euro.

Om welke bezoldigingen gaat het?

Enkel de bezoldigingen toegekend aan onderzoekers die meewerken aan onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden zullen in aanmerking worden genomen.

De fiscus voegt er bovendien aan toe dat de voornoemde bezoldigingen slechts in acht zullen worden genomen in verhouding tot[11] de tijd die effectief zal zijn besteed aan de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden.

Bijzondere bewijsformaliteit

Net zoals voor de young innovative companies en rekening houdend met de beperking van de vrijstelling tot de bezoldigingen die verband houden met O & O enerzijds en met de mogelijkheid van een gemengde activiteit (onderzoeks- en ontwikkelingstaken en andere taken) anderzijds, is het voorzichtig om de spreiding van de arbeidstijd en de taken in de aanwervingsovereenkomst of in bijlage ervan te formaliseren.



[1] Ze omvat alle "privé- en publieke" ondernemingen in het algemeen en niet alleen die welke bijzondere kenmerken vertonen of een ad hoc erkenning bezitten, enz.

[2] Voorafgaande beslissing nr 2010.146 van 1 juni 2010

[3] VA K.Volksvertegenwoordigers Ord sess 2009-2010 Vraag nr 244 van 5 januari 2010. QRVA nr 52-92 9.73.

[4] Dit acroniem betekent oorspronkelijk Philosophiae Doctor (PhD) waarvan de betekenis geleidelijk is uitgebreid en in de Angelsaksische wereld de betekenis heeft gekregen van doctoraat, zoals wij dit in Europa kennen.

[5] De begrippen zijn gelijkaardig in de Franse en Vlaamse gemeenschap. Voor de Franse Gemeenschap, zie het decreet van 31 maart 2004, Belgisch Staatsblad van 18 juni 2004 en voor de Vlaamse Gemeenschap, het decreet van 4 april 2003, Belgisch Staatsblad van 14 augustus 2003.

[6] Het gaat om de wetenschappen: wiskunde, fysica, biologie, chemie en actuariële wetenschappen, …

[7] Dat betekent dat de titels of diploma's weliswaar niet de benaming van master dragen maar toch hetzelfde type van opleiding bekrachtigen.

[8] De Duitstalige Gemeenschap reikt momenteel geen master of gelijkwaardig diploma uit.

[9] Voornoemd decreet van 4 april 2003.

[10] Voornoemd decreet van 31 maart 2004.

[11] Art. 274/3 lid 6, streepje 4 van WIB 92.

Wat verstaat men onder ‘onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s?

Één van de voorwaarden voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, is dat de werknemer/onderzoeker tewerkgesteld wordt in een ‘project of programma voor onderzoek en ontwikkeling’. Wat onder deze begrippen verstaan moet worden, was in het verleden niet steeds even duidelijk. Bij gebrek aan wettelijke bepalingen moest de rulingdienst zich immers over deze materie ontfermen.

Daar kwam verandering in met de wet van 17 juni 2013[1], die een definitie implementeerde in het Wetboek van de inkomstenbelastingen. Deze definitie werd ontleend aan de Europese regelgeving[2] en moet in de praktijk zorgen voor meer controle op de toegepaste vrijstellingen.

Onder ‘onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s worden de projecten verstaan die tot doel hebben:

  • fundamenteel onderzoek. Het betreft activiteiten die voornamelijk verricht worden om nieuwe kennis te verwerven. Men beoogt geen rechtstreekse praktische toepassingen.

Voorbeeld: Fundamenteel kankeronderzoek. Dit is erop gericht om de mechanismen te begrijpen die tot kanker leiden. De opgedane kennis is in het algemeen onmisbaar om nieuwe diagnosebehandelingen te ontwikkelen.

  • industrieel onderzoek, waarbij nieuwe kennis en vaardigheden worden opgedaan met het oog op de ontwikkeling of verbetering van producten, procedés of diensten;

Voorbeeld: De ontwikkeling van een volledig nieuw fabricageprocédé van synthetische zouten.

  • experimentele ontwikkeling. Hierbij worden bestaande kennis en vaardigheden gebruikt voor het ontwerpen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten die niet voor commercieel gebruik bestemd zijn.

Voorbeeld: Onderzoek naar het effect van de luchtkwaliteit in een home op de kwaliteit van de slaap van de bewoners. De bedoeling bestaat erin om het wooncomfort van de bewoners te verbeteren.

Opvallend is dat deze definitie gelijkaardig is aan deze die tot nu toe door de rulingdienst werd toegepast.    

De definitie trad in werking op 1 januari 2014 voor nieuwe projecten. Voor de lopende projecten op dat ogenblik gold een overgangsregeling en is de definitie slechts van toepassing vanaf 1 januari 2015.

Opgelet! De definitie van projecten en programma’s voor onderzoek en ontwikkeling geldt niet voor universiteiten, hogescholen en bepaalde wetenschappelijke instellingen. Zij worden bijgevolg vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding hun hun projecten (zie “Controle op de maatregel- aanmeldingsprocedure en adviesaanvraag”).

Deze definitie van onderzoek geldt ook in het kader van het verkrijgen van de aftrek voor innovatie-inkomsten die inzake vennootschapsbelasting wordt toegekend voor computerprogramma’s[3]. In dit verband  raden we deze werkgevers aan om hun project aan te melden in de databank en de goedkeuring van BELSPO te vragen (zelfs als ze niet de toepassing vragen van deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing).

 


[1] Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013.

[2] Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de commissie van 6 augustus 2008.

[3] Art. 205/1 e van het WIB 1992.

Controle op de maatregel: aanmeldingsprocedure en adviesaanvraag

Oorspronkelijk vergde deze maatregel geen voorafgaande formaliteiten. De schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing was zelf verantwoordelijk voor de correcte toepassing ervan. Er was enkel voorzien in een controle a posteriori. Daar bracht de wet van 17 juni 2013[1] verandering in.

Aanmeldings- en goedkeuringsprocedure

Teneinde misbruiken te voorkomen, moeten (nieuwe) projecten en programma’s van onderzoek en ontwikkeling vanaf 1 januari 2014[2] vooraf aangemeld worden bij de Programmatorische Federale Overheidsdienst (POD) Wetenschapsbeleid (kortweg “BELSPO”).

Volgende informatie moet daarbij opgegeven worden:

  • Identificatie van de schuldenaar van bedrijfsvoorheffing;
  • Beschrijving van het project of programma waarbij moet worden aangetoond dat het gaat om fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
  • De verwachte aanvangsdatum en de vooropgestelde einddatum van het project of programma.

De aanmelding van het project dient niet noodzakelijk voorafgaand aan de opstart van een nieuwe activiteit van onderzoek en/of ontwikkeling te gebeuren, maar de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan echter pas  vanaf de datum van aanmelding van het project worden toegepast.

Bovenvermelde aanmelding dient te gebeuren via een elektronische tool die BELSPO hiervoor ter beschikking stelt op zijn website.

Op deze aanmelding volgt geen goedkeuring of recht. Het bedrijf is zelf verantwoordelijk voor wat geregistreerd wordt. De FOD Financiën bepaalt via controles a posteriori of de vrijstelling van toepassing is of niet.

Let op! Er dient een aanmelding te worden gedaan per ondernemingsnummer!

Let op! De gegevens in de BELSPO tool dienen regelmatig up to date te worden gehouden in functie van de reële omstandigheden en evoluties binnen het project. Een jaarlijkse update is toch zeker een minimum.

Let op! Het is van belang dat u als werkgever een zo nauwkeurig en realistisch mogelijke begin- en einddatum van uw project of programma opgeeft. Zo niet, riskeert u bij controle de verwerping van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. Ook al is het niet steeds evident om de exacte begin- en einddatum van een project te kennen, u mag dus niet zomaar een hypothetische datum opgeven.

Tot slot: als u computerprogramma’s ontwikkelt, raden we u aan om die projecten systematisch aan te melden, want het gaat om een voorwaarde om de aftrek voor innovatie-inkomsten te verkrijgen.

Adviesaanvraag

Wie echter op korte termijn rechtszekerheid wenst over de vraag of zijn project al dan niet in aanmerking komt voor de vrijstelling, kan samen met de aanmelding ervan het voorafgaand advies van BELSPO vragen (deze mogelijkheid kan aangekruist worden in de elektronische tool tijdens de aanmelding van het project)[3].

Het voordeel van dergelijke adviesaanvraag is immers dat de POD Wetenschapsbeleid in dat geval een bindend advies verstrekt over de geldigheid van het project binnen een termijn van drie maanden.

Concreet zal BELSPO dan nagaan of voldaan is aan de diplomavereisten en of de aangemelde onderzoeks- en/of ontwikkelingsprojecten experimentele ontwikkeling, fundamenteel of industrieel onderzoek tot doel hebben.

De voorafgaande adviesaanvraag is (in tegenstelling tot de aanmelding van het project) niet verplicht, maar desgevallend wel bindend. Deze adviesaanvraag is wenselijk nu de FOD Financiën dit advies in de praktijk systematisch vraagt.

 


[1] Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013.

[2] Deze datum geldt voor nieuwe projecten. Voor de op dat ogenblik lopende projecten gold een overgangsregeling: zij moesten slechts aangemeld en goedgekeurd worden  vanaf 1 januari 2015.

[3] Indien u geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid tijdens de aanmelding van het project, kan u dit nog steeds op een later tijdstip doen (eveneens via het aanvinken van deze mogelijkheid in de elektronische tool). Dit stelt u in de mogelijkheid om voor ieder verzoek van de administratie te rechtvaardigen dat uw onderneming wel degelijk wetenschappelijk onderzoek verricht.

Hoeveel bedraagt de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing?

Sinds 1 juli 2013 is 80% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing vrijgesteld.

Let op! Voor bachelors wordt de vrijstelling afgetopt in functie van de vrijstelling die berekend werd voor de masters in de onderneming.

Voor meer informatie hierover, klik hier.

Indien u een algemeen overzicht wenst van de verschillende tarieven die in het verleden van toepassing waren in functie van de verschillende soorten van wetenschappelijk onderzoek, gelieve de tabel in bijlage te raadplegen.

Mogen verschillende "wetenschappelijke" vrijstellingen worden gecumuleerd?

Sinds 1 januari 2007 is uitdrukkelijk bepaald dat een zelfde bezoldiging of een zelfde gedeelte van bezoldiging slechts voor één van de voorziene vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in acht mag worden genomen[1]

Indien de schuldenaar voldoet aan de wettelijke voorwaarden om verschillende hypothesen van  wetenschappelijke vrijstelling toe te passen op een uitgekeerde bezoldiging, dan moet hij een keuze maken.  Niets belet hem echter om voor sommige onderzoekers die hij tewerkstelt verschillende hypothesen van vrijstelling toe te passen wanneer het om afzonderlijke bezoldigingen gaat en op voorwaarde dat hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden die voor elk van de beoogde situaties gelden.


[1] Art. 275/3, § 1, 11de lid van het WIB 92.

Welke technische formaliteiten zijn van toepassing?

De praktische uitvoeringsregels voor de vrijstelling bestaan hoofdzakelijk uit twee administratieve formaliteiten die de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing moeten vervullen:

    • indiening van een 2de aangifte in de bedrijfsvoorheffing naast de gewone aangifte enerzijds[1];
    • bijhouden van een nominatieve lijst die een aantal inlichtingen bevat betreffende de verkrijgers van de bezoldigingen en de betaalde bedragen anderzijds[2].

Twee aangiften in de bedrijfsvoorheffing

Het koninklijk besluit licht de wijze toe waarop de beide aangiften (vroeger waren het er drie) moeten worden ingediend. Deze procedure is van toepassing sinds 1 januari 2006[3].

Eerste aangifte

De eerste aangifte in de voorheffing houdt verband met de bezoldigingen betaald of toegekend aan alle werknemers en bevat de volgende specifieke vermeldingen[4]:

    • in het vak "belastbare inkomsten": de belastbare bezoldigingen betaald of toegekend door de werkgever tijdens dat tijdvak;
    • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing.
Tweede aangifte

De tweede aangifte[5] houdt uitsluitend verband met de (gedeelten van) bezoldigingen van de werknemers voor wie de ondernemingen geen bedrijfsvoorheffing aan de Schatkist moeten doorstorten. Deze aangifte moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

    • in het vak "aard van de inkomsten": de codes "wetenschappelijk onderzoek"[6] die verband houden met de verschillende besproken hypothesen van vrijstelling:
      • codes 05: het "academisch" onderzoek;
      • code 07: de erkende wetenschappelijke instellingen;
      • code 09: de privéondernemingen die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten met een universiteit of hogeschool van de EER of met één van de erkende wetenschappelijke instellingen;
      • code 31: de young innovative companies;
      • code 32: de onderzoekers houder van een doctoraat of een diploma van burgerlijk ingenieur;
      • code 33: de onderzoekers houder van een master of gelijkwaardig diploma;
      • code 34: de onderzoekers houder van een bachelor of gelijkaardig diploma[7].
    • in het vak "belastbare inkomsten": de belastbare bezoldigingen betaald of toegekend door de werkgever gedurende dat tijdvak;
    • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een negatief bedrag dat, in functie van de verschillende hypothesen van vrijstelling, gelijk is aan het percentage voorheffing dat is ingehouden maar niet moet worden doorgestort.

[1] Art. 95/2, § 1, 1 lid KB/WIB 92

[2] Art. 95/2, §4 KB/WIB 92.

[3] Voor de young innovative companies treedt de maatregel in werking vanaf 1 juli 2006.

[4] Art. 95/2, § 2 KB/WIB 92.

[5] Art. 95/2, § 3 KB/WIB 92.

[6] Bijlage IIIbis KB./WIB 92.

[7] Art 3 van KB van KB van 19 juli 2018 BS van 25 juli 2018 tot wijziging van bijlage III bis van KB tot uitvoering van Wib 1992. 

Welk bewijs moet men aan de belastingadministratie verstrekken?

De betrokken belastingplichtigen moeten bewijzen dat de werknemers effectief aan een project van wetenschappelijk onderzoek hebben gewerkt.

Volgens bijlage III ter KB/WIB 92 moeten zij daartoe, in functie van de beoogde hypothese van vrijstelling, eveneens een nominatieve lijst ter beschikking moeten houden van de Administratie die de volgende vermeldingen bevat:

  • de volledige identiteit van de werkgever met vermelding van het nationaal nummer en het referentienummer van belastingplichtige inzake de bedrijfsvoorheffing;
  • voor elke werknemer die onder de vrijstellingsmaatregel valt:
    • zijn volledige identiteit alsook, eventueel, het nationaal nummer;
    • de data van in- en uitdiensttreding zoals vermeld op de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA);
    • een attest dat aantoont dat een arbeidsovereenkomst werd gesloten of dat hij het voorwerp heeft gevormd van zo'n overeenkomst;
    • het bedrag van de betaalde belastbare brutobezoldigingen;
    • het bedrag van de bedrijfsvoorheffing die werd ingehouden van deze bezoldigingen en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing;
  • voor elke werknemer die betrokken is bij de vrijstelling, het bewijs dat die persoon naargelang van het geval wel degelijk de hoedanigheid heeft van: assistent-onderzoeker, postdoctoraal onderzoeker, onderzoeker die meewerkt aan een project, onderzoeker in het bezit van één van de vereiste diploma's die toegewezen is aan een onderzoeks- en ontwikkelingsproject, of nog, onderzoeker, onderzoekstechnicus of beheerder van een onderzoeks- en ontwikkelingsproject;
  • het totale bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden bedrijfsvoorheffing;
  • KMO's die bachelors in dienst hebben of personen met een masterdiploma in onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten moeten de administratie het bewijs leveren dat zij inderdaad kleine ondernemingen zijn voor het belastingjaar dat betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de vergoeding wordt toegekend.

In de praktijk vraagt de administratie bij controles het bewijs van de tijd die deze onderzoekers aan wetenschappelijk onderzoek hebben gewijd. De invoering van een systeem van time sheets en controle van de arbeidstijd die werkelijk ten gunste van onderzoek en ontwikkeling werd verricht, is een pluspunt, niet alleen op fiscaal, maar ook op boekhoudkundig vlak.

Kan de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing laten terugbetalen waarvoor hij een gedeeltelijke vrijstelling had kunnen genieten?

Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing terwijl hij beantwoordde aan de wettelijke voorwaarden, dan mag hij een regularisatieaanvraag bij de fiscus indienen om de terugbetaling van het gedeelte van de bedrijfsvoorheffing dat hij niet had moeten storten, terug te krijgen.

De fiscale circulaire van 3 november 2009[1] licht de procedure toe die van toepassing is op de aanvragen tot teruggave van de bedragen van bedrijfsvoorheffing die het voorwerp van een vrijstelling van doorstorting vormen. Deze is van toepassing sedert dezelfde datum (m.n. 3 november 2009).

We willen er wel op wijzen dat onderstaande mogelijkheid inzake “retro- actieve toepassing van de maatregel” deels zal uitdoven tegen 1 januari 2019. Vanaf 1 januari 2014 is het immers niet meer mogelijk om toepassing te maken van de maatregel van het wetenschappelijk onderzoek als het project niet voorafgaand werd aangemeld en goedgekeurd door BELSPO. Indien het project wel voorafgaandelijk werd aangemeld, maar de gedeeltelijke vrijstelling niet ten volle werd benut (bijvoorbeeld voor werknemer X werd verkeerdelijk slechts rekening gehouden met een tewerkstelling van 50% van zijn arbeidstijd in het onderzoeksproject, terwijl dit in realiteit 100% was), dan blijft de regularisatieaanvraag onzer inziens wel mogelijk.

Hoe moet u een aanvraag tot teruggave indienen?

Tot 31 augustus van het jaar volgend op dat van de inkomsten gebeurt de aanvraag tot teruggave van de gestorte bedragen door de indiening van een tweede (negatieve) aangifte 274 bij het bevoegde ontvangkantoor[2].

