E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Fiscaal

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2016 - aanslagjaar 2017

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2016

Dit document is beschikbaar in bijlage.

 

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2017 - aanslagjaar 2018

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2017

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 maart 2017

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2018 - aanslagjaar 2019

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 mei 2018

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2019 - aanslagjaar 2020

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2019

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2020 - aanslagjaar 2021

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2020

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2021 - aanslagjaar 2022

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2021

Dit document is beschikbaar in bijlage.

 

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2022 - aanslagjaar 2023

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2022

Dit document is beschikbaar in bijlage.

 

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2007 - aanslagjaar 2008

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomstenbetaald of toegekend vanaf 1 januari 2007


Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2008 - aanslagjaar 2009

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2008

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 oktober 2008

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2009 - aanslagjaar 2010

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2009

Dit document is beschikbaar in bijlage, evenals het erratum dat in het Belgisch Staatsblad van 18 december 2008 gepubliceerd werd.

Bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992 (inkomsten 2009 - aanslagjaar 2010) vanaf 1 juli 2009

Die documenten is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2010 - aanslagjaar 2011

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2010

Dit document is beschikbaar in bijlage, evenals de wijzigingen die in het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2010 en 9 juli 2010 gepubliceerd werden, met retroactieve werking op 1 januari 2010.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2011 - aanslagjaar 2012

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2011

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 april 2011

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2012 - aanslagjaar 2013

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 juli 2012

Dit document is beschikbaar in bijlage

 

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2012

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2013 - aanslagjaar 2014

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2013

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 maart 2013

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 juli 2013

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2014 - aanslagjaar 2015

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2014

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 april 2014

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 juli 2014

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 1. Wettekst > Inkomsten 2015 - aanslagjaar 2016

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2015

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 augustus 2015

Dit document is beschikbaar in bijlage.

Bedrijfsvoorheffing - Bijlage III > 2. Bijlage III verklaard >

Lees eerst even dit…

Iedereen die de loonfiscaliteit  wil begrijpen, krijgt vroeg of laat te maken met ‘bijlage III’.

In deze fiche bespreken we de structuur en inhoud van dat document, zodat u weet en begrijpt hoe de bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld.   

Deze tekst werd opgesteld rekening houdend met de wetsbepalingen die van kracht zijn op 1 januari 2021.

 

Bijlage III in het kort

Bijlage III is de derde bijlage bij het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen van 1992 (afgekort KB/WIB 92).  De wet machtigde[1] de Koning om de wettelijke principes inzake bedrijfsvoorheffing ten uitvoer te leggen.     

Deze bijlage III wordt minstens één keer per jaar aangepast zodat de bedragen die erin zijn opgenomen blijven overeenstemmen met de kosten van het levensonderhoud.

De tekst is onderverdeeld in twee delen.  Ze bevat in de eerste plaats de regels op basis waarvan de bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld.  Het tweede deel bevat de forfaitaire schalen van de bedrijfsvoorheffing die van toepassing zijn op de bezoldigingen die maandelijks worden betaald.  

Deel 1- ‘Toepassingsregels’

Het eerste deel van de bijlage bevat de regels waarmee de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing (over het algemeen de personen of belastingplichtigen die beroepsinkomsten betalen, zoals de werkgever) het bedrag van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing kunnen berekenen, rekening houdend met de volgende fiscale criteria (gecombineerd of afzonderlijk beschouwd):

Deel 2 - ‘Schalen van de bedrijfsvoorheffing’

De schalen stellen het forfaitair bedrag van de bedrijfsvoorheffing vast dat verschuldigd is op de maandelijks toegekende (belastbare) bezoldigingen.

Om de schalen correct toe te passen, moet de gebruiker de gezinstoestand van de verkrijger kennen (alleenstaand/gehuwd; indien gehuwd echtgenoot met of zonder inkomsten), alsook zijn verblijfstoestand (inwoner of niet). 

Drie schalen

Het tweede deel van de bijlage bevat de drie schalen van bedrijfsvoorheffing die van toepassing zijn op de gewone periodieke bezoldigingen (in de zin van maandelijks toegekende bezoldigingen):

Vier kolommen

Elke schaal is onderverdeeld in vier kolommen:

Afrondingsregels (punt 1.10)

Wanneer bij de vaststelling van het bruto-belastbaar inkomen blijkt dat het tussen twee bedragen van bruto-belastbare inkomens (kolom 1) in ligt, moet rekening worden gehouden met het laagste van die bedragen. Op basis van dit gekozen bruto-inkomen zal de bedrijfsvoorheffing worden vastgesteld (kolom 2 , 3 of 4).

Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt altijd afgerond op de lagere cent (d.w.z. twee cijfers na de komma, ongeacht het cijfer dat als duizendste is vermeld).

 


 [1] Artikel 275 § 1 WIB 92: ‘De bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de aanduidingen van de schalen opgesteld door de Koning’.

 

Basisbegrippen (punten 1.1 tot 1.10)

Inningsgrondslag (punten 1.1 tot 1.6)

Bruto-belastbaar inkomen

De bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld op de bruto-belastbare beroepsinkomsten. Dat zijn de brutoberoepsinkomsten na aftrek van:

Principe van de fiscale gelijkheid van gehuwde personen en echtgenoten – wettelijk samenwonenden (punt 1.2)

Een wettelijk samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.

Waardering en belasting van de voordelen van alle aard (punt 1.3)

Het voordeel van alle aard wordt in principe beschouwd als een bezoldiging en dus onderworpen aan bedrijfsvoorheffing. Omdat dit voordeel anders dan in geld wordt betaald, gelden voor de belasting ervan bijzondere regels.

Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing wordt deze belasting verschillend vastgesteld naargelang het voordeel wordt toegekend:

Waardering van de grondslag van bepaalde bijzondere inkomsten (punten 1.3 B tot 1.6)

Bijlage III bevat de regels voor de vaststelling van de grondslag van de bedrijfsvoorheffing van bepaalde bijzondere bezoldigingen:

Waardering en belasting van de vergoedingen voor het woon-werkverkeer

Deze vergoeding toegekend als terugbetaling van de kosten voor het woon-werkverkeer wordt volledig of gedeeltelijk vrijgesteld indien de werknemer schriftelijk aan zijn werkgever bevestigt dat hij niet zijn werkelijke kosten zal aangeven in zijn belastingsaangifte.

De vergoeding is vrijgesteld van belasting:

Indien de bovenvermelde voorwaarden niet vervuld zijn, wordt bedrijfsvoorheffing ingehouden op de totale vergoeding.

Gezinstoestand (punten 1.7 tot 1.9)

Dit betreft de uitleg van de begrippen gezinstoestand (= fiscale burgerlijke staat – alleenstaande, echtgenoot), personen ten laste en ten slotte de invloed van een handicap op de berekening van de bedrijfsvoorheffing.

Deze begrippen zijn hoofdzakelijk van toepassing wanneer de redenen van vermindering van bedrijfsvoorheffing ter sprake komen.

Afronding (punt 1.10)

De bedrijfsvoorheffing wordt steeds op de lagere cent afgerond.



[1] Eventueel verminderd met de buitengewone beroepskosten.