Vanaf 1 september van het jaar volgend op dat van de inkomsten kan de rechtzetting enkel gebeuren door de indiening van een bezwaarschrift bij de adviseur-generaal[3] van de bevoegde Administratie van de FOD Financiën (bevoegde Centrum voor grote ondernemingen, dan wel voor KMO’s). Dat bezwaarschrift is mogelijk binnen een maximumtermijn van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor die bedrijfsvoorheffing verschuldigd is. Die termijn van 5 jaar maakt het mogelijk om de rekeningen van de overheid binnen een redelijke termijn af te sluiten. Voor de bezoldigingen toegekend in 2017 moet de aanvraag tot terugbetaling dus uiterlijk op 31 december 2021 toekomen.

Voorbeeld

Op 31 december 2017 betaalt een werkgever uit de privésector een bezoldiging. Hij heeft recht op  vrijstelling van doorstorting van een deel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing in het kader van de structurele vrijstelling.

De werkgever kan de terugbetaling vragen van de bedragen die overeenstemmen met de vrijstelling van doorstorting door een tweede aangifte (274) in te dienen en dit uiterlijk tegen 31 augustus 2018. Eens die termijn verstreken is, zal hij nog steeds de mogelijkheid hebben om een aanvraag tot teruggave in te dienen, maar dan door middel van een bezwaarschrift dat aangetekend wordt verstuurd naar de bevoegde Administratie van de FOD Financiën tegen 31 december 2021

We willen er wel op wijzen dat bovenstaande mogelijkheid inzake “retro- actieve toepassing van de maatregel” zal uitdoven tegen 1 januari 2019. Vanaf 1 januari 2014 is het immers niet meer mogelijk om toepassing te maken van de maatregel van het wetenschappelijk onderzoek als het project niet voorafgaand werd aangemeld en goedgekeurd door BELSPO.

 


[1] Circulaire nr. Ci.RH.244/597.746 (AOIF nr. 48/2009) van 3 november 2009.

[2] Let op ! Wanneer u gebruik wil maken van deze mogelijkheid, dan dient u ons in de praktijk uw aanpassingen ten laatste begin augustus over te maken.

[3] Art. 366 van het WIB 1992.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke bepalingen?

  • Artikel 275/3 Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) 92
  • Programmawet (I) van 24 december 2002, Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, 1ste editie
  • Wet houdende diverse bepalingen van 23 december 2005, Belgisch Staatsblad van 30 december 2005, 2de editie
  • Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013, 1ste editie
  • Wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, Belgisch Staatsblad van 29 december 2017, 1ste editie
  • Wet van 20 december 2020 houdende dringende diverse fiscale en fraudebestrijding bepalingen, Belgisch Staatsblad van 30 december 2020

 

 

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 2. Ploegen- en-of nachtarbeid en volcontinuarbeid

Lees eerst even dit …

In het kader van de werkgelegenheidsconferentie van oktober 2003 hebben de sociale partners aan de regering gevraagd om een maatregel te voorzien die de extra kosten verbonden aan nachtarbeid en ploegenarbeid kan compenseren.

In de artikelen 301 en 302 van de programmawet van 24 december 2003 werd reeds de wettelijke basis gelegd voor een vrijstelling van doorstorting van een deel van de bedrijfsvoorheffing die ingehouden wordt op de belastbare bezoldiging.

Het koninklijk besluit van 16 juni 2004 heeft de praktische uitvoeringsmodaliteiten van deze maatregel bepaald en de circulaire van 11 januari 2005[1] verduidelijkt het standpunt van de FOD Financiën in deze materie, door het toepassingsgebied meer bepaald uit te breiden tot de uitzendbedrijven.

Op basis van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact werd deze maatregel toegevoegd aan artikel 275/5 WIB ’92.

Het koninklijk besluit van 21 december 2006[2] versterkte de maatregel op zijn beurt door de vrijstelling van 5,63% op te trekken naar 10,67% voor de nacht- en ploegenpremies die worden betaald of toegekend vanaf 1 april 2007.

Ingevolge het interprofessioneel akkoord van 2009-2010 heeft de economische herstelwet deze maatregel enerzijds nog versterkt (optrekking van de vrijstelling naar 15,6%) en anderzijds de toegang ertoe beperkt.

Krachtens de programmawet van 26 december 2013[3] werd de vrijstelling vanaf 1 januari 2014 opgetrokken voor ondernemingen die een volcontinusysteem hebben. Ten aanzien van deze ondernemingen werd het  percentage van 15,6% opgetrokken met 2,2% (zijnde tot 17,8%).

In het kader van de taxshift werd de vrijstelling verder versterkt[4]. Daartoe werd het percentage op 1 januari 2016 opgetrokken van 15,6% tot 22,8% (en tot 25% voor ondernemingen waar volcontinu gewerkt wordt).

Tot slot werd het begrip “ondernemingen die ploegenarbeid verrichten” vanaf 1 januari 2018 in het kader van deze vrijstelling uitgebreid naar ondernemingen wiens werknemers “in ploegen” (volgens een eigen definitie) werken in onroerende staat verrichten (op basis van art; 20, §2 BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992) op werven[5]. Deze maatregel kadert in een door de taxshift voorziene lastenverlaging voor de bouw- en aanverwante sectoren.

 


[1] Circulaire van 11 januari 2005 (Ci.RH.244/568.064).

[2] Koninklijk besluit van 21 december 2006 tot wijziging van het KB/WIB ’92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, Belgisch Staatsblad van 29 december 2006.

[3] Programmawet (I) van 26 december 2013, Belgisch Staatsblad van 31 december 2013.

[4] Wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake de versterking van jobcreatie en koopkracht, B.S. 30 december 2015. 

[5] Wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie, Belgisch Staatsblad van 30 maart 2018 (“beperkte” relancewet).

 

Welke algemene voorwaarden moet men vervullen om een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te bekomen?

De ondernemingen die aan de volgende voorwaarden voldoen, kunnen een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bekomen:

  • nacht- of ploegenarbeid (of volcontinuarbeid) verrichten, dan wel volgens een eigen definitie in “ploegen” werk in onroerende staat verrichten op locatie ;
  • een ploegenpremie betalen of toekennen (een bruto uurloon van minstens 13,75 euro- niet- geïndexeerd[1] wordt hiermee gelijkgesteld in geval van verrichten van werken in onroerende staat in ploegen) ;
  • bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn;
  • de bedrijfsvoorheffing volledig inhouden van de bezoldigingen en premies;
  • de werknemers minstens één derde van hun arbeidstijd in ploegen of ’s nachts doen werken in de loop van de maand waarvoor het voordeel wordt aangevraagd[2].

 


[1] 13,99 euro voor inkomstenjaar 2019 en 14,19 euro voor inkomstenjaar 2020 (officieus bedrag).

[2] Voorwaarde van toepassing sedert 1 juni 2009.

 

Wat verstaat men onder ploegenarbeid, nachtarbeid, ploegen-/nachtpremie en volcontinuarbeid?

Ploegenarbeid[1]

Het gaat om werk dat wordt uitgevoerd:

  • in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers;
  • die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang;
  • die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en;
  • zonder dat de overlapping meer dan een kwart van hun dagtaak bedraagt.

Let op!

Een circulaire van 27 mei 2019, alsook het Hof van Beroep te Antwerpen geven meer uitleg over deze definitie van ploegenarbeid.

  • Het begrip “ploeg” betekent niet noodzakelijk dat men het werk op dezelfde werkplek moet uitvoeren;
  • De aflossing van de ploeg moet niet noodzakelijk gebeuren op een vaste werkplek;
  • De voorwaarde dat de ploegen hetzelfde werk moeten doen qua inhoud en qua omvang moet beoordeeld worden op het niveau van de ploeg en niet op basis van de individuele werkzaamheden van de werknemers die deel uitmaken van de ploeg. Er moet met andere woorden gekeken worden naar het geheel van individuele werkzaamheden.

Bovenstaande punten worden verduidelijkt aan de hand van volgend voorbeeld:

Firma x doet aan pechverhelping. Zij stuurt haar werknemers/ pechverhelpers één per één uit naar bestuurders die pech hebben. De firma werkt daarbij met een ploeg die de dag begint en een opeenvolgende ploeg. Elke pechverhelper is aan het werk op een andere locatie, waarbij zij elk alleen interventies van A tot Z zelf afwerken. Ze lossen elkaar daarom niet af op eenzelfde plaats.

Hoewel de pechverhelpers hun taak individueel uitoefenen op afzonderlijke plaatsen, voeren zij toch een gezamenlijke taak van pechverhelping uit. Ze staan als gezamenlijk team (dus op het niveau van de ploeg) in voor pechverhelping binnen de regio. Het feit dat zij alleen op de baan gaan, doet hier geen afbreuk aan. Zij kunnen dus het recht openen op de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (mits aan de andere voorwaarden voldaan is).

  • Voor het overige legt de wet niet uit wat de begrippen hetzelfde werk qua “inhoud” en “omvang” Hier zal dus per concreet geval een eigen invulling moeten aan gegeven worden.
    Bij de pechverhelpers bijvoorbeeld zou men zich kunnen baseren op het aantal bewegingen dat een ploeg uitvoert: het verslepen van de wagens, de herstellingen, het brengen en ophalen van een vervangwagen. Het aantal bewegingen van de ploegen moet dan gelijkaardig zijn om van de fiscale vrijstelling te kunnen genieten.

Ploegenarbeid werken in onroerende staat (bouw- en aanverwante sectoren)

Omdat bovenstaande “klassieke “ definitie van ploegenarbeid tot gevolg had dat de bouw- en aanverwante sectoren quasi nooit konden genieten van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing[2], werd in het kader van de taxshift een aparte enveloppe van loonkostenverlagende maatregelen voor deze sectoren onderhandeld[3].

Door deze onderhandelingen werd de vrijstelling doorstorting van bedrijfsvoorheffing op 1 januari 2018 uitgebreid naar ploegenarbeid op werven (werken in onroerende staat). Daartoe zal bovenstaande definitie van ploegenarbeid als volgt worden aangevuld:

  • de onderneming moet het werk verrichten in één of meerdere ploegen van minstens twee personen (zonder rekening te houden met studenten en leerlingen in een stelsel van duaal leren[4]) . Merk hierbij op dat een ploeg kan gevormd worden door één werknemer en één zelfstandige/ bedrijfsleider. De vrijstelling kan echter wel alleen maar berekend worden op de bezoldigingen van de werknemer.
  • deze personen moeten hetzelfde of complementair werk doen zowel qua inhoud als qua omvang;
  • waarbij de werknemers werken in onroerende staat[5] verrichten op locatie (op werven);
  • voor deze ondernemingen wordt een bruto uurloon van minstens 13,75 euro (niet- geïndexeerd[6]) gelijkgesteld met een ploegenpremie[7]. Dit bruto uurloon is een absoluut, forfaitair bedrag. Zo mag het bijvoorbeeld niet in relatie gebracht worden tot een weekstelsel (het arbeidsregime). Er mag bovendien ook geen rekening gehouden worden met eventuele premies, toeslagen, overloon,…

Let op!

  • om van de maatregel te kunnen genieten, moeten alle werknemers die een ploeg vormen aan bovenstaande basisvoorwaarden Voldoet één van hen hier niet aan, dan kan de vrijstelling ten aanzien van geen enkele werknemer toegepast worden. Deze basisvoorwaarden worden immers op gezamenlijke basis beoordeeld.
    Op dit principe bestaat één uitzondering: niet elke werknemer moet het minimum bruto uurloon verdienen. Uiteraard is de vrijstelling enkel van toepassing ten aanzien van die werknemers die aan het minimumbedrag komen;
  • de leden van de ploeg (team) moeten in principe allemaal hetzelfde uurrooster hebben;
  • niet alleen de bouwsector in strikte zin (PC 124) komt dus in aanmerking, maar ook aanverwante sectoren (elektriciens, loodgieters, schilders, schoonmakers…);
  • merk bovendien op dat op basis van deze bijkomende definitie het werk in één ploeg (bijvoorbeeld dagploeg) georganiseerd kan worden, dit in tegenstelling tot bij gewone ploegenarbeid. Bovendien dienen de werknemers niet noodzakelijk hetzelfde werk te doen qua inhoud en omvang, maar volstaat een complementariteit (bijvoorbeeld plaatsen van ramen: een ploeg van werknemers waarbij er enkele de ramen plaatsen en de anderen afkitten).

Nachtarbeid

Dit is arbeid die de werknemers overeenkomstig het arbeidsreglement verrichten tussen 20 en 6 uur.  Arbeid die uitsluitend verricht wordt tussen 6 uur en 24 uur en arbeid die gewoonlijk begint vanaf 5 uur wordt niet als nachtarbeid beschouwd[8].

De ploegen-/ nachtpremie

De ploegen-/ nachtpremie wordt betaald naar aanleiding van de arbeid die in ploegen of ’s nachts wordt verricht.  Wanneer er geen ploegen- of nachtpremie wordt toegekend, kan er geen vrijstelling van voorheffing worden verleend.

Uitzondering hierop vormt de ploegenarbeid in de bouw- en aanverwante sectoren (werken in onroerende staat). Voor deze ondernemingen wordt een bruto uurloon van minstens 13,75 euro (niet- geïndexeerd)[9] met een ploegenpremie gelijkgesteld (zie bovenstaand).

In de praktijk

De ploegenpremie mag afzonderlijk vermeld worden op de loonfiche, maar dit is geen vereiste.

Ze kan worden geïntegreerd in het uurloon voor zover de werkgever kan aantonen dat een deel van het loon overeenstemt met een premie die wordt toegekend wegens ploegenarbeid. Het bedrag van deze premie moet dus bepaalbaar en identificeerbaar zijn[10].

De wachtvergoeding is een vergoeding die wordt toegekend ter compensatie van het deelnemen aan een wachtdienst. Die wachtdienst is een oproepsysteem waarbinnen een werknemer bereikbaar moet zijn en waarbij de fysieke aanwezigheid van de werknemer op de arbeidsplaats niet vereist is. Deze wachtdienst is geen arbeidstijd.

De wachtvergoeding is bijgevolg geen ploegenpremie omdat zij niet wordt toegekend naar aanleiding van het leveren van bepaalde prestaties, maar enkel om thuis stand-by te blijven. Ze maakt wel deel uit van de belastbare bezoldigingen die als basis dienen voor de berekening van deze maatregel.

Volcontinuarbeid

Onder ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem wordt verstaan:

  • de ondernemingen waar het werk wordt verricht door de werknemers van categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002[11];
  • in minstens vier ploegen van minstens 2 werknemers;
  • die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang;
  • die een continu bezetting tijdens de gehele week en het weekend garanderen;
  • en die elkaar opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak.

De bedrijfstijd in dergelijke ondernemingen, zijnde de tijd dat het bedrijf functioneert, bedraagt minstens 160 uur op weekbasis.

Concreet gebeurt de beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake is van ploegen-, nacht- of volcontinuarbeid dus op het niveau van de onderneming. Dit betekent echter niet dat de vrijstelling ten aanzien van elke werknemer van een onderneming waar ploegen-, nacht- of volcontinuarbeid wordt verricht, kan worden toegepast. Dit kan enkel ten aanzien van werknemers die ook zelf effectief (min. 1/3) in dergelijk regime tewerkgesteld zijn (zie ook de titel “Welke werknemers komen in aanmerking?”) en die voldoende aan in te houden bedrijfsvoorheffing hebben op hun loon (zie in dit verband ook voetnoot 22).

Bv. Binnen een onderneming wordt ploegenarbeid verricht. Bepaalde werknemers van de onderneming (bv. administratief personeel, boekhouders,…) werken echter niet in dit ploegensysteem. Ten aanzien van hen kan de vrijstelling niet worden toegepast.

 


[1] De voorwaarden om te kwalificeren als een onderneming waar ploegenarbeid wordt verricht, beperken deze steunmaatregel niet tot een specifieke sector (zie parlementaire vraag nr. 603 van de heer Luk Van Biesen dd. 27 oktober 2015).

[2] In tegenstelling tot de klassieke industriële sectoren (waar het werk dikwijls in fabrieken wordt uitgevoerd), wordt het werk in de bouw- en aanverwante sectoren vaak zo geregeld dat de betreffende ondernemingen niet voldoen aan de definitie van ploegenarbeid.

[3] Bedoeling hiervan is voornamelijk om de strijd tegen sociale fraude en sociale dumping binnen de bouwsector aan te pakken.

[4] Als deze leerlingen en studenten aan alle basisvoorwaarden voldoen, dan kan de vrijstelling uiteraard ook voor hen worden toegepast.

[5] Zoals bedoeld in art. 20, §2 BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992). Dit betreffen onder andere alle werken die betrekking hebben op het bouwen, verbouwen, afwerken, inrichten, herstellen, onderhouden… van een onroerend goed. 

[6] 14,34 euro voor inkomstenjaar 2021.

[7] Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens artikel 178§4 Wetboek Inkomstenbelastingen (dus op basis van het gezondheidsindexcijfer van september 2003 - 112,47).

[8]   Artikel 275/5, §2, 2° van het WIB 1992.

[9]14,34 euro voor inkomstenjaar 2021.

[10] Circulaire 2019/C/42 punt 9

[11] Hieronder wordt verstaan: de werknemers uit de profit-sector die onderworpen zijn aan het geheel van sociale zekerheidsstelsels (en die niet tewerkgesteld zijn door een werkgever uit de non-profitsector waarvoor de vermindering in het kader van de Sociale Maribel geldt of een werkgever die valt onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen.

 

Welke werkgevers komen in aanmerking?

Principe

Alle werkgevers die schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing kunnen in principe een vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing genieten.

De erkende uitzendbedrijven die werknemers ter beschikking stellen van deze werkgevers die hen tewerkstellen in een systeem van ploegen- of nachtarbeid, zijn eveneens gedeeltelijk vrijgesteld van betaling van bedrijfsvoorheffing[1].

Uitzondering

Deze vrijstelling wordt niet toegekend aan de belastingplichtigen die:

  • werknemers tewerkstellen die worden bezoldigd met fooien of met een dienstpercentage betaald door het cliënteel;
  • inkomsten betalen of toekennen aan podiumkunstenaars of sportbeoefenaars niet-verblijfhouders of, bij gebreke daarvan, aan de organisatoren van de vertoningen of sportmanifestaties;
  • door de leden van een burgerlijke vennootschap of feitelijke vereniging[2] zijn aangesteld om hen te vertegenwoordigen, of bij ontstentenis daarvan, elk van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten of leden;
  • als curatoren in faillissementen, vereffenaars van vennootschappen of van gerechtelijke akkoorden of als personen die gelijkaardige functies uitoefenen, schuldvorderingen vereffenen.

In de praktijk

Een werknemer die een ondersteunende functie uitoefent binnen een ploeg kan in ploeg werken als aan alle andere voorwaarden is voldaan[3].

 


[1] Artikel 275, § 2, 4° van het WIB 1992.

[2] Beoogd in artikel 229, § 3 van het WIB 1992.

[3] Punt 6 van de circulaire 2019/C/42.

 

Welke werknemers komen in aanmerking?

Principe

De beoogde werknemers zijn die welke:

  • hetzij behoren tot categorie 1 van de structurele vermindering van de sociale lasten [1]. Het gaat hier om de werknemers uit de profit sector die aan het geheel van de socialezekerheidsstelsels onderworpen zijn[2];
  • hetzij statutair tewerkgesteld zijn bij de volgende autonome overheidsbedrijven; de NV van publiek recht Proximus en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  • hetzij de werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met uitzondering van de door haar ter beschikking gestelde werknemers aan de NV van publiek recht NMBS en de NV Infrabel in het kader van hun activiteiten van openbare dienstverlening.

EN die

minstens één derde van hun arbeidstijd in ploegen of ’s nachts werken tijdens de maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd.

Begrip ‘één derde van de arbeidstijd’

Om te bepalen of de werknemers minstens één derde van hun arbeidstijd in ploegen of ’s nachts werken, stelt de wet dat “naast de effectieve arbeidsprestaties, ook de schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waarvoor het loon- geheel of gedeeltelijk- wordt doorbetaald, mee in de teller moeten worden opgenomen. 

Onderstaande schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst worden beschouwd als schorsingen waarvoor het loon- geheel of gedeeltelijk- wordt doorbetaald en dienen dus mee in de teller te worden opgenomen:

  • de periodes van arbeidsongeschiktheid die het gevolg zijn van ziekte of ongeval en waarvoor de werkgever het loon geheel of gedeeltelijk heft doorbetaald;
  • de jaarlijkse vakantie[3];
  • klein verlet of kort verzuim (het recht afwezig te zijn van het werk, met behoud van loon, ter gelegenheid van familiegebeurtenissen, voor de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten en in geval van verschijning voor het gerecht);
  • de eerste drie dagen van het vaderschapsverlof.

Perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder loon, worden niet meegerekend in de noemer”.

Voor meer informatie en voorbeelden inzake de berekening van de 1/3de norm, verwijzen we naar de de FAQ die terzake gepubliceerd werd door de FOD Financiën.

Aanvullend hierop willen we nog vermelden dat overuren meetellen voor de berekening van de één derde- norm in de maand waarin ze effectief gepresteerd worden, ongeacht of deze gerecupereerd worden of niet[4].

Uitgesloten werknemers

De inkomsten van de werknemers die niet tot categorie 1 behoren, tellen niet mee voor de berekening van de vrijstelling.  Het gaat dus om de werknemers die:

  • niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid;
  • gedeeltelijk onderworpen zijn aan de sociale zekerheid;
  • behoren tot de categorieën 2 en 3 van de structurele vermindering van de sociale lasten. Het gaat hier met andere woorden over de werknemers:
    • tewerkgesteld door werkgevers die onder het paritaire comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen vallen (P.C. nr. 327), met uitzondering van de sociale werkplaatsen van de Vlaamse Gemeenschap (RSZ-kengetal 373);
    • uit de non-profit sector[5] met uitzondering van die welke tewerkgesteld zijn in de diensten voor gezins- en bejaardenhulp (P.C. nr. 318) en de sociale werkplaatsen van de Vlaamse Gemeenschap die onder het paritaire comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen vallen.

De Belastingadministratie houdt zich hiervoor strikt aan de classificaties opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.  Zo maken de werknemers van de sociale werkplaatsen van de Vlaamse Gemeenschap momenteel deel uit van categorie 1.

 


[1] Artikel 330 van de Programmawet van 24 december 2002.

[2] Artikel 21, §1 van de Wet van 29 juni 1981.

[3] Voor wat arbeiders betreft, worden de periodes waarin de arbeider vakantie neemt en tijdens dewelke hij vakantiegeld ontvangt van een vakantiefonds beschouwd als een schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waarvoor het loon wordt doorbetaald.

[4] In de maand waarin ze desgevallend worden gerecupereerd, tellen overuren dus niet mee voor de berekening van de één derde- norm.

[5] Het gaat om de werknemers bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector.

 

Om welke belastbare bezoldigingen gaat het?

Principe

De belastbare bezoldigingen omvatten:

  • de wedden, lonen, commissies, gratificaties, premies, vergoedingen en alle andere soortgelijke beloningen met inbegrip van fooien en toelagen die, zelfs toevallig, uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden verkregen[1];
  • de gewaarborgde week- en maandlonen die de werkgever betaalt in geval van arbeidsongeschiktheid en die onderworpen zijn aan de socialezekerheidsbijdragen;
  • de voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van de uitoefening van de beroepsactiviteit.

Uitsluitingen

Vallen niet onder dit begrip van belastbare bezoldiging:

  • de eindejaarspremies, het vakantiegeld en de loonachterstallen[2];
  • de vergoedingen verkregen wegens de stopzetting van de arbeid of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst[3];
  • de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van loon[4];
  • de bezoldigingen die door een werknemer zijn verkregen en worden toegekend aan zijn rechtverkrijgenden (erfgenamen) met uitzondering van het gewaarborgd loon door de werkgever gestort;
  • de aanvullingen op de vervangingsinkomsten (ziekenfonds, werkloosheid, ongeval, …) betaald door de werkgever in het kader van zijn wettelijke of buitenwettelijke verplichtingen.

Let op! Voor ploegenarbeid op werven (bouw- en aanverwante sectoren) worden “premies” (andere dan de ploegenpremie[5]) eveneens uitgesloten.

 


[1] Artikel 31 2de lid 2, 1° en 2°.

[2] Artikel 275/5, §1,  2de lid van het WIB 1992.

[3] Artikel 31, 3° van het WIB 1992.

[4] Artikel 31, 4° van het WIB 1992. Zie circulaire 244/268.064 (Afer 3/2005 Faq 3 van 11 01 2005).

[5] Circulaire 2018/C/73 van 11 juni 2018.

 

Hoeveel bedraagt de vrijstelling?

Algemeen

Op 1 januari 2016 werd het percentage van deze vrijstelling in het kader van de taxshift opgetrokken van 15,60% tot 22,8% (25% voor ondernemingen die een volcontinusysteem hebben)[1].  Tot die datum waren de volgende tarieven van toepassing:

Van

Tot

Percentage

1 januari 2004

31 december 2004

0,5%

1 januari 2005

30 juni 2005

1%

1 juli 2005

31 december 2005

2,5%

1 januari 2006

31 maart 2007

5,63%

1 april 2007

31 mei 2009

10,7%

1 juni 2009

31 december 2015

15,60%

1 januari 2016

 

22,8%

 

Dit percentage wordt toegepast op het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers samen die voldoen aan de toekenningsvoorwaarden voor de vrijstelling tijdens de periode waarop de aangifte van de voorheffing betrekking heeft[2].

Ploegenarbeid werken in onroerende staat (bouw- en aanverwante sectoren)

Bovenvermeld vrijstellingspercentage is in deze context om budgettaire redenen beperkter dan bij gewone ploegenarbeid. Het zal hier echter wel stapsgewijs als volgt worden opgetrokken:

  • vanaf 1 januari 2018: 3% van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de betrokken werknemers samen;
  • vanaf 1 januari 2019 wordt dit percentage opgetrokken tot 6%;
  • vanaf 1 januari 2020 wordt dit percentage opgetrokken tot 18%

“Individuele benadering” doorbroken

Sinds 2018[3] wordt de zogenaamde “individuele benadering” doorbroken. Met name wanneer in hoofde van een werknemer die bezoldigingen heeft die in aanmerking komen voor deze vrijstelling nog een overschot bestaat van bedrijfsvoorheffing (met betrekking tot die bezoldigingen), dan zal dit overschot- in tegenstelling tot voordien- worden overgeheveld naar één of meerdere werknemers die een tekort hebben. Omwille van die reden wordt het percentage van de vrijstelling (zie bovenstaand) berekend op “het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de betrokken werknemers samen.

 


[1] Artikel 275/5, § 1, 1ste lid van het WIB 1992. Dit (theoretisch) percentage is echter hoger dan het percentage van de vrijstelling dat voor heel wat werknemers effectief kan toegepast worden. Dit heeft te maken met het feit dat deze vrijstelling per individu wordt toegepast en niet op bedrijfsniveau. Veel werknemers hebben immers te weinig aan in te houden bedrijfsvoorheffing (bv. wegens laag loon, andere reeds toegepaste vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing), waaruit blijkt dat het systeem van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing haar grenzen bereikt heeft. Diverse bedrijven missen dan ook een deel van de beoogde taxshift- lasteverlaging.

[2] Artikel 275, §1, 2de lid van het WIB 1992.

[3] Wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie, Belgisch Staatsblad van 30 maart 2018 (“beperkte” relancewet).

Welke aangiften in de bedrijfsvoorheffing moet men indienen?

De betrokken werkgevers moeten twee aangiften 274 indienen voor de periode waarin zij gedeeltelijk of volledig kunnen worden vrijgesteld van storting van bedrijfsvoorheffing.

Rubrieken van de aangifte 274

De eerste slaat op alle inkomsten van alle werknemers

De tweede slaat op de inkomsten, ploegenpremies inbegrepen, van de werknemers die in ploegen, 's nachts of in een volcontinusysteem hebben gewerkt

"Aard van de inkomsten"

Code "10"

Code "06" of code “57” (voor werken in onroerende staat op werven)

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de betrokken periode

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de ploegen- of nachtarbeiders

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing

Het negatieve bedrag = 22,8% van de belastbare bezoldigingen van de voornoemde werknemers die in ploegen of 's nachts hebben gewerkt (of 25% in geval van volcontinuarbeid). In geval van ploegenarbeid op werven (werken in onroerende staat) is het negatieve bedrag = 3% van de belastbare bezoldigingen

Opmerkingen:

Indien de belastbare inkomsten of de verschuldigde bedrijfsvoorheffing worden gewijzigd, mogen er aanvullende aangiften 274 worden ingediend. Men moet dan enkel het verschil in meer of in min tussen de verschuldigde bedrijfsvoorheffing en de aangegeven belastbare inkomsten vermelden[1].

De bedragen die in de tweede aangifte worden vermeld, moeten niet worden overgenomen in de fiscale fiches 281.10.



[1] Circulaire nr. CI.RH.244/568.064 van 11 januari 2005, punt 21.

Welk bewijs moet men aan de belastingadministratie verstrekken?

De betrokken belastingplichtigen moeten bewijzen dat de werknemers gedurende de kalendermaand effectief in ploegen, ’s nachts of in een systeem van volcontinuarbeid hebben gewerkt[1], dan wel in ploegen werken in onroerende staat[2] verricht hebben op werven (bouw- en aanverwante sectoren).

Ze moeten daartoe een nominatieve lijst voor de Administratie opmaken die voor elke betrokken werknemer de volledige identiteit (naam, voornaam, adres, postcode, gemeente, nationaal nummer of geboortedatum) en de maand waarin hij in ploegen, ’s nachts, in een systeem van volcontinuarbeid heeft gewerkt dan wel in ploegen (volgens de specifieke definitie) werken in onroerende staat verricht hebben op werven vermeldt[3].  De uitzendbedrijven moeten de benaming, het volledige adres en het nationale nummer van de ondernemingen waar de arbeid werd verricht, erbij vermelden.

Deze lijst moet in geval van controle worden voorgelegd aan de Administratie. Ze mag op papier of op een andere drager worden overgemaakt.

 


[1] Circulaire nr. CI.RH.244/568.064 van 11 januari 2005, punt 23.1.

[2] Op basis van art; 20, §2 BTW-KB nr. 1.

[3] Koninklijk Besluit van 16 juni 2004 (artikel 2), Belgisch Staatsblad van 24 juni 2004.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke bepalingen?

  • Artikel 275/5 Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) 92
  • Artikels 301 en 302 Programmawet van 24 december 2003, Belgisch Staatsblad van 31 december 2003
  • Koninklijk Besluit van 16 juni 2004
  • Circulaire van 11 januari 2005 (Ci.RH.244/568.064)
  • Wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact
  • Koninklijk Besluit van 21 december 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
  • Economische Herstelwet van 27 maart 2009
  • Programmawet (I) van 26 december 2013
  • Wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake de versterking van jobcreatie en
  • koopkracht, B.S. 30 december 2015
  • Wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie,
  • B.S. 30 maart 2018
  • Wet van 28 april 2019 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van artikel 1, § 1 ter, van
  • de wet van 5 april 1955 (1), B.S. 6 mei 2019
  • Circulaire 2019/C/42 van 27 mei 2019 over de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing
  • voor ploegen- en nachtarbeid.
  • Circulaire 2020/C/38 van 2 maart 2020 over de steunmaatregel “vrijstelling van doorstorting van de
  • bedrijfsvoorheffing voor ondernemingen die werken in onroerende staat, in ploegenarbeid op locatie
  • verrichten.
  • 2 Arresten van het Hof van Beroep van Antwerpen van 19 januari 2021 (2018AR402 en 2018AR755)

 

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 3. Overuren

Lees eerst even dit…

Op een aantal overuren per jaar en per werknemer is een fiscaal gunstregime van toepassing voor zowel de werknemer als de werkgever.

Zo zijn bepaalde werkgevers op basis van artikel 275/1 WIB ’92 vrijgesteld om bedrijfsvoorheffing te storten op het loon dat aan bepaalde categorieën van werknemers wordt toegekend die overuren presteren.

Daartegenover genieten deze werknemers, krachtens artikel 154 bis WIB ’92, een vermindering van bedrijfsvoorheffing op dit loon ingevolge het presteren van overuren. Deze vermindering is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing van de maand waarin de overuren worden gepresteerd.

Deze fiscale maatregel werd verschillende keren versterkt en aangepast.

Een woordje geschiedenis

Zo maakte de wet van 17 mei 2007 houdende de uitvoering van het IPA-akkoord 2007-2008 het met name mogelijk om bestaand vrijstellingspercentage (toen 24,75%) bij koninklijk besluit te verhogen. Via het koninklijk besluit van 3 juni 2007[1] werd van deze mogelijkheid gebruik gemaakt (optrekking naar respectievelijk 32,19% en 41,25%).

Via het interprofessioneel akkoord 2009-2010 werd de maatregel opnieuw versterkt. Deze keer niet via een verhoging van het vrijstellingspercentage, maar wel door de begrenzing van het aantal overuren die recht geven op deze vrijstelling, op te trekken van 65 naar 130 uur.

Verder voorzag het KB van 21 februari 2014[2], in een bijkomende lastenverlaging voor overuren in de horeca en bouwsector (en aanverwante sectoren) door het optrekken van de uurgrens voor de belastingvermindering en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing van 130 tot 180 uren (mits gebruik van een geregistreerd kassasysteem in de horeca en een aanwezigheidsregistratiesysteem in de bouw).

Dit aantal overuren werd op 1 december 2015[3] verder opgetrokken voor de horecasector tot 360 overuren per jaar en per werknemer. Hiervoor is niet (meer) vereist dat de werkgever met een geregistreerd kassasysteem werkt.

De wet van 23 maart 2019 had het maximumquotum van 130 overuren (algemeen contingent) vanaf 1 januari 2019 opgetrokken van 130 naar 180 overuren en dit voor een bepaalde duur van 2 jaar (dus voor 2019 en 2020)[4].

Omdat hierover geen nieuwe wetgeving werd aangenomen, werd het maximumaantal overuren (algemeen contingent) sinds 2021 teruggeschroefd naar 130 uren

 


[1] Koninklijk Besluit van 3 juni 2007 houdende uitvoering van de artikels 154 bis, lid 3, 275/1 van het WIB ’92, B.S. 19 juni 2007.

[2] Koninklijk besluit van 21 februari 2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, Belgisch Staatsblad van 26 februari 2014.

[3] Wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, B.S. 26 november 2015

[4] Wet van 23 maart 2019, Belgisch Staatsblad van 5 april 2019.

 

Welke werkgevers komen in aanmerking?

Principe

Deze vrijstelling is van toepassing op:

  • werkgevers die onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Het gaat dus hoofdzakelijk over de werkgevers uit de privésector, inclusief de vzw’s.;
  • erkende uitzendkantoren;
  • een aantal specifieke autonome overheidsbedrijven, met name Proximus, Bpost, NMBS en Infrabel , en de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail.

Uitzonderingen

Zijn daarentegen uitgesloten van het toepassingsgebied:

  • de werkgevers van de openbare sector (bv. plaatselijke besturen);
  • ambassades;
  • kerkfabrieken;
  • internationale organisaties.

Welke werknemers komen in aanmerking?

Principe

Bedoelde vrijstelling is van toepassing op de werknemers die:

    • onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971.

EN

    • die vallen onder categorie 1 van de structurele vermindering van de sociale lasten[1]. Het betreft de werknemers uit de profitsector die aan het geheel van de socialezekerheidsstelsels onderworpen zijn[2]. Behoren echter niet tot deze categorie 1:
      • de werknemers die in aanmerking komen voor de Sociale Maribel;
      • de werknemers die tewerkgesteld worden bij een werkgever die behoort tot het paritair comité voor de beschutte- en sociale werkplaatsen.