[2] Punt 1.1 C van bijlage III KB/WIB.

 

Toepassingsregels - Algemeen

Hieronder vindt u een algemeen overzicht van de toepassingsregels uit bijlage III. In de volgende hoofdstukken geven we een korte beschrijving van de inhoud van de toepassingsregels die gelden voor de verschillende categorieën van beroepsinkomsten.

Voor de duidelijkheid hebben we ervoor gekozen de volgorde waarin de regels aan bod komen in bijlage III te volgen.

Regels die van toepassing zijn op de bezoldigingen van loontrekkenden, die inwoner zijn(punten 2.1 tot 2.24)

In dit belangrijk hoofdstuk zijn de richtlijnen gegroepeerd voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van werknemers en de ermee gelijkgestelde inkomsten (onder meer de inkomsten die een tijdelijke derving van bezoldigingen herstellen).

In de eerste plaats betreft het bezoldigingen die maandelijks betaald op toegekend worden.  Daarnaast komen de regels aan bod die van toepassing zijn op bepaalde categorieën van inkomsten die worden toegekend aan werknemers die inwoner zijn en die niet voldoen aan de regels van de maandelijks toegekende bezoldigingen, zoals exceptionele vergoedingen (met name de eindejaarspremies, het (dubbel) vakantiegeld); loonachterstallen; opzeggingsvergoedingen en inschakelingsvergoedingen; werkloosheidsuitkeringen; werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag.

Al deze regels zijn in principe van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend aan werknemers die de hoedanigheid hebben van (fiscale) inwoners[1] maar ook aan niet-inwoners die voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing worden gelijkgesteld met inwoners. Het gaat om niet-inwoners die in het kader van arbeidsovereenkomsten die het volledige kalenderjaar bestrijken in België arbeidsprestaties leveren die tenminste 75% van de wettelijk voorziene arbeidsduur per overeenkomst bedragen.

Regels van toepassing op de bezoldigingen van bedrijfsleiders (punten 3.1 tot 3.8)

Deze regels gelden alleen voor bedrijfsleiders die inwoner zijn en daarmee gelijkgestelden. Een bedrijfsleider is een natuurlijk persoon die:

Een bedrijfsleider kan tegelijkertijd ook een functie als loontrekkende uitoefenen. Wanneer de bedrijfsleider een functie als loontrekkende en een functie als zelfstandige cumuleert binnen dezelfde vennootschap, zal het totaal van de bezoldigingen als loontrekkende en als zelfstandige worden onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op zelfstandigen[3].

Welke bezoldigingen ontvangen de bedrijfsleiders?

De bezoldigingen van de bedrijfsleiders zijn alle vergoedingen die aan die bedrijfsleiders worden toegekend door de vennootschap waarin ze hun activiteiten of functies uitoefenen[4].

Bijzonderheid: De geherkwalificeerde huurgelden en huurvoordelen (punt 3.2) die door een bedrijfsleider van de 1ste categorie (bestuurder, mandataris,…) worden ontvangen, worden onder bepaalde voorwaarden niet als onroerende inkomsten maar als beroepsinkomsten gekwalificeerd.

Om het belastbaar bedrag dat aan bedrijfsvoorheffing wordt onderworpen te bekomen, worden van de bezoldiging van de bedrijfsleider de verplichte sociale bijdragen afgetrokken die hij in het buitenland[5] betaalt of de sociale bijdragen der werknemers in voorkomend geval, of voor de bedrijfsleiders die onderworpen zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen, fictieve sociale bijdragen die worden opgelegd door de berekeningsregels van de bedrijfsvoorheffing[6].

Regels voor de pensioenen, renten, kapitalen en ermee gelijkgestelde inkomsten (punten 4.1 tot 4.11)

In dit deel komen aan bod:

Regels van toepassing op de bezoldigingen en werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag van niet-inwoners (punten 5.1 tot 5.28)

 

In grote lijnen gelden dezelfde regelingen als voor de bezoldigingen van inwoners.

.Nochtans komen in deze rubriek enkele bijzondere regels voor die toepasselijk zijn op de inkomsten van niet-inwoners,Het betreft onderhoudsuitkeringen,bepaalde winsten of baten,inkomens van kunstenaars en bepaalde meerwaarden gerealiseerd of toegekend aan niet-inwoners.

Inkomsten van sportbeoefenaars, scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders (punten 6.1 tot 6.3)

 

Het gaat over inkomsten toegekend aan sportbeoefenaars, scheidsrechters, trainers en opleiders en begeleiders rijksinwoner of niet rijksinwoners.

Diverse (punten 7.1 tot 7.4)

Onder deze rubriek vindt men:

Fiscaal volontariaat (punten 8.1 tot 8.2)

Alle regels hieronder gelden voor het vaststellen van het ‘wettelijk’ bedrag van de bedrijfsvoorheffing. Bepaalde verkrijgers van inkomsten wensen echter dat een bijkomend bedrag bovenop het bedrag dat voorkomt in bijlage III wordt ingehouden door de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing. Dat wordt fiscaal volontariaat genoemd.

Enkele bepalingen van bijlage III organiseren de manier waarop een schuldenaar van bedrijfsvoorheffing een bijkomend bedrag aan bedrijfsvoorheffing kan inhouden op de inkomsten die in bijlage III zijn opgenomen. Deze regeling wordt uitsluitend toegepast op initiatief van de verkrijger van de inkomsten en moet vooraf door hem worden aangevraagd.


[1] Deze inwoners worden ook Rijksinwoners genoemd.

[2] Artikel 32, 1ste lid van het WIB 1992.

[3] Dat volgt uit de toepassing van het attractiebeginsel.

4] Artikel 32, lid 2 WIB 92. Het gaat meer bepaald om tantièmes, presentiegelden, alle vaste of variabele bedragen, de voordelen van alle aard, de bezoldigingen, geherkwalificeerde huurgelden en huurvoordelen.

[5] Com. Ib.275/13 en 275/42.

[6] Punt 1.1C van bijlage III.

Regels voor de maandelijks betaalde of toegekende bezoldigingen (punten 2.1tot 2.5)

Maandelijkse brutobezoldigingen gelijk aan of lager dan 500 euro (punten 2.2 en 2.3)

1ste stap: vaststelling van de basisbedrijfsvoorheffing: schaal I of II

Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt bepaald door de bedragen die voorkomen:

2de stap: vermindering van toepassing op de basisbedrijfsvoorheffing

Op het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat is vastgesteld op basis van één van de bedrijfsvoorheffingsschalen, worden eventueel de volgende verminderingen toegepast (van a) tot f)), en in de volgende waarin ze worden opgesomd:

Maandelijkse brutobezoldigingen hoger dan 500 euro (punten 2.4 en 2.5)

De onderverdeling alleenstaande verkrijger (of echtgenoot met inkomsten) of verkrijger met echtgenoot zonder inkomsten wordt nog steeds gemaakt.  Voor beide categorieën wordt het bedrag van de basisbedrijfsvoorheffing vastgesteld door bij een forfaitair bedrag een variabel bedrag, gebaseerd op een percentage van het gedeelte van de bezoldiging boven  7.500 euro, op te tellen.