Uitzonderingen

Vallen buiten het toepassingsgebied van deze vrijstelling:

    • personen met een leidinggevende functie of vertrouwenspost (bv. managers);
    • handelsvertegenwoordigers;
    • huisarbeiders;
    • dienstboden;
    • personen tewerkgesteld in een familieonderneming waar gewoonlijk alleen bloedverwanten, aanverwanten of pleegkinderen onder het uitsluitende gezag van de vader, moeder of de voogd tewerkgesteld zijn.

[1] Artikel 330 van de Programmawet van 24 december 2002.

[2] Artikel 21, §1 van de Wet van 29 juni 1981.

Welke voorwaarden moet men vervullen om een vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing te bekomen?

De vrijstelling geldt enkel ten aanzien van werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen met betrekking tot overwerk.

Er gelden wel een aantal beperkingen:

Minimum wettelijk overloon

In eerste instantie kan de werkgever de vrijstelling slechts genieten voor overuren waarvoor het (minimum) wettelijk overloon, zijnde 20%, 50% of 100%[1], verschuldigd is. De overwerktoeslag moet dus met andere woorden verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of krachtens KB nr. 213 van 26 september 1986 (bouwsector).

Betaalt de werkgever meer dan wettelijk verplicht is (bv. 80% in plaats van 50%), dan komen deze overuren ook in aanmerking voor de vrijstelling.

De werkgever die daarentegen een overwerktoeslag betaalt (bv. van 15%), daar waar deze helemaal niet (wettelijk) verschuldigd is, komt niet in aanmerking.

Beperkt aantal overuren per jaar

Daarenboven is de vrijstelling beperkt tot 130 overuren (algemeen contingent) per jaar en per werknemer.

Bouwsector en aanverwante sectoren

In de bouwsector (en aanverwante sectoren) werd de (algemene) grens van 130 overuren reeds op 1 januari 2014 opgetrokken naar 180 uur op voorwaarde dat het gaat om werven waar effectief gebruik wordt gemaakt van een aanwezigheidsregistratiesysteem[2].

Horecasector

In de horecasector[3] werd bovenvermelde grens van 130 overuren dan weer opgetrokken tot 360 overuren op 1 december 2015. De toepassing van deze verhoogde grens is, in tegenstelling tot de bouwsector, niet aan voorwaarden onderworpen[4].

 


[1] Art. 275/1 lid, 3 en 4 van het WIB 1992.

[2] De toepassing van het aanwezigheidsregistratiesysteem betreft niet enkel de bouwsector, maar daarentegen alle sectoren die op een werf werken verrichten in onroerende staat vanaf 500.000 euro exclusief btw (bv. schoonmaaksector, elektriciens,…)

[3] Hieronder valt ook het paritair comité voor uitzendarbeid indien de gebruiker onder het paritair comité van de horeca ressorteert.

[4] De grens van 130 overuren werd in de horeca eerst, net zoals in de bouwsector, opgetrokken tot 180 overuren op 1 januari 2014. Voorwaarde voor de horeca was toen dat er gebruik werd gemaakt van een geregistreerd kassasysteem. Bij het optrekken van deze grens naar 360 overuren werd deze voorwaarde geschrapt.

 

Met welke overuren dient rekening gehouden te worden voor de vaststelling van de grens van 130 uur?

Het moet gaan om overuren die recht geven op het (minimum) wettelijk verschuldigde overloon, met name 20%, 50% of 100%[1].

Wat met overuren die worden omgezet in inhaalrust?

Voor zover ze recht geven op de overwerktoeslag, moeten zowel de betaalde overuren als de overuren die worden omgezet in verlof, worden meegenomen voor de vaststelling van de 130 overuren[2].

Ieder uur moet met andere woorden meetellen. “Wanneer men bijvoorbeeld zegt het eerste uur overuren te hebben gedaan maar dit via verlof te hebben gecompenseerd, waardoor het volgende overuur weer het eerste wordt, betekent dit dat zowel het eerste als het tweede fiscaal vrijgesteld wordt, enzovoort" (antwoord van Dhr. Minister van Begroting Vande Lanotte in de Kamercommissie voor de Financiën en begroting dd. 25.5.2005, CRIV 51 COM 612, blz. 1 en 2).

Geldt het fiscaal voordeel ook als de overwerktoeslag wordt omgezet in bijkomende inhaalrust?

Volgens de wettelijke en reglementaire bepalingen is het vereist dat er overwerk wordt gepresteerd dat recht geeft op een overwerktoeslag. Het feit dat deze overwerktoeslag, eens het recht erop verworven is, onder bepaalde voorwaarden wordt omgezet in bijkomende inhaalrust, doet hieraan geen afbreuk.

Zelfs wanneer zowel de gepresteerde overuren als de hierop verschuldigde overwerktoeslag volledig in inhaalrust worden omgezet (en er bijgevolg geen sprake is van betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd waarop bedrijfsvoorheffing moet worden ingehouden), kan de werkgever toch genieten van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Voor de toepassing van voormelde maatregelen is het van belang dat de bijkomende uren recht geven op een wettelijke overwerktoeslag. Daarbij is het dan zonder belang of daarvoor inhaalrust wordt toegestaan of een effectieve overwerktoeslag wordt betaald. Indien de "bijkomende uren" geen recht geven op een wettelijke overwerktoeslag is het evident dat die uren niet beoogd zijn voor de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing en de belastingvermindering voor overwerk.

Wat met bijkomende uren?

Wanneer deeltijdse werknemers meer prestaties/ uren verrichten dan vastgesteld in hun werkrooster, dan spreekt men van “bijkomende uren”. Deze bijkomende uren kunnen meer specifiek omschreven worden als de uren die de overeengekomen arbeidsduur overschrijden, zonder echter de normale arbeidsduur te overschrijden die door de wet of de collectieve arbeidsovereenkomst werd vastgelegd (voor een voltijdse werknemer)”.

De vraag rijst nu of de werkgever voor deze bijkomende uren aanspraak kan maken op de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overuren, rekening houdende met het feit dat deze maatregel in principe alleen van toepassing is op overuren die recht geven op het (minimum) wettelijk verschuldigde overloon, met name 20%, 50% of 100% (en dus echte overuren zijn)?

Een koninklijk besluit van 15 juni 1990[3] heeft bepaalde van deze bijkomende uren, verricht door deeltijders, gelijkgesteld met overuren.

Concreet dient een onderscheid te worden gemaakt tussen een deeltijdse arbeidsovereenkomst met een vaste arbeidsregeling en een vast of variabel werkrooster en een deeltijdse arbeidsovereenkomst met een variabele arbeidsregeling en een variabel werkrooster.

  • Vaste arbeidsregeling en een vast of variabel werkrooster: de bijkomende uren die recht geven op een wettelijke overurentoeslag (en bijgevolg ook op de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, zijn diegene die bovenop het (bekendgemaakt) werkrooster gepresteerd werden, verminderd met een krediet van 12 uur per maand.

    Voorbeeld:
    X werkt deeltijds met een vaste arbeidsregeling van 20 uur per week. In maart heeft hij in totaal 32 uur bovenop zijn normaal uurrooster gepresteerd (bijkomende uren). Van deze 32 bijkomende uren dient een krediet van 12 uur te worden afgetrokken. Voor de resterende 20 bijkomende uren zal een overwerktoeslag betaald worden en is de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing van toepassing.
  • Variabele arbeidsregeling en een variabel werkrooster: de bijkomende uren die recht geven op een wettelijke overurentoeslag (en bijgevolg ook op de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing), zijn diegene die bovenop het geldend werkrooster of de na te leven gemiddelde arbeidsduur gepresteerd werden, verminderd met een krediet dat gelijk is aan het aantal weken dat de referentieperiode telt, x 3 uur en 14 minuten (met een maximum van 168 uren per jaar).

    Voorbeeld:
    X werkt deeltijds met een variabele arbeidsregeling  (gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 20 uur per week, na te leven over een periode van een kwartaal, m.n. 13 weken). In maart heeft hij in totaal 65 uur bovenop zijn normaal uurrooster gepresteerd (bijkomende uren). Van deze 65 bijkomende uren dient een krediet van 42 uur te worden afgetrokken (ofwel 3 uur en 14 minuten X de referentieperiode van 13 uur). Voor de resterende 23 bijkomende uren zal en overwerktoeslag betaald worden en is de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing van toepassing.

 


[1] Artikel 275/1 lid  3 en 4 van het WIB 1992.

[2] Antwoord van Dhr. Staatssecretaris in de Kamercommissie voor de Financiën en begroting dd. 12.7.2005, CRIV 51 COM 680, blz. 6 – 8.

[3] Koninklijk besluit van 15 juni 1990 tot gelijkstelling van sommige prestaties van deeltijds tewerkgestelde werknemers met overwerk, B.S. 30 juni 1990.

 

Hoeveel bedraagt het voordeel?

Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing in hoofde van de werkgever

Voor de werkgever bestaat het fiscaal gunstregime voor overuren uit een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Het voordeel bedraagt sinds 1 april 2007[1]:

  • 32,19% van het brutoloon dat als grondslag dient voor de berekening van het overloon, voor wat overuren betreft waarop een wettelijke overurentoeslag van 20% verschuldigd is;
  • 41,25% van het brutoloon dat als grondslag dient voor de berekening van het overloon, voor wat overuren betreft waarop een wettelijke overurentoeslag van 50% of 100% verschuldigd is[2].

Vermindering van bedrijfsvoorheffing voor de werknemer

Voor de werknemer bestaat het fiscaal gunstregime voor overuren uit een vermindering van bedrijfsvoorheffing ten belope van:

  • 66,81% op de bedrijfsvoorheffing op het brutoloon aan 100% dat als grondslag dient voor de berekening van het overloon, voor wat overuren betreft waarop een wettelijke overurentoeslag van 20% verschuldigd is;
  • 57,75% op de bedrijfsvoorheffing op het brutoloon aan 100% dat als grondslag dient voor de berekening van het overloon, voor wat overuren betreft waarop een wettelijke overurentoeslag van 50% of 100% verschuldigd is[3]

De berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag omvat alle overuren, d.w.z. ook de uren die niet uitbetaald worden, maar worden omgezet in inhaalrust[4].

Schematisch

Wettelijk overloon van toepassing op de gepresteerde overuren

% vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing - werkgever

% vermindering bedrijfsvoorheffing - werknemer

20%

32,19%

66,81%

50% of 100%

41,25%

57,75%

Voorbeeld:

Werknemer A heeft een bruto bezoldiging van 3.200,00 euro zonder overuren (zie linker kolom). Werknemer B daarentegen verdient ook 3.200 euro bruto (zie rechter kolom), met dat verschil dat in deze 3.200 euro reeds 10 overuren à 150% vervat zijn (+/- bruto uurloon van 18,825 euro). Beiden zijn gehuwd, hun vrouw heeft inkomsten en zij hebben geen kinderen ten laste.

 

WN A zonder vermindering

WN B met vermindering

Bruto

3.200

3.200

RSZ-bijdragen

-418,24

-418,24

Belastbaar

2.781,76

2.781,76

Bedrijfsvoorheffing (BV)

- 711,55

-711,55

Vermindering overuren

((57,75% x (10u x 18,825 €))

/

108,71

Bijz.soc.zek. bijdrage

-29,71

-29,71

Netto

2.040,35

2.149,21

 

Zonder vrijstelling

Met vrijstelling

Ingehouden BV

711,55

602,84

Vrijstelling doorstorting BV

((41,25% x (10 u x 18,825 €))

/

-77,65

BV door te storten

711,55

525,19

 


[1] Oorspronkelijk bedroeg de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing 24,75% van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsbasis gediend heeft voor de overwerktoeslag.

[2] Art . 95/1 KB tot uitvoering van het WIB 1992.

[3] Art. 63/19 KB tot uitvoering van het WIB 1992.

[4] Circulaire nr. Ci.RH.244/603.128 dd 15 juni 2010.

 

Welke aangiften in de bedrijfsvoorheffing moet men indienen?

De betrokken werkgevers moeten twee aangiften 274 indienen voor de periode waarin zij gedeeltelijk of volledig kunnen worden vrijgesteld van storting van bedrijfsvoorheffing.

Rubrieken van de aangifte 274

De eerste slaat op alle inkomsten van alle werknemers

De tweede slaat op de inkomsten van de werknemers waarvoor een vrijstelling van doorstorting geldt.

"Aard van de inkomsten"

Code "10"

Code "44" (voor de overuren die aan 50% of 100% uitbetaald zijn of “45” (voor de overuren die aan 20% uitbetaald zijn).

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de betrokken periode

De berekeningsbasis voor de berekening van het overloon op de werkelijk gepresteerde overuren gedurende deze periode.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing

Een negatief bedrag gelijk aan:

  • 32,19% van het bruto bedrag dat als berekeningsbasis heeft gediend voor de berekening van het overloon wanneer het wettelijke overloon van 20% werd toegepast;
  • 41,25% van het bruto bedrag dat als berekeningsbasis heeft gediend voor de berekening van het overloon, wanneer het wettelijke overloon van 50% of 100% wordt toegepast.

Welk bewijs moet men aan de belastingadministratie verstrekken?

De werkgever dient een lijst met volgende gegevens ter beschikking te houden van de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën:

    • identiteit van de werknemers waarop de vrijstelling betrekking heeft;
    • aantal gepresteerde overuren per werknemer;
    • berekeningsbasis van het overloon per werknemer;
    • periode van het jaar waarin de overuren gepresteerd werden voor elk van deze werknemers.
Bovendien moet de werkgever het bewijs dat betrokken werknemers werkelijk overuren gepresteerd hebben tijdens betreffende periode, ter beschikking houden van de FOD Financiën.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties ?

  • Artikel 275/1 Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) 92
  • Artikel 154 bis WIB ’92
  • Wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008
  • KB van 3 juni 2007 houdende uitvoering van de artikels 154bis, lid 3 en 275/1 van het WIB ’92
  • Economische Herstelwet van 27 maart 2009
  • Interprofessioneel akkoord 2009-2010
  • Programmawet (I) van 26 december 2013
  • KB van 21 februari 2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing
  • Wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken
  • Wet van 23 maart 2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal (1)

 

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 4. Betaalde sportbeoefenaars

Lees eerst even dit…

Sinds 1 januari 2008 wordt, mits naleving van bepaalde voorwaarden, aan de werkgevers een vrijstelling toegekend van doorstorting van 80% van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de bezoldigingen betaald en/of toegekend aan de sportbeoefenaars die zij tewerkstellen.

Op welke werknemers is deze vrijstelling van toepassing?

Sportbeoefenaars - Rijksinwoners

De vrijstelling is in de eerste plaats van toepassing op alle sportbeoefenaars die Rijksinwoner zijn.

Sportbeoefenaars - Niet-rijksinwoners

De vrijstelling is ook van toepassing op de sportbeoefenaars die geen Rijksinwoner zijn wanneer ze gedurende de belastbare periode persoonlijk beroepsbezoldigingen als sportbeoefenaar ontvangen in België en dit gedurende een periode van meer dan 30 dagen per periode van 12 maanden en per schuldenaar van de inkomsten.

Enkel sportbeoefenaars die geen Rijksinwoner zijn en die onderworpen zijn aan de bedrijfsvoorheffing van 18%[1], vallen dus buiten het toepassingsgebied van deze vrijstelling.

Gaat het om sportbeoefenaars van jonger dan 26 jaar op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd, dan is deze vrijstelling van doorstorting zonder meer mogelijk.

Gaat het om oudere sportbeoefenaars, d.w.z. van 26 jaar of ouder op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd, dan geldt er een bestedingsvoorwaarde met betrekking tot de vrijgemaakte fondsen (zie volgende vraag).


[1] Het betreft de niet-inwonende sportbeoefenaars die in die hoedanigheid persoonlijk beroepsinkomsten ontvangen in België tijdens de belastbare periode gedurende maximum 30 dagen per periode van 12 opeenvolgende maanden.

Welke voorwaarden moeten vervuld worden om het voordeel te bekomen?

Jongere sportbeoefenaars

Gaat het om sportbeoefenaars van jonger dan 26 jaar op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd, dan is deze vrijstelling van doorstorting zonder meer mogelijk.

Oudere sportbeoefenaars - De bestedingsvoorwaarde

Gaat het daarentegen om oudere sportbeoefenaars, d.w.z. 26 jaar of ouder op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd, dan geldt er een bestedingsvoorwaarde:

Het bedrag dat vrijkomt doordat de bedrijfsvoorheffing niet volledig moet doorgestort worden aan de schatkist, moet op zijn minst voor de helft (40%) besteed worden aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars. Hiermee viseert de overheid jongeren van minstens 12 jaar maar jonger dan 23 jaar op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.

Met "besteden aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars" bedoelt men: 

  • het betalen van bezoldigingen aan personen die instaan voor de opleiding, de begeleiding of ondersteuning van jonge sportbeoefenaars in hun sportbeoefening;
  • het betalen van bezoldigingen aan de jonge sportbeoefenaars zelf[1].  

Het bedrag moet besteed worden vóór het einde van het jaar dat volgt op het jaar waarin het fiscaal voordeel wordt toegepast.

Bijvoorbeeld: wanneer het fiscaal voordeel wordt toegepast in 2019 dan moet de besteding gebeuren uiterlijk op 31 december 2020.

Indien de voorwaarde inzake de besteding van de bedragen niet binnen de voornoemde termijn wordt nageleefd, dan heeft dat voor de werkgever een gedeeltelijk verlies van de vrijstelling tot gevolg. Hij dient dan immers het niet doorgestorte bedrag dat niet besteed werd aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars, alsnog door te storten aan de fiscus, verhoogd met nalatigheidsintresten.

Verstrenging bestedingsverplichting

Deze bestedingsverplichting bereikte niet altijd het beoogde resultaat, m.n. het aanmoedigen van een betere opleiding van alle jonge sportbeoefenaars. De bestedingsverplichting laat immers toe dat het vrijgekomen bedrag kan besteed worden aan het loon van één, misschien veelbelovende jongere, zonder dat zijn collega’s enig voordeel uit deze maatregel halen.

Om die reden heeft de overheid de bestedingsverplichting verstrengd. Niet alleen moet de helft van het vrijgekomen bedrag van het niet doorstorten van bedrijfsvoorheffing van de ‘oudere’ sportbeoefenaars geïnvesteerd worden aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars. Daarnaast mag slechts de helft van het aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars bestede bedrag maar bestaan uit de betaling van de lonen aan die jonge sportbeoefenaars.

Worden de vrijgekomen bedragen niet volgens deze criteria besteed, dan moeten de gelden die niet op deze manier werden besteed, teruggestort worden aan de schatkist, verhoogd met nalatigheidsinteresten.

 


[1] Het loon van een jonge sportbeoefenaar kan evenwel slechts als een geldige besteding gezien worden wanneer het niet meer bedraagt dan acht keer het minimumloon dat een sportbeoefenaar moet verdienen om onderworpen te worden aan de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars. Voor de periode van 1 juli 2016 tot 30 juni 2017 bedraagt dit minimummaandloon 9.800 euro (3de addendum dd.09.12.2016 aan de circulaire nr. CI.RH.244/613.502 van 12 november 2012).

Hoeveel bedraagt het voordeel?

Het percentage van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedraagt sinds 1 januari 2008 80% van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen betaald en/of toegekend aan de sportbeoefenaars die ze tewerkstellen. Tot dan bedroeg dit percentage 70%.

Sinds 1 juli 2010 kan een koninklijk besluit, genomen in de ministerraad, het percentage van de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing tot een minimum van 60% verlagen.

Welke aangiften in de bedrijfsvoorheffing moet men indienen?

De betrokken werkgevers moeten twee aangiften 274 indienen voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een vrijstelling inroepen.

Rubrieken van de aangifte 274

De eerste slaat op alle inkomsten van alle werknemers

De tweede slaat op de inkomsten van de werknemers waarvoor een vrijstelling van doorstorting geldt.

"Aard van de inkomsten"

Code "10"

Code "41" (voor de < 26-jarigen)

of “42” (voor de > 26-jarigen).

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de betrokken periode

De voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing

Een negatief bedrag gelijk aan 80% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare inkomsten.


Welk bewijs moet men aan de belastingadministratie verstrekken?

De werkgever dient een lijst met volgende gegevens ter beschikking te houden van de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën:

    • volledige identiteit van iedere sportbeoefenaar waarop de vrijstelling betrekking heeft;
    • (INSZ van deze sportbeoefenaar);
    • bedrag van de betaalde belastbare bruto bezoldigingen;
    • bedrag van de bedrijfsvoorheffing die ingehouden werd op de bezoldigingen.
Bovendien moet de werkgever het bewijs ter beschikking houden van de FOD Financiën dat de sportbeoefenaars, waarvoor hij de vrijstelling inroept, tijdens de volledige periode waarop deze vrijstelling betrekking heeft aan de voorwaarden voldoen en dat de fondsen werkelijk besteed werden overeenkomstig de wettelijke voorschriften.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke bepalingen?

  • Artikel 275/6 Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) 92
  • Art. 92/1 KB/WIB 92 zoals gewijzigd door het KB van 20 december 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92 in uitvoering van artikel 275/6, laatste lid van het WIB 92
  • Wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen
  • Wet van 28 april 2011 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de vrijstelling van doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen van sportbeoefenaars betreft

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 5. Structurele vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing

Lees eerst even dit…

Op 1 oktober 2007 werd de zgn. “IPA- korting” in het leven geroepen. Deze korting liet werkgevers uit de privésector (met inbegrip van vzw’s) toe om een deel van de door hen op de lonen ingehouden bedrijfsvoorheffing niet door te storten aan de fiscus. 

De doelstelling van deze maatregel bestond erin om de hoge loonlasten te verminderen in vergelijking met onze buurlanden.

Op 1 januari 2009 werd deze maatregel  doorgetrokken naar de non-profitsector. Bepaalde van deze werkgevers (waarop de Sociale Maribelregeling van toepassing is) mogen de IPA-korting echter niet vrij besteden, maar moeten daarentegen 75% ervan doorstorten ten behoeve van de sociale maribel.

Het vrijstellingspercentage van de IPA-korting bedroeg sinds 1 januari 2010, 1% van het bruto bedrag van de bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke socialezekerheidsbijdragen.

Op 1 januari 2014 werd dit percentage van 1% verhoogd voor werkgevers - natuurlijke personen en vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 1:24 van het Wetboek van de vennootschappen en de Verenigingen (WVV). Deze maatregel kaderde in het relanceplan van de regering om de concurrentiepositie van de ondernemingen te verbeteren.

De IPA-korting van 1% werd vervolgens op 1 april 2016 afgeschaft voor alle werkgevers uit de profitsector. Deze “ingreep” kadert in de zgn. tax shift, waarbij het vrijgekomen budget zal aangewend worden voor de geleidelijke vermindering van de patronale basisbijdragen. De bijkomende 0,12% kan desgevallend wel nog voor hen worden toegepast.

Voor het merendeel van de werkgevers uit de non-profitsector blijft de algemene IPA-korting van 1% echter wel behouden. Zij realiseren de “algemene tax shift oefening”, waarbij het de bedoeling is om een gefaseerde verlaging van de werkgeversbijdragen door te voeren, op een andere manier dan via een afschaffing van de algemene IPA-korting.

 


 

Toepassingsgebied - Profitsector

Voor het toepassingsgebied van deze maatregel vallen onder “profitsector”:

De werkgevers die behoren tot de profitsector, inclusief:

  •  de erkende uitzendbureaus;
  • volgende non-profitsectoren die voor deze maatregel de regels van de profitsector volgen:
    • Paritair comité 327.110 voor de sociale werkplaatsen;
    • Paritair comité 337 (aanvullend paritair comité voor de non-profit);
    • Paritair comité 152 en 225 voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs;

IPA-korting van 1%

De algemene IPA-korting van 1% werd op 1 april 2016 afgeschaft voor de werkgevers van de profitsector.

Één en ander kadert in de tax shiftregeling, waarbij de patronale basisbijdragen sinds 1 april 2016 gefaseerd verlaagd werden. De IPA-korting van 1% die destijds juist in het leven werd geroepen om een tegengewicht te vormen voor de hoge patronale basisbijdragen, zal nu onder meer worden aangewend om deze algemene lastenverlagingverlaging te financieren.

Verhoogde IPA-korting 0,12%

De verhoogde IPA-korting van 0,12% wordt echter wel behouden voor de werkgevers uit de profitsector (zowel ondernemingen als natuurlijke personen) die beschouwd worden als een KMO op basis van de criteria van artikel 1:24,§1-6[1] van het WVV.

 Artikel 1:24, §1-6 van het WVV[2]

Om in aanmerking te komen voor deze 0,12%, mag de onderneming of natuurlijke persoon op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één volgende criteria overschrijden[3]:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: maximum 50;
  • jaaromzet (exclusief BTW): maximum 9.000.000 euro;
  • balanstotaal: maximum 4.500.000 euro. 

In geval van onderling verbonden vennootschappen in de zin van artikel 1:20[4] WVV. moeten bovenvermelde criteria op geconsolideerde basis berekend worden (artikel 1:24 § 5 van het Wetboek van Vennootschappen)[5].

Elk boekjaar opnieuw zal bovendien gecheckt moeten worden of de onderneming nog als KMO beschouwd kan worden.

 


[1] Vervangen door artikel 1:24 §1-6 van WVV.

[2] Dit artikel werd recent gewijzigd in het kader van de omzetting van de boekhoudrichtlijn (Wet van 18 december 2015 tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013). Deze wijzigingen zijn van toepassing op de boekjaren die een aanvang nemen na 31 december 2015.

[3] Voor de beoordeling van deze criteria kan u best contact opnemen met uw boekhouder.

[4] Artikel 1:20 van WVV.

[5] Voor de beoordeling van deze consolidatie kan u eveneens best contact opnemen met uw boekhouder.

Toepassingsgebied - Non-profitsector

Voor het toepassingsgebied van deze maatregel vallen onder “non-profitsector”:

de werkgevers van de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1,1°, a) tot en met s), van het Koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector. Concreet gaar het over volgende paritaire comité’s:

  • de paritaire comité’s en subcomité’s van de sociale Maribel:
    • PC 319, 319.01 en 319.02;
    • PC 327, 329, 329.01, 329.02 en 329.03
    • PC 330
    • PC 331
    • PPC 332
  • paritair comités 318, 318.01 en 318.02.

IPA-korting van 1%

De IPA-korting van 1% blijft behouden voor de werkgevers van de non-profitsector[1].

De algemene verlaging van de patronale lasten in het kader van de tax shift, kan voor de non-profitsector immers niet op dezelfde wijze gebeuren zoals voor de profitsector via (onder meer) een afschaffing van de algemene IPA-korting van 1%[2].

De meeste werkgevers van de non-profitsector vallen immers onder de zgn “sociale maribelregeling”. Dit is een bijzonder systeem van werkgeversbijdrageverminderingen, waarbij de sociale maribelfondsen juist een belangrijk deel van hun inkomsten uit de IPA-korting van 1% halen (voor meer informatie hierover zie de vraag “Sociale maribel – Besteding IPA-korting)[3].

Verhoogde IPA-korting 0,12%

Werkgevers van de non-profitsector kunnen genieten van de verhoogde 0,12% op voorwaarde dat zij, net zoals de werkgevers uit de profitsector,  voldoen aan de voorwaarden van artikel 15 §1-6[4]. W.Venn. (zie voor de voorwaarden in dit verband het onderdeel “Toepassingsgebied – profitsector” – Verhoogde IPA-korting 0,12%).

Desgevallend kan de totale IPA-korting voor bepaalde werkgevers uit de non-profitsector dan ook 1,12% bedragen[5]

 


[1] Ze blijft eveneens behouden voor de volgende autonome overheidsbedrijven: Proximus, Bpost, HR Rail, NMBS en Infrabel. Hier gaan we in deze fiche echter niet dieper op in.

[2] In de non-profitsector gebeurt de algemene verlaging van de patronale basisbijdragen via een versterking van de structurele bijdragevermindering.

[3] De sociale maribelfondsen spelen een belangrijke rol in de financiering van de tewerkstelling in de non-profitsector. Een afschaffing van de IPA-korting is hier dan ook geen optie. De tax shiftoefening zal voor de werkgevers die onder de sociale maribel ressorteren dan ook gebeuren via een versterking van de structurele vermindering van sociale bijdragen. Voor de werkgevers die voor deze regeling onder non-profit vallen, maar niet ressorteren onder de sociale maribel (PC 318, 318.01, 318.02) wordt nog bekeken hoe de tax shift zal worden doorgevoerd. 

[4] Artikel 1:24 van §1-6 WVV.

[5] In de praktijk zal het echter niet vaak voorkomen dat werkgevers uit de non-profitsector voldoen aan de voorwaarden van artikel 15 W.Venn.(1:24 WVV ).

Hoe wordt de IPA-korting berekend?

De IPA-korting (zowel de 1%, als de 0,12% of nog 1,12%) wordt berekend op de totale som van de aangegeven bruto bezoldigingen voor alle werknemers samen vóór inhouding van de persoonlijke sociale bijdragen.

Het aldus bekomen bedrag wordt in mindering gebracht van de totaliteit van de bedrijfsvoorheffing die de werkgever voor al zijn werknemers samen voor de betrokken maand moet doorstorten. Er is dus geen berekening noch aftopping van het voordeel op het niveau van de individuele werknemer, doch wel globaal over alle werknemers heen. 

Wat is de berekeningsgrondslag[1]?

In de berekeningsgrondslag mogen enkel de loonelementen worden opgenomen:

  • die aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;
  • of die in aan merking worden genomen voor de berekening van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing (met inbegrip van de loonelementen waarop volgends de regels van bijlage III KB/WIB 92 geen werkelijke bedrijfsvoorheffing verschuldigd is- wegens hun te gering bruto belastbaar bedrag of wegens bijzondere afwijkingen)

Zo zullen bijvoorbeeld de bezoldigingen die worden toegekend in het kader van flexi-jobs deel uitmaken van de berekeningsgrondslag. Hoewel deze fiscaal zijn vrijgesteld, zijn zij immers onderworpen aan een bijzondere sociale zekerheidsbijdrage. Hetzelfde geldt voor de bijpassing economische werkloosheid. Hoewel deze niet aan de sociale zekerheid is onderworpen, is hier in beginsel bedrijfsvoorheffing op verschuldigd.

Maaltijdcheques bijvoorbeeld maken dan weer geen deel uit van de berekeningsgrondslag aangezien zij zowel sociaal als fiscaal zijn vrijgesteld (op voorwaarde dat aan alle voorwaarden ter zake voldaan wordt).

 


[1] Circulaire AAFisc. Nr. 42/2016 (nr.Ci.705.550) dd 9 december 2016.

Sociale maribel - Besteding IPA-korting

Vanaf 1 juni 2009 werd een specifieke maatregel voorzien voor de werkgevers die de Sociale Maribel-tewerkstellingsmaatregel genieten (zie vraag “Toepassingsgebied – non-profit).

Deze werkgevers moeten 3/4 van bovenvermelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing onmiddellijk doorstorten aan de fiscus.

Dit bedrag wordt besteed aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen en kadert in de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector[1].

Schematisch:

 

Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing

Deel van de vrijstelling voor sociale maribel

Bedrag door te storten aan schatkist

Indien geen KMO art. 1:24 WVV.

1%

3/4 van 1%

0,75% van bruto bedrag bezoldigingen

Indien KMO art. 1:24 WVV.

1,12%

3/4 van 1,12%

0,84% van bruto bedrag bezoldigingen

Ten gevolge van deze Sociale Maribel-regeling moeten sinds 1 juni 2009 drie afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overgemaakt worden (Zie “Welke formaliteiten dienen te worden nageleefd”?).

 


[1] Omwille van die reden werd de 1% IPA-korting in de non-profitsector behouden en wordt de verlaging van de patronale bijdragen in het kader van de tax shift hier op een andere wijze gerealiseerd (via een versterking van de structurele vermindering van de bijdragen).

 

Welke formaliteiten dienen te worden nageleefd?

Profitsector

De IPA-korting bedraagt 0,12% op voorwaarde dat de werkgever een KMO-is in de zin van artikel1;24 WVV (zo niet, dan zal geen IPA-korting worden toegekend).

Desgevallend moeten betrokken werkgevers twee aangiften 274 indienen voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een vrijstelling inroepen.

Rubrieken van de aangifte 274

De eerste slaat op alle inkomsten van alle werknemers

De tweede slaat op de inkomsten van de werknemers waarvoor een vrijstelling van doorstorting geldt.

"Aard van de inkomsten"

Code "10"

Code "56"

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de betrokken periode

- Het totale bedrag van de bruto bezoldigingen voor de inhouding van persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen wanneer er voor deze bezoldigingen of een deel ervan sociale zekerheidsbijdragen betaald moeten worden.

- Het totale bedrag van de belastbare bezoldigingen zoals ze in aanmerking worden genomen om de bedrijfsvoorheffing te berekenen wanneer er voor deze bezoldigingen geen sociale zekerheidsbijdragen moeten betaald worden.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing

Een negatief bedrag gelijk aan 0,12%:

- Het totale bedrag van de bruto bezoldigingen voor de inhouding van persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen wanneer er voor deze bezoldigingen of een deel ervan sociale zekerheidsbijdragen betaald moeten worden.

- Het totale bedrag van de belastbare bezoldigingen zoals ze in aanmerking worden genomen om de bedrijfsvoorheffing te berekenen wanneer er voor deze bezoldigingen geen sociale zekerheidsbijdragen moeten betaald worden.

Non-profitsector

Algemeen

De IPA-korting van 1% blijft behouden voor de werkgevers van de non-profitsector.

Indien zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 1:24 WVV, dan hebben zij recht op de bijkomende 0,12% (totale IPA-korting van 1,12%).

Betrokken werkgevers moeten twee aangiften 274 indienen voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een vrijstelling inroepen.

Rubrieken van de aangifte 274

De eerste slaat op alle inkomsten van alle werknemers

De tweede slaat op de inkomsten van de werknemers waarvoor een vrijstelling van doorstorting geldt.

"Aard van de inkomsten"

Code "10"

Code "46" in geval van 1% OF

Code “54” in geval van 1,12%

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de betrokken periode

- Het totale bedrag van de bruto bezoldigingen voor de inhouding van persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen wanneer er voor deze bezoldigingen of een deel ervan sociale zekerheidsbijdragen betaald moeten worden.

- Het totale bedrag van de belastbare bezoldigingen zoals ze in aanmerking worden genomen om de bedrijfsvoorheffing te berekenen wanneer er voor deze bezoldigingen geen sociale zekerheidsbijdragen moeten betaald worden.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing

Een negatief bedrag gelijk aan 1% of 1,12%:

- Het totale bedrag van de bruto bezoldigingen voor de inhouding van persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen wanneer er voor deze bezoldigingen of een deel ervan sociale zekerheidsbijdragen betaald moeten worden.

- Het totale bedrag van de belastbare bezoldigingen zoals ze in aanmerking worden genomen om de bedrijfsvoorheffing te berekenen wanneer er voor deze bezoldigingen geen sociale zekerheidsbijdragen moeten betaald worden.