Op het aldus vastgestelde bedrag van bedrijfsvoorheffing worden de verschillende types van vermindering toegepast.


[1] Bijlage III punt 2.2. A f en 2.3.f.

 

Bezoldigingen die met een andere dan maandelijkse frequentie worden betaald of toegekend (punten 2.6 tot 2.8)

De regels die van toepassing zijn op de maandelijks toegekende bezoldigingen bepalen de berekeningsgrondslag van de bedrijfsvoorheffing van de bezoldigingen die worden betaald of toegekend:

Exceptionele vergoedingen (punt 2.9)

Wat zijn exceptionele vergoedingen?

Het zijn beroepsinkomsten die de werkgever buiten de normale bezoldigingen betaalt of toekent aan zijn personeelsleden. Als dusdanig worden onder meer beschouwd: occasionele commissielonen, bijzondere en exceptionele gratificaties, eindejaarspremies, vakantiegeld, loonbonus, overloon,… met uitzondering van de normale bezoldigingen.

Voor een gedetailleerde uitleg van de bedrijfsvoorheffing op dit type van bezoldigingen, verwijzen we naar de fiche Bedrijfsvoorheffing – algemeen overzicht – deel I.

Vaststelling van de basisbedrijfsvoorheffing

Voor de maandelijkse bezoldigingen worden de schalen van de bedrijfsvoorheffing gebruikt. Voor de exceptionele vergoedingen echter steunt de berekening van de bedrijfsvoorheffing op het jaarbedrag van de normale bruto-inkomsten. Op basis van dit bedrag wordt bepaald welk percentage op de exceptionele uitkering of vergoeding moet toegepast worden.

Dit percentage van bedrijfsvoorheffing is verschillend naargelang het gaat om vakantiegeld of andere exceptionele vergoedingen.

Eventuele vrijstelling en vermindering

Nadat de bedrijfsvoorheffing aldus is vastgesteld, kan de vergoeding geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van bedrijfsvoorheffing, naargelang van het aantal kinderen ten laste en een maximumgrens van bruto jaarloon.

Vervolgens kan eventueel een vermindering van bedrijfsvoorheffing worden toegekend, op basis van gelijkaardige criteria als deze voor de vrijstelling.

Bijzondere regels

Punt 2.9 B voorziet in een bijzondere berekening voor de eindejaarspremies die betrekking hebben op bezoldigingen per stuk of per taak.

Bovendien geldt een vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor verkrijgers van inkomsten waarvan het 12de van het normale jaarlijkse brutobedrag, exceptionele vergoedingen inbegrepen, geen aanleiding zou geven tot bedrijfsvoorheffing berekend volgens de regels inzake per maand betaalde bezoldigingen.

 

Achterstallen (punt 2.10)

Begrip

Bijlage III behandelt de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de loonachterstallen van werknemers (loontrekkenden).

Het betreft de bezoldigingen waarvan de uitbetaling of de toekenning slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben:

Berekeningsregels

De bedrijfsvoorheffing wordt opnieuw vastgesteld door verwijzing naar een percentage dat wordt bepaald volgens een referentieloon.

Er kan een vrijstelling van een deel of het geheel van de loonachterstallen worden toegepast op basis van het aantal kinderen en een maximumgrens van bezoldiging.

Een andere mogelijkheid van vrijstelling van loonachterstallen bestaat voor verkrijgers van achterstallen waarvan het 12de van het referentieloon geen aanleiding zou geven tot bedrijfsvoorheffing berekend volgens de regels inzake per maand betaalde bezoldigingen.


[1] Volgens de fiscale commentaar betekent deze uitdrukking dat de laattijdigheid of vertraging het gevolg moet zijn van een verzuim of een nalatigheid van een overheid, of nog van een uitzonderlijke maatregel genomen door de overheid die de vaststelling van het bedrag of de betaling heeft verlaat.

[2] Een geschil tussen de werkgever en de overheid wordt dus niet bedoeld.

Opzeggingsvergoedingen en inschakelingsvergoedingen (punt 2.11)

Opzeggingsvergoeding

Begrip

Dit zijn alle vergoedingen die werden verkregen wegens of naar aanleiding van de stopzetting of de verbreking van de arbeidsovereenkomst, ongeacht hun kwalificatie, de schuldenaars, de oorzaak en de modaliteiten van vaststelling en toekenning.

Als dusdanig worden meer bepaald beschouwd:

Met betrekking tot het bijzonder geval van een schadevergoeding voor morele schade is de fiscus a priori van mening dat het om een belastbare bezoldiging gaat.

In bepaalde omstandigheden aanvaardt de fiscus echter dat een vergoeding voor morele schade van belasting kan worden vrijgesteld, meer bepaald wanneer de toekenning ervan wordt vastgesteld door een rechterlijke beslissing en die beslissing voor elke werknemer afzonderlijk de geleden morele schade vaststelt.

Berekeningsregel van de bedrijfsvoorheffing

Ongeacht het bedrag van de vergoeding wordt de bedrijfsvoorheffing berekend volgens de regels die van toepassing zijn op de achterstallen (punt 2.10, A).

Herinschakelingsvergoeding

Begrip

Het betreft de vergoeding die door een ‘werkgever in herstructurering' wordt betaald aan een werknemer die wordt ontslagen in het kader van de herstructurering[1]. Het gaat dus om de beëindingsvergoeding die wordt betaald in het kader van een collectief ontslag.

Berekeningsregel van de bedrijfsvoorheffing

De bedrijfsvoorheffing wordt in principe vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op achterstallen (punt 2.10).



[1] Titel IV, hoofdstuk 5, afdeling 3 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, Belgisch Staatsblad van 30 december 2005, 2de editie.

Vergoedingen betaald als schadeloosstelling van een tijdelijke derving van bezoldiging, winsten en baten (punt 2.12, A to F)

Begrippen

Deze ruime categorie die we gemakshalve ‘vervangingsinkomsten’ noemen (andere dan werkloosheidsuitkeringen en brugpensioenen) omvat de meeste wettelijke of extralegale vergoedingen die bestemd zijn om een tijdelijke volledige of gedeeltelijke derving van inkomsten te compenseren/herstellen.

Algemene vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor ‘lage’ inkomens (punt 2.12, E)

Er is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op een vervangingsinkomen wanneer het 12de van het referentiejaarloon dat als grondslag diende voor het berekenen van die vergoeding volgens de regels inzake per maand betaalde bezoldigingen geen aanleiding geeft tot bedrijfsvoorheffing (punten 2.2 tot 2.5).

Wettelijke of extralegale vergoedingen betaald als schadeloosstelling voor een tijdelijke derving van bezoldiging (ongeval, ziekte, invaliditeit of andere gelijkaardige gebeurtenis) (punt 2.12, A)

De vergoeding wordt betaald door de werkgever (of door diens tussenkomst)

Naargelang de vergoeding al dan niet samen met de normale bezoldiging wordt betaald, zal de bedrijfsvoorheffing

De vergoeding wordt betaald zonder tussenkomst van de werkgever door een verzekeringsinstelling of een andere derde (andere instelling of tussenpersoon)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan

Bijzondere vergoedingen (punt 2.12, B, nummer 1 tot 10)

Voor sommige vervangingsinkomsten geldt een bijzondere wijze van vaststelling van de bedrijfsvoorheffing, wegens hun specifieke aard, die verband houdt met het feit dat de schuldenaars ervan over het algemeen niet de werkgevers zijn.