Sociale maribel

De derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing (uitsluitend voor werkgevers waarop de Sociale Maribelregeling van toepassing is), heeft uitsluitend betrekking op het bedrag van de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing dat besteed wordt aan de financiering van de sociale Maribelfondsen en moet volgende specifieke vermeldingen bevatten:

Rubrieken van de aangifte 274

Vermelding

"Aard van de inkomsten"

Code "47" Sociale Maribel

"Belastbare inkomsten"

Uitsluitend voor werknemers die ressorteren onder de paritaire comités (Sociale Maribel), een negatiefbedrag gelijk aan 1%:

- Van het totale bedrag van de bruto bezoldigingen voor de inhouding van persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen wanneer er voor deze bezoldigingen of een deel ervan sociale zekerheidsbijdragen betaald moeten worden.

- Van het totale bedrag van de belastbare bezoldigingen zoals ze in aanmerking worden genomen om de bedrijfsvoorheffing te berekenen wanneer er voor deze bezoldigingen geen sociale zekerheidsbijdragen moeten betaald worden.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Een positief bedrag gelijk aan ¾ van de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing vermeld in het kader belastbare inkomsten van hierboven.

 

 

Welk bewijs moet men aan de administratie verstrekken?

De werkgever dient een lijst met volgende gegevens ter beschikking te houden van de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën:

  • volledige identiteit van iedere werknemer waarop de vrijstelling betrekking heeft;
  • (INSZ van deze werknemers);
  • totale bedrag van de bruto bezoldigingen voor de inhouding van persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen wanneer er voor deze bezoldigingen of een deel ervan sociale zekerheidsbijdragen betaald moeten worden of het totale bedrag van de belastbare bezoldigingen zoals ze in aanmerking worden genomen om de bedrijfsvoorheffing te berekenen wanneer er voor deze bezoldigingen geen sociale zekerheidsbijdragen moeten betaald worden. 

Desgevallend moeten de schuldenaars de nominatieve lijst opsplitsen in een lijst met de werknemers die ressorteren onder paritaire comités die de Sociale Maribel kunnen genieten en een lijst met andere werknemers.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke bepalingen?

Artikel 275/7 Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) 92

Artikel Artikel 1:24 §1-6 van WVV

Economische herstelwet van 27 maart 2009

Wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen

Koninklijk besluit van 15 december 2013

Wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 6.1. Steunzones - Aanvraagformulier ingediend vóór 1 augustus 2018

Lees eerst even dit…

Omwille van het groot aantal sluitingen en collectieve ontslagen waarmee we de laatste tijd geconfronteerd werden, wil de overheid ondernemingen stimuleren om te investeren in zgn. “ontwrichte zones”.

Het competitiviteitspact[1] geeft in dit verband de mogelijkheid aan de gewesten om, in geval van grootschalige collectieve ontslagen, een steunzone af te bakenen[2].In dergelijke steunzone genieten de werkgevers, die door een investering nieuwe arbeidsplaatsen creëren, onder bepaalde voorwaarden van een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing van 25% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van de werknemers die verband houden met de nieuwe arbeidsplaatsen.

Momenteel zijn in Vlaanderen 2 steunzones[3] van kracht: één rond Ford Genken één rond de Philips- site in Turnhout[4] .

Oorspronkelijk kwamen enkel de bedrijventerreinen die zich in een straal van 40 km rond deze vestigingen bevinden in aanmerking. Op basis van een Koninklijk besluit van 9 april 2017 (B.S. van 18 april 2017) werd dit toepassingsgebied van de Vlaamse steunzones echter uitgebreid met incubatoren, bedrijvencentra en brownfieldprojecten die binnen dezelfde perimeter gelegen zijn[5].

Het Vlaams gewest integreert de afbakening van deze steunzones in de webapplicatie “geopunt[6] en voorziet in deze applicatie de mogelijkheid om op te zoeken of een bepaald adres of kadastraal perceelnummer zich al dan niet in de steunzone bevindt.

Hoewel deze maatregel officieel in werking trad op 1 mei 2015[7], vond  hij nog maar weinig ingang in de praktijk. Redenen waren onder meer een aantal beperkingen van de maatregel en de complexiteit met betrekking tot de toepassing ervan.

Hieraan kwam een einde door de wet van 18 december 2015[8] die de maatregel op een aantal punten bijstuurde. Deze wijzigingen traden retro- actief in werking op 1 mei 2015.

 


[1] Wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, Belgisch Staatsblad 22 mei 2014

[2] In geval van collectief ontslag stelt het gewest waarin (de) getroffen vestiging(en) gelegen is binnen de drie jaar na de kennisgeving van het collectief ontslag, een steunzone voor aan de minister van Financiën en dit  voor een toepassingsperiode van maximum zes jaar. Vervolgens is de goedkeuring van de federale overheid vereist, waarbij een samenwerkingsakkoord zal worden gesloten tussen het gewest en de federale regering omtrent de nadere modaliteiten van de maatregel.

[3] De Vlaamse Regering heeft bovendien op 21 april 2017 ingestemd met de afbakening van een bijkomende (en dus derde steunzone in Vlaanderen) rond Zaventem-Vilvoorde.

[4] In Wallonië en Brussel werden nog geen specifieke steunzones afgebakend. Er werd op 17 november 2015 wel reeds een samenwerkingsakkoord gesloten tussen het Waalse Gewest en de federale overheid.

[5] Deze incubatoren, bedrijvencentra en brownfieldprojecten zijn terug te vinden in bijlage van voormeld Koninklijk besluit. Door deze uitbreiding wil de overheid de loonlastenverlaging verder uitbreiden om nog meer bedrijven in ontwrichte zones extra groeikansen te geven.

[6] Voor het Waals gewest zal gebruik worden gemaakt van "WalOnMap".

[7] Door publicatie van het Koninklijk besluit van 28 april 2015 tot uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, wat het Vlaamse Gewest betreft, en tot vaststelling van het in artikel 2758, § 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde formulier, B.S. 30 april 2015.

[8] Wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen, B.S. van 28 december 2015.

Welke werkgevers komen in aanmerking voor deze maatregel?

In het algemeen komen alle werkgevers die onder de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ressorteren en die personen tewerkstellen krachtens een arbeidsovereenkomst (wet van 3 juli 1978) of een leerovereenkomst in aanmerking voor deze maatregel.

Verder dient een onderscheid te worden gemaakt tussen 2 groepen van werkgevers:

    • Groep 1: de kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s);

    • Groep 2: de ondernemingen die niet als KMO kunnen beschouwd worden in het licht van deze maatregel.

Groep 1: KMO’s

Dit zijn de werkgevers, natuurlijke personen en vennootschappen, die aan de voorwaarden voldoen van kleine en middelgrote ondernemingen in het licht van de Europese staatssteunregels[1].

Concreet betreft het werkgevers die in ten minste twee van de laatste drie afgesloten tijdperken, voorafgaand aan het belastbaar tijdperk waarin het formulier inzake de toepassing van deze steunmaatregel[2] geldig overlegd werd, aan volgende voorwaarden voldoen:

    • een jaargemiddelde van het personeelsbestand in dienst hebben van maximum 250 personen (voltijdse equivalenten);

    • een jaaromzet (exclusief BTW) van maximum 50 miljoen euro;

    • een balanstotaal van maximum 43 miljoen euro.

Indien de werkgever een vennootschap is, dan gelden voor de berekening van bovenstaande criteria

De bepalingen van artikel 15 §§2 tot 4 van het Wetboek van vennootschappen.

In geval van onderling verbonden vennootschappen (artikel 11 Wetboek vennootschappen) moeten bovenvermelde criteria op geconsolideerde basis berekend worden.

Groep 2: Ondernemingen die niet voldoen aan de criteria van groep 1 (grote ondernemingen)

Groep 2 betreffen de werkgevers, natuurlijke personen en rechtspersonen die niet voldoen aan de criteria zoals bovenstaand voor groep 1 bepaald.

Wanneer kan geen toepassing worden gemaakt van de maatregel?

Voor beide groepen van werkgevers geldt dat zij geen toepassing kunnen maken van de maatregel, indien zij zich in één van volgende situaties bevinden op het ogenblik van het overleggen van het formulier inzake de toepassing van deze steunmaatregel[3]:

    • er werd een aangifte of vordering tot faillietverklaring ingesteld of het beheer van hun actief werd geheel of ten dele ontnomen (art. 7 en 8 faillissementswet);

    • er werd een procedure van gerechtelijke reorganisatie geopend (art. 23 Wet van 31 januari 2009);

    • het betreft een ontbonden vennootschap die zich in staat van vereffening bevindt;

    • ten gevolge van geleden verlies is het netto actief gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal;

    • er werd steun ontvangen die door de Europese Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de communautaire richtsnoeren inzake redding- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden van 1 oktober 2004 (en zij hebben de lening nog niet hebben terugbetaald, de garantie nog niet beëindigd of zij bevinden zich nog steeds in de herstructureringsfase);

    • er bestaat een bevel tot terugvordering tegen de werkgever ingevolge een besluit van de Europese Commissie die een door de Lidstaat verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.

Werkgevers behorende tot groep 2 (grote ondernemingen), kunnen bovendien geen toepassing kunnen maken van de maatregel, indien zij zich in één van volgende situaties bevinden:

    • indien voor de laatste twee belastbare tijdperken die het overleggen van het formulier inzake de toepassing van deze steunmaatregel voorafgaan:

      • het totale bedrag van de schulden (art. 88 KB van 30 januari 2001) hoger is dan 7,5 keer het eigen vermogen zoals bedoeld in hetzelfde artikel;

      • het bedrag vermeld op de post “Kosten van schulden” (art. 89 zelfde KB) verminderd met het bedrag vermeld op de post “Opbrengsten van financiële activa” (zoals bedoeld in hetzelfde artikel groter is dan de EBITDA.

    • indien zij dezelfde of een vergelijkbare activiteit, in de Europese Economische Ruimte hebben stopgezet in een periode van twee jaar vóór het tijdstip waarop het formulier inzake de toepassing van deze steunmaatregel werd overlegd;

    • indien zij op het ogenblik van het overleggen van het formulier inzake de toepassing van de steunmaatregel, de in dit formulier opgenomen verklaring niet hebben onderschreven waarin het voornemen is opgenomen om geen dezelfde of een vergelijkbare activiteit in de EER stop te zetten in een periode van twee jaar volgend op de aanvang van de investering.

[1] Deze maatregel kadert in de EU staatssteun en is gebaseerd op de algemene Europese groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014). Op basis van deze verordening wordt vermeden dat voor elke afbakening van een steunzone de afzonderlijke en voorafgaande instemming van de Europese Commissie vereist is (wat de afbakening van steunzones alleen maar zou blokkeren en/of vertragen).

Komen erkende uitzendkantoren in aanmerking?

Ja.

Erkende uitzendkantoren die uitzendkrachten ter beschikking stellen van werkgevers die in aanmerking komen voor deze maatregel (zie vraag: “Welke werkgevers komen in aanmerking voor deze maatregel?”) en die voor deze uitzendkrachten bezoldigingen uitbetalen die voldoen aan de ter zake geldende voorwaarden (zie vraag: “Gelden er specifieke voorwaarden?”), kunnen van deze gunstmaatregel genieten in de plaats van de werkgever.

Dit werd bevestigd door de wet van 18 december 2015 en bovendien kregen uitzendkantoren op basis van diezelfde wetgeving bijkomend de mogelijkheid om via de bijlage in de aangifte van de inkomstenbelasting aan te geven dat de nieuwe arbeidsplaats gedurende 3 jaar (KMO’s) (resp. 5 jaar voor grote ondernemingen) behouden is gebleven (zie vraag “De nieuwe arbeidsplaatsen die gecreëerd worden door de investering”).

Door deze toevoeging kunnen uitzendkantoren nu ten volle hun verantwoordelijkheid opnemen en wordt vermeden dat zij afhankelijk zouden zijn van hun opdrachtgever voor het leveren van dit bewijs (in geval de vrijstelling volledig werd ingehouden door het uitzendkantoor en de opdrachtgever dus helemaal geen belang heeft bij het aantonen van het behoud van de arbeidsplaats).

Opgelet: op 1 augustus 2018 moeten uitzendkrantoren zich vooraf bij de administratie aanmelden volgens modaliteiten die bij koninklijk besluit moeten worden vastgesteld. Deze bepaling is enkel van toepassing op investeringen waarvoor vanaf 1 augustus 2018 een formulier wordt ingediend bij de administratie[1].

 


[1] Art. 275/8, § 1, 8e lid en Art. 275/9, § 1, 9e lid van het WIB 1992.

Wat is het verschil tussen dit formulier en de steunkaart?

Deze maatregel voor steunzones mag geenszins verward worden met een andere fiscale maatregel inzake regionale steunkaarten.

Een regionale steunkaart is een kaart met steungebieden die, op basis van de Europese richtlijnen inzake regionale steunmaatregelen[1], zijn achtergebleven op sociaal- economisch vlak. Deze steunkaart wordt samengesteld door de gewesten en heeft slechts uitwerking na publicatie in het Europees Publicatieblad.

Het doel van de regionale steunkaarten bestaat erin om de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid in bepaalde regio’s te bevorderen. Om deze doelstelling te bereiken, werd een fiscale maatregel verbonden aan de regionale steunkaarten.

Zo kunnen bedrijven die gevestigd zijn in een gebied behorende tot de steunkaarten subsidies verkrijgen voor regionale investeringsprojecten[2].

 


[1] Publicatieblad van 23 juli 2013, c 209/01.

[2] Grote bedrijven kunnen bovendien enkel binnen deze afbakening van de regionale steunkaarten- in het kader van de Europese staatssteunregels - investeringssteun onder voorwaarden genieten.

Gelden er specifieke voorwaarden?

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor steunzones is slechts van toepassing indien: 

  • een investering wordt gedaan in een steunzone;
  • ten gevolge van deze investering nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd worden.

Welke investeringen komen in aanmerking voor deze maatregel?

Met betrekking tot de investeringen die in aanmerking komen voor deze maatregel gelden 2 voorwaarden[1].

Materieel toepassingsgebied van de investering

Voor de werkgevers die behoren tot groep 1 (KMO’s), moet de investering:

  • een investering zijn in materiële of immateriële vaste activa die verband houdt met:
    • hetzij de oprichting van een nieuwe inrichting;
    • hetzij de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande inrichting;
    • hetzij de diversificatie van de productie van een inrichting naar producten die voordien niet in de inrichting vervaardigd werden;
    • hetzij een fundamentele verandering in het totale productieproces van een bestaande inrichting.
  • Betrekking hebben op een overname[2] van materiële of immateriële vaste activa van:
    • hetzij een inrichting waarvan de derde- werkgever de sluiting van de vestiging heeft aangekondigd (art. 66 wet van 13 februari 1998);
    • hetzij een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag is opgestart (art. 59 wet van 31 januari 2009);
    • hetzij een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvan de bevoegde rechtbank een vonnis van faillietverklaring heeft gewezen.

Voor de werkgevers die behoren tot groep 2 (grote ondernemingen), moet de investering:

  • een investering zijn in materiële of immateriële vaste activa die verband houdt met:
    • hetzij de oprichting van een nieuwe inrichting;
    • hetzij de diversificatie van de activiteit van een inrichting, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met[3] de activiteit die voordien in die inrichting werd uitgeoefend.
  • Betrekking hebben op een overname[4] van materiële of immateriële vaste activa van:
    • hetzij een inrichting waarvan de derde- werkgever de sluiting van de vestiging heeft aangekondigd (art. 66 wet van 13 februari 1998);
    • hetzij een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag is opgestart (art. 59 wet van 31 januari 2009);
    • hetzij een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvan de bevoegde rechtbank een vonnis van faillietverklaring heeft gewezen.

En op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die voordien in die inrichting werd uitgeoefend vóór de overname ervan.

Ligging van de inrichting waar de investering gebeurt

De steunzones worden opgedeeld in de groepen A en B.

Groep A bevat de steunzones of delen van steunzones die binnen de steungebieden vallen die zijn opgenomen in de regionale steunkaart.

Groep B daarentegen bevat de steunzones of delen van steunzones die niet binnen de steungebieden vallen die zijn opgenomen in de regionale steunkaart.

De werkgevers die behoren tot groep 2 dienen hun investering te verrichten in een inrichting die gelegen is in een steunzone die is opgenomen in groep A. Dit heeft te maken met het feit dat grote bedrijven enkel van Europese investeringssteun kunnen genieten binnen de afbakening van de regionale steunkaarten[5].

KMO’s (groep 1) daarentegen kunnen hun investering zowel verrichten in steunzones van groep A als van groep B.



[1] Oorspronkelijk golden er 3 voorwaarden. De eerste voorwaarde op basis waarvan slechts toepassing kon gemaakt worden van deze maatregel indien voor de beoogde investering gewestelijke steun werd verleend, werd afgeschaft. Voor werkgevers die tussen 1 mei 2015 en 1 januari 2016 geen aanvraag hadden ingediend omwille van deze voorwaarde, werd in een overgangsmaatregel voorzien. Zij kunnen hun aanvraag vooralsnog binnen de drie maanden indienen.

[2]De derde- werkgever en de onderneming waarvan sprake, mogen niet verbonden zijn (art.11 en 12 Wetboek van vennootschappen met de werkgever die de overname verricht).

[3]Een activiteit wordt geacht vergelijkbaar te zijn met een andere activiteit indien beide activiteiten behoren tot dezelfde klasse van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 (Verordening EG nr. 1893/2006).

[4]Zie voetnoot 9.

[5] Grote bedrijven kunnen bovendien enkel binnen deze afbakening van de regionale steunkaarten- in het kader van de Europese staatssteunregels - investeringssteun onder voorwaarden genieten.

Welke sectoren zijn uitgesloten?

Voor zowel de KMO’s als de grote ondernemingen (Groep 1 en 2), is de maatregel niet van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van volgende sectoren:

    • visserij en aquacultuur (in de mate dat de activiteit begrepen is in het toepassingsgebied van Verordening EU nr. 1379/2013);
    • de productie van landbouwproducten (die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt).

Bovendien is de maatregel voor grote ondernemingen (groep 2) evenmin van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van volgende sectoren:

    • ijzer- en staalindustrie (art. 2, lid 43 Verordening EU nr. 651/2014);
    • synthetische vezelindustrie (art. 2, lid 44 Verordening EU nr. 651/2014);
    • vervoersector (art. 2, lid 45 Verordening EU nr. 651/2014);
    • luchtvaartmaatschappijen en uitbating van luchthavens (cfr. richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen, PB C 99 van 4 juni 2014, pg.3);
    • energieproductie,-distributie en – infrastructuur;
    • scheepsbouwsector;
    • winning van steenkool of kolen (art. 2, lid 13 Verordening Nr. 651/2014).


De nieuwe arbeidsplaatsen die gecreëerd worden door de investering

Enkel bezoldigingen die betrekking hebben op een ten gevolge van de investering nieuw gecreëerde arbeidsplaats die ten laatste 36 maanden na voltooiing van deze investering wordt ingevuld, komen in aanmerking voor deze maatregel[1].

Een arbeidsplaats wordt als nieuw beschouwd indien de arbeidsplaats in de betrokken inrichting het totaal aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, doet verhogen ten opzichte van het gemiddelde aantal werknemers , uitgedrukt in voltijdse equivalenten over de twaalf maanden voorafgaand aan de voltooiing van de investering, vermeerderd met de andere door de investering reeds gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen uitgedrukt in voltijdse equivalenten.

Bij investeringen die de vorm aannemen van een overname, worden alle arbeidsplaatsen als nieuw aangemeld.

Deze maatregel is beperkt tot de bezoldigingen die, vanaf de invulling van de nieuwe arbeidsplaats, binnen de 2 jaar uitbetaald worden.

Bovendien moet deze nieuwe tewerkstelling gedurende minimum 3 jaar (voor KMO’s) en 5 jaar (grote ondernemingen) behouden blijven (zie eveneens de vraag: “Vanaf wanneer wordt deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing definitief?”).

 


[1] Initieel werd bepaald dat enkel arbeidsplaatsen in aanmerking komen voor de maatregel die binnen 3 jaar (KMO’s) na voltooiing van de werkzaamheden (resp. 5 jaar voor grote ondernemingen) worden ingevuld.

De wet van 18 december 2015 gaf een ruimere invulling aan deze vereiste door te bepalen dat deze termijn van 3 jaar (resp. 5 jaar) een maximumtermijn is waarbinnen de arbeidsplaats moet worden ingevuld. Op die manier komen ook arbeidsplaatsen in aanmerking voor deze maatregel die in de loop van de investeringsperiode en dus vóór de voltooiing van de werkzaamheden die betrekking heeft op deze investering worden ingevuld.

 

Vanaf wanneer wordt deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing definitief?

De nieuwe tewerkstelling die ingevolge de investering binnen de 36 maanden (na voltooiing van de investering) gecreëerd werd, moet gedurende minimum drie jaar (voor KMO’s) en 5 jaar (grote ondernemingen) behouden blijven.

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt immers maar definitief toegestaan nadat:

    • KMO’s (groep 1) in een bijlage aan de aangifte in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op het derde aanslagjaar (volgend op het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is ingevuld) aantoont dat deze nieuwe arbeidsplaats gedurende ten minste 3 jaar is behouden gebleven.
    • Grote ondernemingen (groep 2) in een bijlage aan de aangifte in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op het vijfde aanslagjaar (volgend op het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is ingevuld) aantoont dat deze nieuwe arbeidsplaats gedurende ten minste 5 jaar is behouden gebleven

Ten aanzien van de werkgevers die dit bewijs niet kunnen leveren, wordt de bedrijfsvoorheffing die werd vrijgesteld van doorstorting, aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de maand binnen dewelke de bovenvermelde minimale behoudstermijn (3 of 5 jaar) is verstreken[1].


[1] Werkgevers die dus tijdig vaststellen dat de nieuwe tewerkstelling niet behouden is gebleven gedurende de voorgeschreven behoudstermijn van resp. drie, dan wel vijf jaar, kunnen de betaling van nalatigheidsintresten vermijden door de situatie voordien (m.n. vóór het verstrijken van de maand binnen dewelke de behoudstermijn verstreken is) recht te zetten.

Hoeveel bedraagt deze vrijstelling?

Principe

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedraagt 25% van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in aanmerking komende bezoldigingen.

Wat zijn de beperkingen?

Deze maatregel is enerzijds beperkt tot een maximum van 7,5 miljoen euro per investering.

Voor grote ondernemingen (groep 2) wordt dit maximum verminderd met het geheel van bedrijfsvoorheffing waarvoor de werkgever op basis van deze maatregel werd vrijgesteld van doorstorting en van het geheel van de door een gewest aan de werkgever toegekende investeringssteun, in de mate dat:

  • de vrijstelling of de steun betrekking heeft op een investering die in hetzelfde bestuurlijk arrondissement werd verricht als een vroegere investering waarop ook deze vrijstelling voor steunzones werd toegepast, en;
  • deze vrijstelling of steun betrekking heeft op een investering waarvan de aanvang is gestart in de loop van drie jaar na de aanvang van de vroegere investering.

Verder is de vrijstelling beperkt tot de bezoldigingen die, vanaf de invulling van de nieuwe arbeidsplaats, binnen de 2 jaar uitbetaald worden. 

Mag deze maatregel gecumuleerd worden met de andere gedeeltelijke vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing?

De nieuwe vrijstellingsregeling kan enkel gecumuleerd worden met de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor[1]:

  • nacht- en ploegenarbeid (art. 275/5 WIB 92);
  • algemene structurele lastenvermindering[2] (art. 275/7 WIB 92)

De maatregel is dus niet cumuleerbaar met de gedeeltelijke vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk (art. 275/1 WIB 92), de maritieme sector (art. 275/2 en 4 WIB 92), wetenschappelijk onderzoek (art. 275/3 WIB 92) en betaalde sportbeoefenaars (art. 275/6 WIB 92).

 


[1] Op basis van het ontwerp van programmawet van 1 juni 2015 zou deze maatregel ook cumuleerbaar zijn met de nieuwe gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting bedrijfsvoorheffing die voorzien wordt voor startende ondernemingen.

[2] (Verhoogde) IPA- korting.

Welke formaliteiten dienen te worden nageleefd?

Vóór de aanvang van de investering moet de werkgever een formulier[1] inzake de toepassing van deze steunmaatregel op geldige wijze overleggen bij het bevoegde documentatiecentrum bedrijfsvoorheffing. Op dit formulier zal de werkgever de nodige gegevens moeten opgeven met betrekking tot de identiteit en activiteit van de werkgever, de opzet en uitvoering van de investering, de datum van aanvang en verwachte voltooiing van de investering en meer informatie aangaande de verwachte bijkomende arbeidsplaatsen.

De vrijstelling kan niet worden verleend indien de periode tussen de indiening van bovenvermeld formulier en de verwachte voltooiing van de investering met meer dan de helft overschreden wordt. Idem indien niet wordt aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen betrekking hebben op de investering.

 

 


[1] Het oorspronkelijke formulier werd vervangen door een nieuwe versie (Koninklijk besluit van 9 april 2017, B.S. van 18 april 2017). Deze nieuwe versie bevat geen inhoudelijke wijzigingen, maar een aanpassing ervan was noodzakelijk ingevolge een interne herstructurering van de belastingadministratie (zo zijn ten gevolge van deze herstructurering de fysieke adressen en emailadressen gewijzigd waarnaar de door de werkgevers ingevulde formulieren moeten worden verzonden).

 

Welke aangiften in de bedrijfsvoorheffing moet men indienen?

De betrokken werkgevers moeten twee aangiften 274 indienen voor de periode waarin zij gedeeltelijk of volledig kunnen worden vrijgesteld van storting van bedrijfsvoorheffing.

Rubrieken van de aangifte 274

De eerste slaat op alle inkomsten van alle werknemers

De tweede slaat op de inkomsten van de werknemers waarvoor een vrijstelling van doorstorting geldt.

"Aard van de inkomsten"

Code "10"

Code "81" (KMO’s – groep 1) of “91” (voor grote onderneming – groep 2).

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de betrokken periode

Bedrag van de belastbare bezoldigingen die werden uitbetaald ten gevolge van de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing (aanvankelijk verschuldigde bedrijfsvoorheffing).

Een negatief bedrag gelijk aan 25% van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in aanmerking komende bezoldigingen


Hoe moet een eventuele terugname van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing worden verwerkt in de aangifte bedrijfsvoorheffing?

In dat geval dient slechts één aangifte bedrijfsvoorheffing te worden opgesteld.

Rubrieken van de aangifte 274

"Aard van de inkomsten"

Code "81" (KMO’s – groep 1) of “91” (voor grote onderneming – groep 2).

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen die werden uitbetaald ten gevolge van de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen en die niet meer in aanmerking komen voor de steunmaatregel.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Een positief bedrag gelijk aan 25% van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de hierboven vermelde belastbare bezoldigingen


Wanneer trad deze maatregel in werking?

Deze maatregel is in werking getreden op 1 mei 2015.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke bepalingen?

    • Artikel 275/8 en 275/9 Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) 92;
    • Wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance
    • Wet van 24 maart 2015 tot aanpassing van de Belgische wetgeving aan de Europese regels
    • Koninklijk besluit van 28 april 2015 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in toepassing van de artikelen 275/1, 275/3, 275/7, 275/8 en 275/9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
    • Koninklijk besluit van 28 april 2015 tot uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, wat het Vlaamse Gewest betreft, en tot vaststelling van het in artikel 2758, § 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde formulier, B.S. 30 april 2015
    • Wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen, B.S. van 28 december 2015
    • Koninklijk besluit van 9 april 2017 (B.S. van 18 april 2017)


Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > 7. Startende ondernemingen

Lees eerst even dit…

Teneinde startende ondernemingen (zgn. “start-ups”) te ondersteunen, voorziet de programmawet van 10 augustus 2015[1] in 3 nieuwe maatregelen.

Één van deze maatregelen kadert specifiek in een verlaging van de loonkosten en betreft een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen (KMO’s en micro-ondernemingen) die maximum 48 maanden zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO).

De twee andere maatregelen werden in het leven geroepen om de financiering van jonge ondernemingen aantrekkelijk te maken en bestaan uit belastingvoordelen voor particulieren: zgn “tax shelter” met belastingvermindering en een vrijstelling van de interesten op leningen bij crowdfunding.

Op deze twee maatregelen wordt in deze fiche niet dieper ingegaan.

_________________________________________________

[1] Programmawet van 10 augustus 2015, Belgisch Staatsblad van 18 augustus 2015, 2de editie.

Welke werkgevers komen in aanmerking voor deze maatregel?

Om in aanmerking te komen voor deze maatregel dienen de werkgevers in eerste instantie te ressorteren onder de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. 

Verder dient de werkgever ofwel beschouwd te worden als een KMO in de zin van artikel 1:24§1, 1-6 W.Venn en de verenigingen. ofwel als een micro-onderneming op basis van artikel 1:25 W.Venn en verenigingen. 

Wat dient men te verstaan onder KMO[1]?

Een werkgever is een kleine onderneming indien hij als een kleine vennootschap op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6[2] van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt aangemerkt of een natuurlijke persoon is die op overeenkomstige wijze beantwoordt aan de criteria van het voormelde artikel 1:24, §§ 1 tot 6.

Een kleine vennootschap is een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één der volgende criteria overschrijdt:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: maximum 50;
  • jaaromzet (exclusief BTW): maximum 9.000.000 euro;
  • balanstotaal: maximum 4.500.000 euro 

In geval van onderling verbonden vennootschappen moeten bovenvermelde criteria op geconsolideerde basis berekend worden.

Wanneer meer dan één van de hierboven opgesomde criteria worden overschreden of niet meer worden overschreden, heeft dit slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk op balansdatum meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

Door een éénmalige overschrijding zal een vennootschap haar statuut van kleine vennootschap niet verliezen. Evenmin zal een vennootschap door het éénmalig niet overschrijden van meer dan één criterium, een kleine vennootschap worden.

Overgangsregeling voor het eerste boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015: Voor het eerste boekjaar dat een aanvang neemt na 31.12.2015 moet evenwel uitsluitend worden nagegaan of de vennootschap op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar meer dan één van de hierboven opgesomde criteria van het nieuwe artikel 1:24 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, overschrijdt.

Wat dient verstaan te worden onder micro-onderneming[3]?

Een werkgever wordt beschouwd als een micro-onderneming indien hij op het einde van het belastbaar tijdperk een microvennootschap is in de zin van artikel 1:25 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of een natuurlijk persoon is die op overeenkomstige wijze beantwoordt aan de criteria van het voormelde artikel 1:25.

Een microvennootschap is een kleine vennootschap met rechtspersoonlijkheid die op datum van de jaarafsluiting geen dochtervennootschap of moedervennootschap is en die niet meer dan één der volgende criteria overschrijdt:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: maximum 10;
  • jaaromzet (exclusief BTW): maximum 700.000 euro;
  • balanstotaal: maximum 350.000 euro

In geval van onderling verbonden vennootschappen worden deze criteria (in tegenstelling tot bij KMO’s) per vennootschap bekeken en niet op geconsolideerde basis.

Wanneer meer dan één van de hierboven opgesomde criteria worden overschreden of niet meer worden overschreden, heeft dit slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk op balansdatum meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

Door een éénmalige overschrijding zal een vennootschap haar statuut van microvennootschap niet verliezen. Evenmin zal een vennootschap door het éénmalig niet overschrijden van meer dan één criterium, een microvennootschap worden.

Overgangsregeling voor het eerste boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015: Voor het eerste boekjaar dat een aanvang neemt na 31.12.2015 moet evenwel uitsluitend worden nagegaan of de vennootschap op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar meer dan één van de hierboven opgesomde criteria van het nieuwe artikel 15[4] van het Wetboek van vennootschappen, overschrijdt.

 


[1] In dit verband dient een onderscheid gemaakt te worden tussen 2 periodes: Periode 1: Bezoldigingen betaald of toegekend in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt vanaf 1 januari 2016 en periode 2: Bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 augustus 2015, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt vóór 1 januari 2016. In deze fiche bespreken we enkel de voorwaarden die gelden voor periode 1 (bezoldigingen betaald of toegekend in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt vanaf 1 januari 2016).

[2] Oudere artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen.

[3] Idem voetnoot 2.

[4] Idem voetnoot 3

Hoe worden die criteria berekend voor werkgevers die met hun onderneming starten?

Voor werkgevers die met hun onderneming starten, worden de cijfers bij het begin van het boekjaar te goeder trouw geschat. Indien uit deze schatting blijkt dat meer dan één van de criteria zullen overschreden worden gedurende het eerste boekjaar, moet daar voor dat eerste boekjaar meteen rekening mee worden gehouden.

Welke werkgevers zijn uitgesloten van deze maatregel?

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen kan niet toegepast worden door een werkgever:

  • waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan het beheer van het actief geheel of gedeeltelijk ontnomen is (art. 7 en 8 faillissementswet van 8 augustus 1997);
  • waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen;
  • die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt.

Specifiek statuur: PAB’ers

De budgethouder, zijnde de persoon met een handicap of zijn wettelijke vertegenwoordiger die zelf een arbeidsovereenkomst afsluit met een persoonlijk assistent, waardoor er een relatie werkgever- werknemer ontstaat, kan geen aanspraak maken op deze steunmaatregel voor startende ondernemingen.

Welke werknemers vallen onder het toepassingsgebied van deze maatregel?

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen is van toepassing op de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van werknemers.

Bijgevolg is deze maatregel niet van toepassing op de bezoldigingen die betaald worden aan bedrijfsleiders.

Gelden er specifieke voorwaarden?

Deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan slechts worden toegekend vanaf de inschrijving van de onderneming in de KBO, maar ten vroegste vanaf de bezoldigingen uitbetaald na 1 augustus 2015, tot op het ogenblik dat de firma 48 maanden is ingeschreven in de KBO.

Let wel: Wanneer de werkgever een activiteit voortzet die voorheen werd uitgeoefend door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan vangt de termijn van 48 maanden reeds aan op het ogenblik van de eerste inschrijving van de onderneming in de KBO door die natuurlijke of rechtspersoon.

Bijvoorbeeld:

Onderneming X werd op 1 augustus 2014 opgericht als éénmanszaak en ook alsdusdanig ingeschreven in de KBO. Op 1 augustus 2015 werd onderneming X een BVBA (2de inschrijving van de onderneming in de KBO).

De gedeeltelijke vrijstelling zal aan onderneming X worden toegekend vanaf 1 augustus 2015 en dit gedurende een periode van maximum 36 maanden (m.n. tot en met 31 juli 2018). Hoewel onderneming X - “BVBA” slechts op 1 augustus 2015 werd ingeschreven in de KBO, gaat het hier om een verderzetting van een vroegere activiteit als éénmanszaak en kan de onderneming X - “BVBA” dus niet gedurende 48 maanden, maar wel slechts gedurende 36 maanden genieten van de gedeeltelijke vrijstelling (de periode van 12 maanden vanaf de eerste inschrijving in de KBO moet immers meegerekend worden).

Hervatting activiteit en 48- maandentermijn

Wanneer een werkgever natuurlijke persoon zijn activiteiten stopzet en later opnieuw begint, dan moet de 48-maandentermijn in principe worden berekend vanaf de eerste datum van inschrijving in de KBO (dus vóór de stopzetting)[1]. De reden hiervoor is dat een werkgever natuurlijke persoon die zijn activiteiten opnieuw aanvat na een periode van onderbreking hetzelfde ondernemingsnummer als vóór deze onderbreking behoudt[2].  