Andere vergoedingen dan degenen die hieronder opgesomd worden en die eventueel worden toegekend krachtens de wetgeving betreffende de verzekering tegen ziekte en invaliditeit zijn niet aan bedrijfsvoorheffing onderworpen[1].

Wettelijke uitkeringen van primaire ongeschiktheid (punt 2.12, B, 1)

Het gaat om de uitkeringen die door de ziekenfondsen worden betaald.

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan:

Er wordt geen bedrijfsvoorheffing ingehouden voor de uitkeringen van primaire arbeidsongeschiktheid die gedurende de eerste 6 maanden worden betaald aan werklozen die geen andere inkomsten ontvangen en die zich in een specifieke gezinstoestand bevinden.

Wachtgeld ingevolge disponibiliteit wegens ziekte – openbaar ambt (punt 2.12, B, 2)

Het gaat om de ziekte-uitkeringen die betaald worden aan het personeel van het openbaar ambt.

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering).

Uitkeringen betaald aan zeelieden (punt 2.12, B, 3)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering).

Uitkeringen betaald door de DOSZ (Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid)

(punt 2.12, B, 4)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering).

Uitkeringen betaald in het kader van de moederschapsrust (punt 2.12, B, 5)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering).

Uitkeringen betaald in het kader van de borstvoedingspauze (punt 2.12, B, 6)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering).

Uitkering betaald in het kader van het vaderschapsverlof (punt 2.12, B, 7)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering).

Uitkering betaald in het kader van het adoptieverlof (punt 2.12, B, 8)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering).

Wettelijke loopbaanonderbrekingsuitkeringen (punt 2.12, B, 9)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan:

Dit tarief van 17,15% wordt opgetrokken tot 35% (zonder vermindering):

Dit tarief van 17,15% wordt opgetrokken tot 30% (zonder vermindering) voor halftijdse loopbaanvermindering vanaf 1 januari 2009, voor werknemers van 50 jaar en jonger (behalve voor een werknemer die alleenstaande is en bij thematische verloven).

Halftijdse vervroegde uittreding – openbaar ambt (punt 2.12, B, 10)

Dit is een premie die aan ambtenaren wordt uitgekeerd naar aanleiding van hun halftijdse vervroegde uittreding. De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 17,15% (zonder vermindering).

Uitkeringen betaald aan zelfstandigen en meewerkende echtgenoten (punt 2.12, C, 1 en 2)

Dezelfde regels als in punt 2.12, B 1 zijn van toepassing voor de wettelijke uitkeringen van primaire arbeidsongeschiktheid en moederschapsrust (punt 2.12, C, 2): de bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering).

Vergoedingen betaald als schadeloosstelling van een tijdelijke derving van winst of baten (punt 2.12, D)

Een bedrijfsvoorheffing van:


[1] Punt 2.12, F.

[2] In de zin van artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd wet op 14 juli 1994.

[3] Behalve wanneer deze ongeschiktheidsuitkering wordt gecumuleerd met andere beroepsinkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten.

Werkloosheidsuitkeringen (punt 2.13)

Principe

Een uniek tarief van 10,09% (zonder vermindering) is van toepassing op elk type van wettelijke of extralegale uitkering, betaald als herstel van een tijdelijke volledige of gedeeltelijke derving van bezoldigingen ten gevolge van volledige of gedeeltelijke werkloosheid behalve degene die in het kader van de tijdelijke werkloosheid toegekend wordt en de tijdelijke crisiswerkloosheid van de bedienden.

Van het toepassingsgebied van punt 2.13 zijn echter uitgesloten: de werkloosheidsuitkeringen die werden ontvangen in het kader van de verschillende stelsels van werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag.

De wettelijke en extrawettelijke uitkeringen toegekend in geval van economische werkloosheid en van crisiswerkloosheid voor de bediende

De wettelijke en extrawettelijke uitkeringen toegekend in geval van tijdelijke werkloosheid en de crisiswerkloosheid zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 26,75%[1].

Coronamaatregel van 1 mei 2020 - 31 maart 2021

De wettelijke uitkeringen die worden betaald of toegekend aan tijdelijk werklozen zijn aan een tarief van 15 procent bedrijfsvoorheffing (zonder vermindering) onderworpen, voor zover deze inkomsten worden betaald of toegekend vanaf 1 mei 2020 tot en met 31 maart 2021 en betrekking hebben op dagen van tijdelijke werkloosheid in diezelfde periode.

Vrijstelling van bepaalde uitkeringen

Er is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de wettelijke werkloosheids- (of wacht)uitkeringen van volledig werkloze werknemers die geen beroepsinkomen hebben en die de hoedanigheid hebben van:

 


[1] Vanaf 1 april 2011.   KB van 15 maart 2011 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 2011, Bijlage III punt 2.13 C.

 

Werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag - SWT (vroegere brugpensioen) (punt 2.14)

Begrip

De gebeurtenis die voorafgaat aan elke regeling of elk plan in het kader van SWT is het ontslag van de werknemer[1]. Er is sprake van volledige werkloosheid, gepaard gaande met een bedrijfstoeslag die betaald wordt door de (vroegere) werkgever. 

Opmerking: deze reglementering geldt niet voor het halftijds brugpensioen, dat wordt georganiseerd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 55 van 13 juli 1993.

De vergoeding voor SWT bestaat uit twee delen:

De vergoeding is niet hoger dan het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkeringen

Er is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd wanneer het totaalbedrag van de vergoeding voor SWT niet hoger is dan het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkeringen[3].

De vergoeding is hoger dan het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkeringen

In dat geval wordt het totaalbedrag van de vergoeding SWT onderworpen aan de bedrijfsvoorheffing volgens de regels die van toepassing zijn op de pensioenen (punten 4.1 tot 4.5, zie verder). 

Van de aldus vastgestelde bedrijfsvoorheffing mag een vermindering voor groepsverzekering worden afgetrokken (zie vermindering van toepassing op de maandelijkse inkomsten, punt 2.2, A, c, hierboven).

 


[1] Het gaat dus niet om het vervroegd nemen van het pensioen.

[2] Deze vergoeding wordt vastgesteld krachtens de cao nr. 17 of een sectorale of bedrijfs-cao die in overeenstemming is met de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités maar die een vergoeding aanbiedt die ten minste gelijkwaardig is aan deze die wordt toegekend in het kader van de cao nr. 17.

[3] Dit bedrag is beschikbaar in onze sleutelbedragen op Lex4you.

 

Aanvullende vergoeding bovenop de werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag buiten de regeling voor de werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag (punt 2.15)

Vergoedingen ‘bovenop’ de werkloosheidsuitkering - Begrip

Volgens de formulering van punt 2.15 bestaat deze aanvullende vergoeding in een aanvulling die de werkgever betaalt aan een werknemer die onder een plan SWT valt, zoals we hierboven hebben besproken (punt 2.14, hierboven).

Deze aanvullende vergoeding wordt als ‘buiten de regeling SWT’ of extralegaal bestempeld omdat ze haar oorsprong vindt in ofwel een sectorale of bedrijfs-cao die niet in overeenstemming is met de wet van 5 december 1968, ofwel in een individueel akkoord.

De hiernavolgende regels inzake bedrijfsvoorheffing gelden wanneer de aanvullende vergoeding wordt toegekend:

Bij werkhervatting bij dezelfde werkgever die de werknemer heeft ontslagen, wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld op basis van de gewone regels inzake maandelijkse bezoldigingen (punten 2.2 tot 2.5).

Vaststelling van de bedrijfsvoorheffing -Wat is de leeftijd van de werknemer?

De vroegere werknemer is 50 jaar of ouder

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan:

De vroegere werknemer is jonger dan 50 jaar

De aanvullende vergoeding is onderworpen aan de bedrijfsvoorheffing volgens de regels die van toepassing zijn op de vervangingsinkomens bedoeld in punt 2.12, A, 1°, b), 2de streepje. Met andere woorden, de bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 26,75 % (zonder vermindering).

 


[1] Als werknemer bij een andere werkgever of als zelfstandige in hoofdberoep voor rekening van een andere onderneming.

[2] Wees voorzichtig. Het artikel 38 §1 31° van het WIB 92 stelt de bedrijfstoeslag vrij in geval van werkhervatting bij een andere werkgever of als zelfstandige.

“Pseudo-werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag” bovenop werkloosheidsuitkeringen (punt 2.16)

Begrip

Hier is sprake van een situatie waarin de werkgever een werknemer ontslaat zonder dat deze aanspraak kan maken op SWT.

Op het tijdstip van het ontslag betaalt de werkgever een vergoeding die niet bovenop een SWT komt (dat bestaat uit voltijdse werkloosheidsuitkeringen en een vergoeding betaald door de werkgever), maar die wel bovenop de werkloosheidsuitkeringen komt.

De betaling van deze vergoeding, die een onderdeel vormt van dit ‘valse' SWT, wordt echter vastgesteld in een collectieve arbeidsovereenkomst.

De bedrijfsvoorheffing op deze pseudo-werkloosheid met bedrijfstoeslag wordt vastgesteld op basis van het type van overeenkomst en de leeftijd van de vroegere werknemer.

Vaststelling van de bedrijfsvoorheffing - verschillende situaties

1ste situatie: de vroegere werknemer is 50 jaar of ouder EN de overeenkomst is geen sectorale cao die vóór 30 september 2005 werd gesloten[1]

De vroegere werknemer ontvangt werkloosheidsuitkeringen als voltijdse werkloze (of zou deze kunnen ontvangen indien hij het werk niet had hervat). De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan:

2de situatie: ofwel is de vroegere werknemer geen 50 jaar oud, ofwel is hij 50 jaar EN is de overeenkomst een sectorale cao die vóór 30 september 2005 werd gesloten[2]

Op de aanvullende vergoeding die wordt ontvangen hetzij tijdens een periode van inactiviteit, hetzij bij werkhervatting als werknemer bij een nieuwe werkgever, of als zelfstandige in hoofdberoep voor rekening van een andere onderneming, wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op de werkloosheidsuitkeringen (punt 2.13) (10,09%).



[1] Of een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst die een dergelijke overeenkomst zonder onderbreking voortzet.

[2] idem supra

Toevallig of periodiek en bijkomstig betaalde vergoedingen en toelagen (punt 2.17)

Het betreft beroepsinkomsten die niet worden bedoeld in de bovenvermelde bijzondere regels (punten 2.9 tot 2.16) en worden uitbetaald door een schuldenaar van bedrijfsvoorheffing aan personen die slechts toevallig of periodiek en bijkomstig door hem of door zijn tussenkomst worden bezoldigd.

Voorbeelden: toevallige commissielonen, vergoedingen, presentiegelden, …

De bedrijfsvoorheffing op deze inkomsten wordt als volgt vastgesteld:

Vergoedingen en toelagen

Percentage (zonder vermindering)

Tot € 500

27,25

Van € 500,01 tot € 650

32,30

Meer dan € 650

37,35

In afwijking hiervan is op de gewestelijke weerwerkpremie eenbedrijfsvoorheffing verschuldigd van 11,11% (zonder vermindering).

Bezoldigingen betaald door curatoren, vereffenaars of personen die gelijkaardige functies uitoefenen (punt 2.18)

De bedrijfsvoorheffing op deze bedragen[1] is gelijk aan 26,75% (zonder vermindering).



[1] Dit zijn schuldvorderingen met de hoedanigheid van bezoldigingen, bedoeld in artikel 270,6° van het WIB 92.

Bezoldigingen voor stukwerk (punt 2.19)

De bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de regels inzake maandelijkse bezoldigingen (punten 2.2 tot 2.8), rekening houdend met het tijdperk waarop de bezoldigingen betrekking hebben. De bedrijfsvoorheffing mag echter nooit minder bedragen dan 11,11% van de bezoldigingen.

Artiesten en musici en "bijzondere categorieën" (punt 2.20)

‘Extra’ bezoldigde artiesten en musici

Wie zijn dat?

Hiermee worden de bezoldigingen bedoeld die worden betaald aan artiesten en musici van wie de beroepsactiviteit er hoofdzakelijk in bestaat gelijktijdig of achtereenvolgens voor ondernemingen voor vertoningen en vermakelijkheden te werken maar:

Vaststelling van de bedrijfsvoorheffing

De bezoldigingen die deze artiesten en musici in dergelijke omstandigheden ontvangen zijn onderworpen aan een bedrijfsvoorheffing van 11,11% (zonder vermindering).

Personen behorend tot bijzondere categorieën bepaald door de ambtenaar die verantwoordelijk is voor de taxatiedienst

Wie zijn dat?

Het gaat om categorieën van personen die wegens de omstandigheden waarin zij hun beroepswerkzaamheid uitoefenen, volgens bijzondere regels worden bezoldigd.

Voorbeeld: loontrekkende uitzendkrachten, …

Vaststelling van de bedrijfsvoorheffing

Deze bezoldigingen worden onderworpen aan een bedrijfsvoorheffing van 11,11% (zonder vermindering).

 

Vakantiegeld betaald door vakantiekassen (punt 2.21)

Dit zijn de vakantiegelden die zonder tussenkomst van de werkgever door de kassen voor jaarlijkse vakantie worden betaald of toegekend.

De bedrijfsvoorheffing op deze inkomsten wordt als volgt vastgesteld:

Vakantiegeld

Percentage (zonder vermindering)

Tot € 1.410

17,16

Meer dan € 1.410

23,22

 

Inkomsten die van bedrijfsvoorheffing zijn vrijgesteld - Studenten (punt 2.22)

Op de bezoldigingen betaald aan studenten is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd als de student in dienst werd genomen in het kader van een (schriftelijke) overeenkomst voor tewerkstelling van studenten[1] : voor een duur 475 aangegeven uren studentenarbeid per kalenderjaar EN voor zover zij niet aan sociale zekerheidsbijdragen onderworpen zijn.

Coronamaatregel

Om te bepalen of dit aantal van 475 uren is bereikt, worden de voor het tweede kwartaal van 2020 gepresteerde uren studentenarbeid en de voor het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 gepresteerde uren studentenarbeid in het onderwijs en de zorgsector, die niet aan de sociale zekerheidsbijdragen onderworpen zijn, niet in rekening gebracht. Op de bezoldigingen voor deze niet in rekening gebrachte uren studentenarbeid is ook geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd.

 


[1] In de zin van de artikelen 120 e.v. van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

 

Inkomsten die van bedrijfsvoorheffing zijn vrijgesteld - Jonge werknemers (punt 2.23)

Er is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen betaald of toegekend in de maanden oktober, november of december indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

 


[1] In de zin van artikel  36, § 1er, 1ste lid, 1° tot 3° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

 

Gelegenheidsarbeiders (extra’s) in de horeca (punt 2.24)

De bedrijfsvoorheffing wordt éénvormig (d.w.z. zonder vermindering) vastgesteld op 33,31% op de bezoldigingen voor prestaties geleverd door gelegenheidswerkers tijdens maximaal 50 dagen per kalenderjaar.

Een extra is een gelegenheidswerknemer in de horecasector die voor een maximumduur van 2 opeenvolgende dagen bij dezelfde werkgever in dienst genomen wordt en voor deze tewerkstelling verbonden is met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of met een arbeidsovereenkomst gesloten voor een duidelijk omschreven werk. De sociale bijdragen voor de extra worden bovendien berekend op basis van een uur-of dagforfait.

Bedrijfsleiders - Regels voor de periodieke bezoldigingen (punten 3.1 tot 3.6)

Behoudens enkele aanpassingen wordt de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen vastgesteld volgens de regels inzake maandelijkse bezoldigingen van werknemers (zie punt 2.2 en volgende).

Voor de schalen van de bedrijfsvoorheffing moeten de bedragen worden gebruikt die in kolom 3 zijn opgenomen.

Bedrijfsleiders - Bijzondere regels (punten 3.7 en 3.8)

Bijlage III vermeldt twee situaties.

De periodieke bezoldigingen worden anders dan per maand betaald (punt 3.7)

De periodieke bezoldiging die anders dan per maand wordt betaald, wordt berekend ten aanzien van de referentiemaandbezoldiging. De bedrijfsvoorheffing die wordt berekend op deze maandbezoldiging wordt gedeeld door 20 en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal werkdagen van het tijdperk waarop de bezoldiging betrekking heeft[1].

De niet periodieke bezoldiging (punt 3.8)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan twaalf maal het verschil tussen:



[1] Punt 3.3 en 3.6 van bijlage III.

Pensioenen of renten die maandelijks worden betaald of toegekend (punten 4.1 tot 4.4)

De bedrijfsvoorheffing die van toepassing is op deze maandelijks betaalde inkomsten wordt vastgesteld op basis van dezelfde regeling als voor de maandelijkse bezoldigingen (punten 2.2 tot 2.8) met uitzondering van de specifieke aspecten die verband houden met de pensioenen.

De schalen van de bedrijfsvoorheffing zijn dezelfde als die van de maandelijkse bezoldigingen, met dien verstande dat de 4de kolom van die schalen van toepassing is.

Pensioenen of renten - De bijzondere regels (punten 4.5 tot 4.11)

Betaling van de pensioenen volgens een andere dan maandelijkse frequentie (punt 4.5)

De bedrijfsvoorheffing wordt verkregen door 1/30 te nemen van het product verkregen door vermenigvuldiging van de bedrijfsvoorheffing voor dit maandelijks pensioen of die maandelijkse rente met het aantal dagen van het tijdperk waarop het pensioen of de rente betrekking heeft.

Achterstallen van pensioenen of renten (punt 4.6)

Behoudens enkele aanpassingen zijn de regels van toepassing die gelden voor de achterstallen van bezoldigingen (punt 2.10, A.), zonder mogelijkheid tot vrijstelling of vermindering.

Vakantiegelden op pensioenen of renten (punt 4.7)

De bedrijfsvoorheffing op vakantiegeld toegekend aan personen die een rust- of overlevingspensioen verkrijgen ten laste van het pensioenstelsel voor loontrekkenden is gelijk aan een percentage, dat varieert van 0 tot 37% van dat vakantiegeld, naargelang van het totaal van het belastbare maandbedrag van het pensioen.

Pensioenen en renten niet verleend in het kader van het pensioensparen, noch ter uitvoering van een wettelijk of reglementair statuut (punt 4.8)

Wat is dit?

Het betreft de rust- of overlevingspensioenen of -renten die worden toegekend:

Het gaat ook om ouderdoms- en weduwrenten die verzekeringsinstellingen verlenen als tegenwaarde van stortingen die vrij zijn verricht in het kader van de wetgeving betreffende het bediendenpensioen.

Vaststelling van de bedrijfsvoorheffing - Variabele percentages

De bedrijfsvoorheffing die op deze extralegale pensioenen en renten is verschuldigd, is gelijk aan een percentage dat varieert van 0 tot 37,35% van dat pensioen of die rente, naargelang van het totaal van het belastbare maandbedrag van het pensioen of de rente.

Er wordt geen bedrijfsvoorheffing ingehouden wanneer op het pensioen een taks op het langetermijnsparen werd ingehouden of wanneer het jaarbedrag te laag is.

Toelagen of renten verleend naar aanleiding van een ongeval, een ziekte of een invaliditeit (punt 4.9)

Wat is dit?

Het betreft toelagen of renten die:

en die worden verleend naar aanleiding van een ongeval, een ziekte, een invaliditeit of andere soortgelijke gebeurtenissen.

De toelage of rente wordt betaald door de werkgever (of door diens tussenkomst)

De bedrijfsvoorheffing wordt berekend als op een exceptionele vergoeding (punt 2.9)[1] (zonder vermindering).

De toelage of rente wordt betaald zonder tussenkomst van de werkgever, door een verzekeringsinstelling of een andere derde (andere instelling of tussenpersoon)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan

Er is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd wanneer de bruto jaarbezoldiging laag is.

Kapitalen en afkoopwaarden niet verleend in het kader van het pensioensparen (punt 4.10)

Zonder in detail in te gaan op deze heel complexe materie, wijzen we erop dat er verschillende regelingen van bedrijfsvoorheffing gelden naargelang van de bijzondere taxaties die van toepassing zijn.

Kapitalen en afkoopwaarden omgezet in de vorm van lijfrente (punt 4.10, A)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 11,11% (zonder vermindering) van deze lijfrente[2].

Kapitalen en afkoopwaarden die afzonderlijk worden belast tegen het tarief van 10% (punt 4.10, B)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 10,09% (zonder vermindering)[3] van dit kapitaal of die waarde.

Kapitalen en afkoopwaarden die afzonderlijk worden belast tegen het tarief van 16,66%, 18,17% of 20,19% (punt 4.10, C)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan [4]:

Kapitalen en afkoopwaarden die afzonderlijk worden belast tegen het tarief van 33% en deze die nergens anders worden bedoeld (punt 4.10, D)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 33,31% (zonder vermindering) van dat kapitaal of die waarde[5].

Uitzondering

Er is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd wanneer het kapitaal, de afkoopwaarde of het kapitaal geldend als renten of pensioenen werd belast met een specifieke taks op het langetermijnsparen die niet wordt geregeld door het WIB 92.

Pensioensparen (punt 4.11)

Pensioenen en renten van een spaarverzekering (punt 4.11, A)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan een variabel percentage (van 11,11% tot 21,20%, zonder vermindering) van het totaalbedrag van het pensioen of de rente, naargelang van het jaarbedrag van dit pensioen of die rente.

Spaartegoeden van spaarrekeningen en kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen die afzonderlijk worden belast tegen het tarief van 8% (punt 4.11, B)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 8,08% (zonder vermindering).

Spaartegoeden van spaarrekeningen en kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen die afzonderlijk worden belast tegen het tarief van 16,5% (punt 4.11, C)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 16,66% (zonder vermindering).  Die bedrijfsvoorheffing is ook van toepassing op het derde leeftijd sparen.

Spaartegoeden van spaarrekeningen en kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen die afzonderlijk worden belast tegen het tarief van 33% en deze die nergens anders worden bedoeld (punt 4.11, D)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 33,31% (zonder vermindering).

Uitzondering

Er is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd wanneer het spaartegoed, de kapitalen en afkoopwaarden van spaarverzekeringen werden belast met een specifieke taks op het langetermijnsparen die niet wordt geregeld door het WIB 92.

 



[1] In dat geval wordt het percentage van de bedrijfsvoorheffing vastgesteld op basis van het jaartotaal van de normale brutobezoldigingen die als berekeningsgrondslag voor de toelagen of renten hebben gediend.

[2] Artikel 169, § 1 van het WIB 92.

[3] Artikel 171,2°, b en d van het WIB 92.

[4] Artikel 171,4°, f tot h van het WIB 92.

[5] Artikel 171,1°, d, f of h van het WIB 92.

Regels van toepassing op de inkomsten van niet-inwoners (punten 5.1 tot 5.28)

Bezoldigingen van werknemers die geen inwoner zijn en ermee gelijkgestelden (punten 5.1 tot 5.11)

Schematisch gesteld gaat het om dezelfde regelingen als voor de bezoldigingen van werknemers die inwoner zijn.

Voor de maandelijkse bezoldigingen wordt schaal III van de bedrijfsvoorheffing gebruikt (schalen I en II zijn van toepassing op inwoners).

De redenen voor vermindering van de bedrijfsvoorheffing zijn beperkt tot:

Werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag van niet-inwoners (punten 5.12 tot 5.15)

Het betreft de bedrijfsvoorheffing die wordt berekend op de werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag die wordt toegekend in het kader van een regeling die in overeenstemming is met de richtlijnen van de CAO nr. 17.

Maandelijkse vergoedingen (punt 5.14)

De bedrijfsvoorheffing op deze vergoedingen wordt vastgesteld door toepassing van de regels voor de maandelijkse vergoedingen die aan niet-inwoners worden betaald (punten 5.1 tot 5.4).

Vergoedingen die anders dan per maand worden toegekend (punt 5.15)

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 1/30 van het product van de vermenigvuldiging van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat zou verschuldigd zijn op het overeenstemmende maandelijkse totaalbedrag van de werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag, met het aantal dagen van het tijdperk waarop de werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag betrekking heeft.

Bezoldigingen van bedrijfsleiders die niet-inwoner zijn (punten 5.16 tot 5.22)

Voor de vaststelling van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen geldt, mits enkele aanpassingen, hetzelfde schema als voor de bezoldigingen die worden toegekend aan bedrijfsleiders die inwoner zijn (punten 3.3 tot 3.8).

Onderhoudsuitkeringen en kapitalen betaald aan niet-inwoners (punten 5.23 tot 5.24)

Een percentage van bedrijfsvoorheffing van 26,75% (zonder vermindering) is verschuldigd op 80% van deze renten of kapitalen die rijksinwoners aan niet-rijksinwoners betalen.

(Diverse) inkomsten vermeld in artikel 87,5° a tot c en e van het KB/WIB 92 toegekend aan niet-inwoners (punt 5.25)

Op de occasionele winsten en baten die worden ontvangen door niet-inwoners wordt een bedrijfsvoorheffing ingehouden die, naargelang van het type van inkomsten, gelijk is aan:

Inkomsten van podiumkunstenaars die geen inwoner zijn (punt 5.26)

De bedrijfsvoorheffing op de inkomsten van een activiteit die persoonlijk in België wordt uitgeoefend door podiumkunstenaars is uniform vastgesteld op 18% van het nettobedrag.  

Dat nettobedrag is gelijk aan het brutobedrag na aftrek van een forfaitair bedrag voor kosten dat wordt vastgesteld naargelang van de aard en de duur van de prestaties waarvan de totale duur niet hoger mag zijn dan 10 dagen per kunstenaar en per jaar[1].

Winsten en baten van niet-inwonende vennoten of leden van burgerlijke vennootschappen of van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 229, § 3, van het WIB 92 (punt 5.27)

Er is bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de winsten en de baten die worden betaald aan niet-inwonende vennoten of leden van burgerlijke vennootschappen of van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid[2].

De bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de volgende regels:

Bepaalde meerwaarden op onroerende goederen, verwezenlijkt door niet-inwoners in het kader van hun beroepswerkzaamheid (punt 5.28)

Naargelang de meerwaarden worden verwezenlijkt door een niet-inwoner die natuurlijk persoon of rechtspersoon is[4], verwijzen we naar het bovenvermelde onderscheid voor de vaststelling van de bedrijfsvoorheffing (punt 5.27). 

Een bijzondere voorheffing geldt wanneer:

 


[1] De forfaitaire dagkosten bedragen 400 euro voor de eerste dag en 100 euro voor de volgende dagen.

[2] In de zin van artikel 227,1° van het WIB 92.

[3] In de zin van artikel 227,2° van het WIB 92.

[4] In de zin van artikel 87,8° van het KB/WIB 92.

[5] Punt 5.28 B bijlage III KB/WIB.

 

Wat zijn de verschillende categorieën van sportbeoefenaars? (punt 6.1)

Sportbeoefenaars die inwoners zijn (Rijksinwoners)

"Jonge" sportbeoefenaars

Het gaat om bezoldigingen van sportbeoefenaars die op 1 januari 2021 de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en jonger zijn dan 26 jaar (zie punt 6.2 ‘bezoldigingen van jonge sportbeoefenaars’).

Sportbeoefenaars als nevenactiviteit

Dat zijn de sportbeoefenaars die 26 jaar en ouder zijn, de scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders. Deze regeling is van toepassing op voorwaarde dat de inkomsten uit sport die deze verkrijgers ontvangen bijkomstige inkomsten zijn, d.w.z. dat ze minder hoog zijn dan de inkomsten uit een andere beroepsactiviteit (zie punt 6.3 ‘inkomsten van sportbeoefenaars als nevenactiviteit’).

De andere sportbeoefenaars die inwoners zijn

Dit is de restcategorie, m.a.w. de andere sportbeoefenaars die inwoner zijn die niet binnen één van de 2 bovenvermelde categorieën vallen (zie punten 2.1 tot 2.24: de bezoldigingen van werknemers (inwoners) en de ermee gelijkgestelde inkomsten).

Sportbeoefenaars (in strikte zin) die geen inwoner zijn

Sportbeoefenaars die in geen inwoner zijn die in België een sportactiviteit uitoefenen gedurende maximaal 30 dagen

De beroepsinkomsten die worden ontvangen door sportbeoefenaars die geen inwoner zijn voor de sportactiviteit die ze persoonlijk uitoefenen in België gedurende maximaal 30 dagen berekend op een periode van 12 opeenvolgende maanden en per schuldenaar van inkomsten (zie punt 5.26).

Sportbeoefenaars die geen inwoner zijn die in België een sportactiviteit uitoefenen gedurende meer dan 30 dagen

Voor de bezoldigingen[1] die betaald worden aan jonge sportbeoefenaars wordt de bedrijfsvoorheffing berekend volgens punt 6.2.

Voor de inkomsten[2] die betaald worden aan sportbeoefenaars die ouder zijn dan 26 jaar die beroepsinkomsten ontvangen waarvan het belastbaar bedrag hoger is dan het bedrag dat ze in het kader van hun sportactiviteiten ontvangen, wordt de bedrijfsvoorheffing berekend volgens punt 6.3.

Sportbeoefenaars van wie de inkomsten van een persoonlijk uitgeoefende sportactiviteit worden toegekend aan een andere persoon

De bedrijfsvoorheffing op dergelijke inkomsten wordt bepaald volgens punt 5.26 (‘inkomsten van podiumkunstenaars die geen inwoner zijn’).

Andere sportbeoefenaars die geen inwoner zijn

Voor de inkomsten van sportbeoefenaars die niet worden beoogd in de bovenvermelde situaties wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld:

Scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders die geen inwoner zijn

De inkomsten[3] uit sportactiviteiten zijn bijkomstige inkomsten

De bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens punt 6.3.

De inkomsten[4] uit sportactiviteiten zijn hoofdinkomsten

In dat geval wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt:

 


[1] In de zin van het artikel 30 1° WIB 1992.

[2] Behalve de bezoldigingen van bedrijfsleider.

[3] idem.

[4] Idem.

 

Regels van toepassing op de bezoldigingen betaald aan jonge sportbeoefenaars (punt 6.2)

Er moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het maandinkomen al dan niet hoger is dan 1.710 euro.

Het maandinkomen is niet hoger dan 710 euro

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 16,66% (zonder vermindering).

Het maandinkomen is hoger dan 710 euro

Op de (eerste) schijf van 1.710 euro

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 284,88 euro.

Op het verschil tussen het maandinkomen en 1.710 euro

De bedrijfsvoorheffing op het saldo van het inkomen wordt als volgt vastgesteld:

Het verschil tussen het bedrag van het inkomen en 1.710 euro wordt afgerond op het lagere veelvoud van 15 euro.

Op dat bedrag wordt een bedrijfsvoorheffing toegepast volgens:

De totale bedrijfsvoorheffing wordt verkregen door het vaste bedrag en het variabele deel op te tellen.

 

Beroepsinkomsten van sportbeoefenaars als nevenactiviteit (punt 6.3)

De volgende bepalingen zijn van toepassing op de bezoldigingen[1] van inwoners en de beroepsinkomsten van niet-inwoners op voorwaarde dat:

De bedrijfsvoorheffing wordt als volgt berekend:

Het maandinkomen is niet hoger dan 710 euro

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 33,31% (zonder vermindering).

Het maandinkomen is hoger dan 710 euro

Op de (eerste) schijf van 1.710  euro

De bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 569,60 euro.

Op het verschil tussen het maandinkomen en 1.710 euro

De bedrijfsvoorheffing op het saldo van het inkomen wordt als volgt vastgesteld:

Het verschil tussen het bedrag van het inkomen en 1.710 euro wordt afgerond op het lagere veelvoud van 15 euro.

Op dat bedrag wordt een bedrijfsvoorheffing toegepast volgens:

De totale bedrijfsvoorheffing wordt verkregen door het vaste bedrag en het variabele deel op te tellen.

 


[1] Zoals bedoeld in art. 30, 1° WIB voor werknemers.

 

Presentiegelden (punt 7.1)

Over welke personen gaat het?

De verkrijgers van deze presentiegelden zijn de leden:

Vaststelling van de bedrijfsvoorheffing

Deze presentiegelden worden voor hun brutobedrag aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen de bedrijfsvoorheffing volgens de regels die van toepassing zijn op de toevallig of periodiek en bijkomstig betaalde vergoedingen en toelagen (punt 2.17).

 

 

Prijzen, subsidies, renten of pensioenen toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars (punten 7.2 tot 7.3)

Bedrijfsvoorheffing

Wanneer prijzen, subsidies, renten of pensioenen[1] door Belgische of buitenlandse openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerk in België worden toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, is een bedrijfsvoorheffing verschuldigd die gelijk is aan:

Vrijstelling

Er is een vrijstelling van bedrijfsvoorheffing op de eerste schijf van 4.170 euro (inkomsten 2021) voor de prijzen en de gedurende 2 jaren betaalde of toegekende subsidies.

 


[1] Ondanks deze inhouding van bedrijfsvoorheffing, worden deze inkomsten beschouwd als diverse inkomsten in de zin van artikel 90, 2° van WIB 92.

 

Persoonlijke vergoedingen toegekend aan onderzoekers voor de commercialisering van een uitvinding (punt 7.4)

Het betreft een vergoeding die wordt toegekend aan een onderzoeker die inwoner of niet-inwoner is, als tegenprestatie voor zijn bijdrage aan een commercieel uitgebate uitvinding[1].

Een bedrijfsvoorheffing van 33,31% is verschuldigd op het nettobedrag van de vergoeding.



[1] Het betreft een recente categorie van diverse inkomsten in de zin van artikel 90,12° (inwoner) en 228, § 2, 9°, k (niet-inwoner) van het WIB 92.

Fiscaal voluntariaat (punten 8.1 tot 8.2)

Alle regels hierboven gelden voor het vaststellen van het ‘wettelijk’ bedrag van de bedrijfsvoorheffing. Bepaalde verkrijgers van inkomsten wensen echter dat een bijkomend bedrag bovenop het bedrag dat voorkomt in bijlage III wordt ingehouden door de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing.

Dat wordt fiscaal volontariaat genoemd.

Enkele bepalingen van bijlage III organiseren de manier waarop een schuldenaar van bedrijfsvoorheffing een bijkomend bedrag aan bedrijfsvoorheffing kan inhouden op de inkomsten die in bijlage III zijn opgenomen. Deze regeling wordt uitsluitend toegepast op initiatief van de verkrijger van de inkomsten en moet vooraf door hem worden aangevraagd.