 


[1] Enkel indien de zelfstandige, na zijn activiteit te hebben stopgezet, op onweerlegbare wijze aantoont dat hij een geheel andere activiteit gaat uitoefenen en dat hij vooraleer deze nieuwe activiteit uit te oefenen, een verzoek tot wijziging van zijn activiteit heeft ingediend bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, kan de fiscale administratie aanvaarden dat de termijn van 48 maanden begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van zijn verzoek tot wijziging van zijn inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

[2] Overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 24.06.2003 is het aan een natuurlijke persoon toegekende ondernemingsnummer niet overdraagbaar en blijft het aan dezelfde natuurlijke persoon toegekend, zelfs wanneer deze persoon de activiteit onderbreekt of stopzet die aanleiding geeft tot de inschrijving, en zelfs wanneer de door de persoon uitgeoefende activiteit verandert.

 

Hoeveel bedraagt deze vrijstelling?

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen bedraagt 10% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van werknemers voor wat startende KMO’s betreft.

Dit percentage wordt verhoogd tot 20% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van werknemers voor ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden voor micro-ondernemingen.

Mag deze maatregel gecumuleerd worden met de andere gedeeltelijke vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing?

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen kan in principe gecumuleerd worden met alle andere vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Welke formaliteiten dienen te worden nageleefd?

De werkgever dient een nominatieve lijst ter beschikking te houden van de administratie van de federale Overheidsdienst (FOD) Financiën met daarin voor elke werknemer:

    • de volledige identiteit;

    • het nationaal nummer;

    • het bedrag van de betaalde of toegekende bruto belastbare bezoldigingen;

    • het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing.

Bovendien moet de werkgever steeds het bewijs kunnen leveren dat zijn onderneming voldoet aan de voorwaarden van een KMO of micro-onderneming.

Welke aangiften in de bedrijfsvoorheffing moet men indienen?

De betrokken werkgevers moeten twee aangiften 274 indienen voor de periode waarin zij gedeeltelijk of volledig kunnen worden vrijgesteld van storting van bedrijfsvoorheffing.

Rubrieken van de aangifte 274

De eerste slaat op alle inkomsten van alle werknemers

De tweede slaat op de inkomsten van de werknemers waarvoor een vrijstelling van doorstorting geldt.

"Aard van de inkomsten"

Code "10"

Code "60" (startende KMO’s) of “61” (startende micro-ondernemingen).

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen van de betrokken periode

Bedrag van de belastbare bezoldigingen die tijdens de betrokken periode werden uitbetaald

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing (aanvankelijk verschuldigde bedrijfsvoorheffing).

Een negatief bedrag gelijk aan 10% (startende KMO’s) en 20% (startende micro- ondernemingen) van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in aanmerking komende bezoldigingen

Kan de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing laten terugbetalen waarvoor hij een gedeeltelijke vrijstelling had kunnen genieten?

Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing terwijl hij beantwoordde aan de wettelijke voorwaarden, dan mag hij een regularisatieaanvraag bij de fiscus indienen om de terugbetaling van het gedeelte van de bedrijfsvoorheffing dat hij niet had moeten storten, terug te krijgen.

Tot 31 augustus van het jaar volgend op dat van de inkomsten gebeurt de aanvraag tot teruggave van de gestorte bedragen door de indiening van een tweede (negatieve) aangifte 274 bij het bevoegde ontvangkantoor (het betreft hier dus slechts één aangifte):

Rubrieken van de aangifte 274

"Aard van de inkomsten"

Code "60" (startende KMO’s) of “61” (startende micro- ondernemingen).

"Belastbare inkomsten"

Bedrag van de belastbare bezoldigingen die tijdens de betrokken periode werden uitbetaald.

"Verschuldigde bedrijfsvoorheffing”

Een positief bedrag gelijk aan 10% (startende KMO’s) en 20% (startende micro- ondernemingen) van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de hierboven vermelde belastbare bezoldigingen

Vanaf 1 september van het jaar volgend op dat van de inkomsten kan de rechtzetting enkel gebeuren door de indiening van een bezwaarschrift bij de bevoegde directeur der belastingen.

Wanneer trad deze maatregel in werking?

Deze maatregel trad in werking op 1 augustus 2015 en kan dus ten vroegste worden toegepast op de bezoldigingen die na die datum werden uitbetaald.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke bepalingen?

Artikel 275/10 Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) 92.

Programmawet van 10 augustus 2015, Belgisch Staatsblad van 18 augustus 2015, 2de editie.

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing > Overzicht vrijstellingen

Circulaire van 9 mei

De FOD Financiën publiceerde op 17 mei 2016 de circulaire AAFisc Nr. 14/2016 (nr. Ci.704.947) dd. 09.05.2016. Het is een bundeling van technische fiches met betrekking tot de vrijstelling van doorstorting  van bedrijfsvoorheffing zoals bepaald in art. 2751 tot 10, WIB 92.

De circulaire bestaat uit:

  1. een overzichtstabel van de vrijstellingen zoals bepaald in art. 2751 tot 10, WIB 92;
  2. een gedetailleerde technische fiche per maatregel die de praktische modaliteiten bevat, evenals verwijzingen naar alle wettelijke basisstukken en de betrokken artikelen in het WIB 92 en het KB/WIB 92.

U vindt deze documenten in bijlage.
 

Fiscale vrijstellingen > Vrijstellingen van economische aard > 1. Sociaal passief

Lees eerst even dit...

Sinds 1 januari 2014 is het eenheidsstatuut arbeider- bediende officieel. Om de hogere ontslagkosten op te vangen die dit eenheidsstatuut met zich meebrengt, werd het sociaal passief in het leven geroepen.

De toepassingsmodaliteiten van deze maatregel (maximumbedrag en formaliteiten) werden bepaald via koninklijk besluit.

 

Wat is het principe?

Het sociaal passief is een fiscale techniek om belastingvrije provisies aan te leggen.

Iedere belastingplichtige die personeel tewerkstelt kan elk jaar van zijn belastbare winsten en baten een bepaald bedrag aftrekken (vrijstellen). Dit bedrag wordt ‘de reserve voor sociaal passief’ genoemd, omdat deze reserve in voorkomend geval zal dienen om deels de kosten van het ontslag van de werknemer te financieren. Deze reserve zal terug aan de winsten of baten toegevoegd worden op het ogenblik dat betrokken werknemer het bedrijf (om eender welke reden) verlaat.

 

Wie komt in aanmerking voor het sociaal passief?

Wat de werkgever betreft

Deze maatregel heeft tot doel een deel van de meerkosten te compenseren die verband houden met de nieuwe opzegtermijnen die in alle ondernemingen gelden sinds 1 januari 2014 (opheffing onderscheid arbeiders – bedienden op het vlak van opzegtermijnen en carensdag).

Hij zal dus logischerwijze van toepassing zijn op alle ondernemingen (vennootschappen of natuurlijke personen) die winst maken[1].

Wat de werknemers betreft

Alle werknemers - ongeacht hun loon - kunnen het recht openen op de aanleg van een sociaal passief vanaf het ogenblik dat ze 5 dienstjaren in het eenheidsstatuut bereikt hebben bij betrokken werkgever (dit is dus vanaf 1 januari 2014)[2].

Het aanleggen van vrijgestelde fiscale provisies is bijgevolg ten vroegste mogelijk vanaf 1 januari 2019.

Concreet moet het aantal dienstjaren in het eenheidsstatuut per werknemer (die 5 jaar anciënniteit heeft in het eenheidsstatuut) worden beoordeeld.

Voorbeeld 1: x trad in dienst van de onderneming op 1 januari 2013. Ten aanzien van deze werknemer kan ten vroegste op 1 januari 2019 een vrijgestelde provisie worden aangelegd.

Voorbeeld 2: x trad in dienst op 1 januari 2014. Ten aanzien van deze werknemer kan ten vroegste op 1 januari 2019 een vrijgestelde provisie worden aangelegd.

Voorbeeld 3: x treedt in dienst op 1 januari 2020. Ten aanzien van deze werknemer kan ten vroegste op 1 januari 2025 een vrijgestelde provisie worden aangelegd.

 


[1] Het feit dat afwijkende opzeggingstermijnen van toepassing zijn voor de bouwsector, neemt niet weg dat deze maatregel ook geldt voor ondernemingen uit deze sector.

[2] De toe te passen vrijstelling betreft dus niet enkel werknemers waarvoor de ontslagkost hoger is dan voorheen.

 

Hoeveel bedraagt de vrijstelling sociaal passief?

Het bedrag van de reserve wordt berekend op basis van:

    • 3 weken bezoldiging vanaf het 6e dienstjaar tot en met het 20ste dienstjaar na 1 januari 2014;
    • 1 week bezoldiging vanaf het 21ste dienstjaar dat de werknemer na 1 januari 2014 is begonnen.

Bijgevolg wordt de vrijstelling voor werknemers die in dienst zijn op 1 januari 2014 berekend op 3 weken bezoldiging tot en met 1 januari 2034 en op 1 week bezoldiging vanaf 1 januari 2035.

De brutomaandbezoldiging

De brutomaandbezoldiging die voor deze berekening in aanmerking wordt genomen is de gemiddelde brutomaandbezoldiging vóór inhouding van de persoonlijke sociale bijdragen. Dit gemiddelde wordt berekend ten opzichte van het aantal maanden waaruit het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling geldt bestaat.

Vaststelling maximumbedrag sociaal passief

Omdat de vrijstelling sociaal passief algemeen van toepassing is, werd het loon dat als basis dient voor de vrijstelling, beperkt.

Bij de opbouw van het sociaal passief, zal het volledige loon in aanmerking worden genomen, tot en met een bruto maandloon van 1.500 euro. Vanaf 1.501 euro tot en met 2.600 euro wordt het sociaal passief opgebouwd door het gedeelte van 1.500 euro integraal in rekening te nemen en voor het deel gelegen tussen de 1.501 euro en 2.600 euro, slechts rekening te houden met 30%. Met de loonschijf boven de 2.601 euro wordt geen rekening gehouden voor de opbouw van het sociaal passief.

Schematisch overzicht van de maximumgrenzen

BRUTO MAANDLOON

% FISCALE VRIJSTELLING SOCIAAL PASSIEF

Tot en met 1.500 euro

100%

Van 1.501 euro tot en met 2.600 euro

30%

Vanaf 2.601 euro

/

Zodra het bedrag van de vrij te stellen winsten en baten is vastgesteld, wordt dit bedrag ten belope van 20% gespreid over het belastbaar tijdperk van de aanvraag en de vier volgende tijdperken.

Berekening van het weekloon

Het weekloon is gelijk aan het maximale gemiddelde brutomaandloon vermenigvuldigd met 3, en gedeeld door 13.

Heropname van het sociaal passief

Wanneer de werknemer de onderneming verlaat, wordt het totaal bedrag dat al is vrijgesteld voor die werknemer opgenomen in de winsten of baten van de werkgever.

 

Een praktisch toepassingsgeval

Peter is op 1 januari 2014 in dienst getreden van werkgever X. Zijn maandloon bedraagt 3.000 euro bruto. De werkgever kan ten aanzien van Peter vanaf 1 januari 2019, op een fiscaal aantrekkelijke manier, jaar na jaar een belastingvrije provisie aanleggen.

Het maatschappelijk boekjaar van de onderneming loopt van 1 april tot 31 maart van het volgend jaar.

Stel dat Peter het bedrijf op 31 december 2021 verlaat, dan zal de vrijgestelde provisie (sociaal passief) die op dat ogenblik zal zijn aangelegd, 760,14 euro bedragen voor zover het loon begrensd blijft op 1.830 euro per maand op 31 maart 2019, 2020 en 2021.

De vrijstelling wordt als volgt berekend: het gemiddeld maandloon is 3.801 euro per maand en is begrensd tot 1.830 euro. De maximale vrijstelling is (1.830 x 3/13) x 3 = 1.266,92.

Spreiding van deze vrijstelling ten belope van 20% per belastbaar tijdperk = 253,38 euro.

De toestand van het bedrijf zal er al volgt uitzien:

Aanslagjaar

2019

   op 31 maart 2019

2020

   op 31 maart 2020

2021

   op 31 maart 2021

Vrijstelling 2019

-253,38

-253,38

0

Vrijstelling 2020

0

-253,38

0

Heropname vrijstelling 2021 = stijging van de winst (253,38+253,38+253,38)

0

0

760,14 op te nemen in belastbare winst

 

Welke voorwaarden zijn verbonden aan het sociaal passief?

In dit verband verwijzen we naar de vraag “Wie komt in aanmerking voor het sociaal passief?”.

Samengevat zijn de voorwaarden de volgende:

  • de werkgever is een vennootschap of natuurlijke persoon;
  • de werkgever moet belastbare winsten of baten hebben;
  • hij moet personeel in loondienst tewerkstellen;
  • de werknemers die het recht op het sociaal passief openen, hebben bij betrokken werkgever minstens 5 jaar anciënniteit in het eenheidsstatuut[1];
  • geen enkele werknemer wordt uitgesloten op basis van zijn loon. 

Bovendien dient nog te worden toegevoegd dat het niet vereist is dat de onderneming voornemens is om binnen afzienbare tijd tot ontslagen over te gaan.

De reden van het ontslag (ontslag, ontslagname, beëindiging in onderling akkoord,…) is evenmin van belang.

Neutraliseren van bepaalde gebeurtenissen die een invloed hebben op de onderneming

De vrijstelling kan zelfs worden toegekend wanneer de volgende verrichtingen plaatsvinden:

  • inbreng van een algemeenheid van goederen of van een of meerdere bedrijfstakken in een vennootschap. De overgang van een activiteit die als natuurlijk persoon wordt uitgeoefend naar een activiteit in vennootschap heeft geen invloed op de toekenning van de vrijstelling;
  • voorzetting van hetzij de exploitatie, hetzij de beroepsactiviteit, hetzij van een of meerdere bedrijfstakken door de echtgenoot, een of meerdere erfgenamen of erfgerechtigden in rechte lijn van de belastingplichtige die zijn activiteiten heeft stopgezet;
  • inbreng in een landbouwvennootschap indien ze voor het belastbaar tijdperk wordt beschouwd als zijnde zonder rechtspersoonlijkheid[2];
  • fusies, splitsingen, overnames of gelijkgestelde verrichtingen die met vrijstelling van belasting worden gerealiseerd[3].

 


[1] De toe te passen vrijstelling betreft dus niet enkel werknemers waarvoor de ontslagkost hoger is dan voorheen.

[2] Zie artikel 46 van het WIB 1992. 

[3] Artikel 211 van het WIB 1992.

 

De behandeling van de vrijstelling - boekhoudkundige reserve

De 3 weken bezoldiging (of 1 week vanaf het 21ste dienstjaar in het eenheidsstatuut) vormen een ‘niet-geblokkeerde reserve' die de werkgever later zal kunnen gebruiken op het ogenblik dat de werknemer de onderneming verlaat. Het vrijgestelde bedrag moet bijgevolg niet in de onderneming bewaard worden. Het gaat om een boekhoudkundige reserve.

Hoewel het gereserveerde bedrag beschikbaar blijft, moet de werkgever op het ogenblik van het ontslag uiteraard wel over voldoende liquiditeiten beschikken om het ontslagbedrag te betalen.

 

Wat is het indexeringsmechanisme van het sociaal passief?

Het eerder vermelde maximumloon dat dient als basis voor de vrijstelling (zie “Hoeveel bedraagt de vrijstelling sociaal passief?”) kan vanaf 2018, in overleg met de sociale partners, aangepast worden aan de gezondheidsindex, de evolutie van de lonen en eventuele wijzigingen van de fiscale wetgeving.

Er dient in dit verband wel rekening te worden gehouden met het feit dat de kost van het sociaal passief in 2019 maximum 250 miljoen euro mag bedragen[1].

De aanpassingsvariabele om binnen deze ‘enveloppe’ te blijven, is de coëfficiënt van 30%, die jaarlijks bij koninklijk besluit zal vastgelegd worden.

 


[1] Deze ‘enveloppe’ zal vanaf 2020 geïndexeerd worden.

 

Heropname van de ‘reserve’ in geval van vertrek van de werknemer

Op het ogenblik dat een werknemer de onderneming verlaat, zal de reserve die voor deze werknemer werd opgebouwd terug worden toegevoegd aan de winsten en baten. Op dat ogenblik zal de werkgever dus belastingen betalen die hij de voorgaande jaren niet betaald heeft.

Als hij effectief een reserve heeft opgebouwd, zal hij dit bedrag in mindering brengen van de ontslagkosten. Deze zijn op hun beurt aftrekbaar van de belastbare winsten.

Concreet zit de winst voor de werkgever dus in het bedrag van de interesten op de niet betaalde fiscale last.

 

Wat zijn de formaliteiten in het kader van het sociaal passief?

De belastingplichtigen moeten een nominatieve lijst ter beschikking houden van de administratie met volgende vermeldingen per werknemer:

  • volledige identiteit en, in voorkomend geval, het nationaal nummer;
  • datum van indiensttreding;
  • anciënniteit verworven binnen het eenheidsstatuut;
  • bruto belastbare bezoldigingen die aan de werknemer zijn betaald of toegekend (inclusief sociale werknemersbijdragen, eventueel te beperken tot de maximumgrenzen).

Deze gegevens zouden elektronisch moeten worden meegedeeld in het kader van de toepassing voor het indienen van de individuele fiches 281[1].

 


[1] Ministerieel besluit van 24 juni 2019 tot bepaling van de modaliteiten van de elektronische communicatie bedoeld in artikel 46quater van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, Belgisch Staatsblad van 4 juli 2019.

 

Wanneer treedt het sociaal passief in werking?

Aangezien de vrijstelling pas na 5 jaar anciënniteit in het eenheidsstatuut start, heeft de maatregel slechts een concrete budgettaire impact vanaf inkomstenjaar 2019 (aanslagjaar 2020).

 

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

  • Artikel 102 van de Wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carensdag en begeleidende maatregelen.
  • Artikel 67 quater Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.
  • Artikel 46 ter van het KB/WIB 92 gewijzigd door Koninklijk besluit van 25 april 2014 met betrekking tot het vaststellen van het maximumbedrag van de vrijstelling inzake het sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut.
  • Artikel 46 ter van het KB/WIB 92 gewijzigd door Koninklijk besluit van 25 april 2014 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten inzake het sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut.