E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Stage/Leertijd

Alternerende opleiding

Alternerende opleiding > Stageovereenkomst in het kader van een ondernemerschapstraject (stagiairs ondernemingshoofd)

Welke wetgeving toepassen?

De toepasselijke regionale reglementering wordt door de ligging van de exploitatiezetel van de onderneming bepaald.  De maatschappelijke zetel speelt hier geen enkele rol.

De reglementering die in deze fiche besproken wordt, is van toepassing indien de exploitatiezetel van de onderneming in de Vlaamse Gemeenschap (Vlaanderen of Brussel) gevestigd is. Het maakt dus niet uit of de maatschappelijke zetel van de onderneming daar gevestigd is.

Lees onze andere fiche indien de exploitatiezetel zich in het Waalse Gewest bevindt.

Waarom een stageovereenkomst ?

Het ondernemersschapstraject

Het ondernemerschapstraject is een traject dat afgestemd is op een sectoraal beroepscompetentieprofiel, een generiek ondernemersprofiel of regelgeving. Het omvat competentieversterkende acties en activiteiten die naar zelfstandig ondernemerschap leiden, waarin een uitstroom als kmo-medewerker mogelijk is.  Het ondernemerschapstraject omvat een theoretische vorming, in een opleidingscentrum van Syntra[1], en een praktische vorming.  Voor het voltooien van deze praktische vorming kan de stageovereenkomst dienst doen[2].

VLAIO Netwerk

De bevoegdheden rond ondernemerschapsopleidingen werden overgezet naar het Vlaams Agentschap Innoveren & Ondernemen. Het ‘VLAIO Netwerk’ zet ondernemerschapstrajecten en bijscholingen voor ondernemers in de markt en sluit beheersovereenkomsten met de Syntra-vzw’s af.

De stageovereenkomst

De stageovereenkomst is een overeenkomst voor bepaalde duur waarbij een ondernemingshoofd zich ertoe verbindt aan de stagiair een beroepstechnische opleiding te geven of te laten geven.  De stagiair verbindt zich ertoe de techniek van een beroep aan te leren onder de leiding en het toezicht van een ondernemingshoofd, en de nodige cursussen over beroepskennis van de theoretische vorming te volgen in een centrum[3].

Deze stageovereenkomst laat de jongere die zijn leerplicht volbracht heeft dus toe een opleiding te volgen die voorbereidt op de uitoefening van een leidinggevende functie in een KMO of op de uitoefening van een zelfstandig beroep. Met andere woorden, de stagiair, meestal stagiair-ondernemingshoofd genoemd, leert om zijn eigen onderneming op te richten en op een efficiënte manier te leiden door de technieken van het beroep onder de knie te krijgen, en dit onder toezicht van een ervaren werknemer of van het ondernemingshoofd zelf.

De stageovereenkomst wordt gesloten door de werkgever en de stagiair, onder toezicht van een Syntra vzw[4]. In Vlaanderen zijn er 5 van dergelijke vzw’s: Syntra West, Syntra Midden-Vlaanderen, Syntra Antwerpen & Vlaams-Brabant, Syntra Brussel en Syntra PXL.

 


[1] Hoewel Syntra Vlaanderen werd opgeheven, blijven de Syntra-opleidingscentra bestaan.

[2] De praktische vorming gebeurt immers door een praktijkervaring, een praktijkstage of een aanvullende praktijkopleiding.

[3] Voor cursisten-stagiairs die kiezen voor een ondernemerschapstraject waarvoor geen cursus over beroepskennis wordt georganiseerd, kan na grondig onderzoek een individueel opleidingsplan opgesteld worden. Die cursisten-stagiairs moeten de examens van de cursussen over beroepskennis afleggen.

[4] Vanaf 2021 wordt de overeenkomst dus niet meer onder het toezicht van een trajectbegeleider van Syntra Vlaanderen gesloten. Syntra Vlaanderen werd opgeheven, maar de Syntra’s zelf blijven bestaan.

 

Voor welke stagiair?

Aangezien een ondernemerschapstraject zowel een theoretische vorming, als een praktische vorming omvat, moet de stagiair zowel aan de voorwaarden voor inschrijving in de theoretische vorming voldoen als aan de voorwaarden om een stageovereenkomst te kunnen sluiten.

Voorwaarden voor de theoretische vorming

Om zich te kunnen inschrijven voor de theoretische vorming moet de stagiair:

Om tot de lessen beroepskennis toegelaten te worden, moet de stagiair:

Bovendien kunnen de stagiairs die geslaagd zijn voor de examens, zich gedurende een termijn van 5 cursusjaren niet opnieuw inschrijven voor de cursussen van de theoretische vorming waarvoor ze geslaagd zijn.

Voorwaarden voor de stageovereenkomst

Om een stageovereenkomst te mogen sluiten, moet de stagiair:

Zijn uitdrukkelijk uitgesloten:

 

In welke onderneming?

De stage kan enkel plaatsvinden op een erkende opleidingsplaats. Om een dergelijke erkenning te krijgen, moet aan onderstaande voorwaarden worden voldaan.

Opleidingsplaats

De opleidingsplaats moet op vlak van de organisatie en de bedrijfsuitrusting voldoen aan de vereisten om de stage van een stagiair mogelijk te maken overeenkomstig het opleidingsprogramma in het gekozen zelfstandig beroep.

Monitor

De monitor is ofwel het ondernemingshoofd[1] ofwel een door het hoofd aangeduide werknemer. Deze laatste neemt de begeleiding en de opleiding van de stagiair waar onder de verantwoordelijkheid van het ondernemingshoofd en conform de richtlijnen van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.

Behoudens afwijkingen moet de monitor:

 


[1] Wanneer de onderneming een rechtspersoon is het ondernemingshoofd de natuurlijke persoon die belast is met het daadwerkelijke beheer van de onderneming en gemachtigd om haar te vertegenwoordigen.

[2] Deze leeftijd wordt op 23 jaar gebracht indien hij houder is van een diploma van een ondernemingstraject of een bewijs van bijzondere bekwaamheid voorlegt.

[3] Als het ondernemingshoofd het bewijs levert van een vooropleiding kan het Vlaams Partnerschap na onderzoek afwijken van de vereiste inzake praktijkervaring.

[4] Dit laatste geldt niet voor de werknemer die door het ondernemingshoofd als monitor aangeduid wordt. In dat geval moet de onderneming wel 2 jaar bestaan.  Hiervan kan door het Vlaams Partnerschap na onderzoek afgeweken worden.

 

Wat is de rol van de Syntra vzw?

De Syntra vzw is de tussenpersoon tussen de leerling en het ondernemingshoofd. Hij controleert de goede uitvoering van de overeenkomst en behandelt elke moeilijkheid die in dat kader zou kunnen ontstaan. 

 

Welke stageovereenkomst sluiten?

Standaardovereenkomst met opleidingsprogramma

De stageovereenkomst wordt schriftelijk gesloten tussen het ondernemingshoofd en de stagiair, door bemiddeling van de Syntra vzw. Het opleidingsprogramma van het beroep, dat preciseert welke lessen gevolgd moeten worden, wordt als bijlage bij de overeenkomst gevoegd. Elk van de contracterende partijen ontvangt er een exemplaar van.

Duur van de overeenkomst

Voorheen bedroeg de stageovereenkomst steeds minimaal 3 maanden. Nu kan deze overeenkomst uitzonderlijk ook voor kortere periodes worden gesloten.

De stageovereenkomst kan worden verlengd door de Syntra vzw indien:

De stageovereenkomst moet uiterlijk op de begindatum van de praktijkstage worden gesloten. De stagiairs moeten uiterlijk op de 6de cursusdag de cursussen over theoretische vorming volgen.

Ze eindigt ten laatste bij de beëindiging van het ondernemerschapstraject. Het is dus een overeenkomst voor bepaalde duur.

Werkrooster

Het werkrooster (uren theoretische opleiding en uren in de onderneming) mag de maximumgrens, zoals vastgesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst niet overschrijden. Wanneer er geen dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst gesloten werd, gaat het om de maximumgrens vastgelegd in de arbeidswetgeving. 

De stageovereenkomst kan voltijds of deeltijds zijn. De deeltijdse overeenkomst moet twee vijfde, drie vijfde of vier vijfde van een voltijdse stageovereenkomst omvatten.

Proefperiode

De stageovereenkomst moet een proeftijd bevatten van minstens 1 en maximum 3 maanden. Wanneer de stageovereenkomst tijdens de proeftijd geschorst wordt, wordt de proefperiode met de duur van de schorsing verlengd.

 

Hoeveel bedraagt de stagevergoeding?

Principe

De stagiair ontvangt een stagevergoeding waarvan het bedrag varieert naargelang het stagejaar.  De betreffende bedragen vindt u in onze sociolist in de rubriek Sociaal/Sleutelbedragen. Voor de deeltijdse stagiairs moet de stagevergoeding minimaal gelijk zijn aan 2/5, 3/5 of 4/5 van het voltijds bedrag, afhankelijk van het deeltijds uurrooster.

Deze stagevergoeding is onderworpen aan de bepalingen van de loonbeschermingswet.

Opgelet! Om nog rechtgevend te zijn op kinderbijslag mag een stagiair niet meer verdienen dan de kinderbijslaggrens. De voltijdse stagevergoedingen liggen hoger dan deze kinderbijslaggrens.

Tijdsaanpassing van de vergoeding

De vergoeding wordt aangepast:

Sociale en fiscale behandeling

Voor de sociale en fiscale behandeling van de leervergoeding verwijzen we u naar de fiche "Jongeren in opleiding - Algemene principes" en meer bepaald naar de vragen:

Verplaatsingskosten

De werkgever is verplicht tussen te komen in de verplaatsingskosten van de stagiair voor de trajecten naar de onderneming, en dit volgens de geldende wettelijke bepalingen.

Wat zijn de verplichtingen van de werkgever?

Het ondernemingshoofd moet zich schikken naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen inzonderheid inzake voorzieningen van sociale zekerheid, inzake arbeidswetgeving en verzekeringen, die opgelegd zijn aan het ondernemingshoofd dat een erkende stageovereenkomst heeft ondertekend.

Dimona en verplichte aansluitingen

De werkgever moet een Dimona verrichten (OTH indien de stagiair onderworpen is, STG indien niet[1] [2]) en de stagiair een arbeidsreglement overhandigen.  Hij moet zich eveneens bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk aansluiten.

De werkgever is verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan die zowel de uren van opleiding in de onderneming dekt als de uren theoretische vorming, evaluaties en examens en eveneens een verzekering die de arbeidswegongevallen dekt die plaatsvinden tussen de woonplaats en de werkplaats of opleidingscentrum en omgekeerd en tussen de onderneming en de werkplaats en omgekeerd.

Bijzondere verplichtingen

Daarenboven is de werkgever verplicht:

 


[1] Voor meer informatie over de onderwerping van stagiairs, raadpleeg onze fiche Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut.

[2] Indien het een onderworpen stagiair betreft in de bouwsector, dient een Dimona RTA te worden verricht.

 

Wat zijn de verplichtingen van de stagiair?

De stagiair is verplicht:

Wanneer de stagiair in de uitvoering van zijn stageovereenkomst schade berokkend heeft aan het ondernemingshoofd of aan derden, is hij enkel aansprakelijk voor bedrog, zware fout of lichte fout die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

De stagiair is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatig gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallig verlies ervan. Is het werk eenmaal in ontvangst genomen dan is de stagiair niet meer aansprakelijk voor het gebrekkige werk.

 

Kan de stageovereenkomst geschorst worden?

De stageovereenkomst wordt geschorst in alle gevallen waarin ook de arbeidsovereenkomst van een gewone werknemer geschorst wordt, zoals klein verlet, ziekte, moederschapsrust,... Voor de schorsing wegens jaarlijkse vakantie verwijzen we u naar de volgende vraag. 

Schorsing tijdens de proefperiode

Bij schorsing van de stageovereenkomst tijdens de proefperiode wordt de proefperiode verlengd met een periode die gelijk is aan de duur van de schorsing.

Behoudt de stagiair zijn stagevergoeding tijdens de schorsing?

Tijdens een periode van schorsing behoudt de stagiair het recht op zijn stagevergoeding tijdens de eerste 30 dagen

Deze regel geldt echter niet in de gevallen waarin een gewone werknemer ook geen recht heeft op gewaarborgd loon, zoals in geval van tijdelijke werkloosheid wegens slecht weer of gebrek aan werk of in geval van verlof om dwingende redenen. 

In geval van tijdelijke werkloosheid (wegens economische oorzaken, slecht weer of technische stoornis) ontvangt de stagiair overbruggingsuitkeringen van de RVA[1] (meer informatie hierover vindt u in onze fiche "Jongeren in opleiding - Eenvormig socialezekerheidsstatuut").

Uitzondering 1: zwangerschapsverlof

Hoewel een gewone werknemer geen recht heeft op gewaarborgd loon tijdens een periode van zwangerschapsverlof, zal de werkgever in dit geval toch de gewaarborgde stagevergoeding (gedurende de eerste 30 dagen van het zwangerschapsverlof) aan de stagiair verschuldigd zijn, indien:

Uitzondering 2: arbeidsongeval of beroepsziekte

De stagiair zal geen recht hebben op een gewaarborgde stagevergoeding in geval van arbeidsongeschiktheid wegens beroepsziekte of arbeidsongeval

De stagiair heeft in dit geval recht op een vergoeding van de arbeidsongevallenverzekering of van het fonds voor beroepsziekten en de werkgever gaat de eerste betalingen dus niet moeten voorschieten, wat hij voor zijn gewone werknemers wel moet doen.

Wat bij langdurige schorsing?

Als de uitvoering van de stageovereenkomst meer dan een maand geschorst wordt, moet het ondernemingshoofd zo snel mogelijk en uiterlijk 7 kalenderdagen na het verstrijken van de maand, de Syntra vzw schriftelijk op de hoogte brengen.

Het ondernemingshoofd moet de Syntra vzw nadien ook schriftelijk informeren over de hervatting van de stage. Ook deze mededeling moet zo snel mogelijk en uiterlijk 7 kalenderdagen na de hervatting gebeuren.

Opmerking: in geval van langdurige schorsing kan de duur van de stageovereenkomst aangepast worden.

 


[1] De stagiair moet wel al zijn inhaalrust opgebruikt hebben en tussen 2 schorsingsperiodes moet steeds minstens een week normale arbeid zitten.

 

Heeft de stagiair recht op vakantie?

Het ondernemingshoofd moet ten aanzien van de stagiair de wetgeving op de jaarlijkse vakantie naleven. De stagiair heeft dus recht op jaarlijkse vakantie op grond van de prestaties die hij in de loop van het voorgaande jaar verricht heeft.

Als de stagiair tijdens een bepaald jaar wettelijk geen of slechts gedeeltelijk recht op vakantie heeft, moet het ondernemingshoofd een niet-betaalde vakantie verlenen, op te nemen zoals de wettelijke vakantie. De periode van betaalde en niet-betaalde vakantie samen bedraagt ten minste 24 dagen voor 12 maanden uitvoering van de stageovereenkomst tijdens het lopende kalenderjaar.

Bovendien moet het ondernemingshoofd aan de stagiair met een voltijdse stageovereenkomst een niet-betaalde vakantiedag toekennen per volledige kalendermaand van de uitvoering van de stageovereenkomst in zijn onderneming. Alle periodes van schorsing worden gelijkgesteld met de uitvoering van de stageovereenkomst. Deze vakantiedagen zijn niet overdraagbaar naar een andere onderneming of naar een volgend kalenderjaar.

Wanneer eindigt de stageovereenkomst?

De stageovereenkomst eindigt:

Het is niet mogelijk om de stageovereenkomst omwille van een dringende reden in hoofde van één van de partijen te verbreken.

Bij de beëindiging van de stageovereenkomst wordt de Syntra vzw hiervan op de hoogte gebracht.

Wanneer de werkgever de overeenkomst op onregelmatige wijze beëindigt, is hij verplicht een vergoeding te betalen die overeenstemt met een stagevergoeding van één maand. De wettekst voorziet echter niet in een vergoeding indien de stagiair het contract op onregelmatige wijze verbreekt.  De werkgever die zich geschaad acht, zal een schadevergoeding op burgerlijk vlak moeten eisen.

 


[1] Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn als één van de partijen de verplichtingen niet meer naleeft, de voorwaarden voor erkenning niet meer nageleefd zijn of indien de stagiair gedurende 3 opeenvolgende cursusdagen ongewettigd afwezig is.

[2] Deze reden moet schriftelijk aan de leertrajectbegeleider meegedeeld worden.  Deze heeft dan maximaal 3 weken om een verzoening tussen de partijen tot stand te proberen brengen. Deze termijn neemt een aanvang vanaf de ontvangst van de schriftelijke melding.  Een schorsing van de overeenkomst tijdens de verzoeningstermijn schorst deze termijn niet. Tijdens deze verzoeningstermijn moeten de partijen de overeenkomst voortzetten.  Indien een verzoening niet lukt, oordeelt het Vlaams Partnerschap of een verbreking gewettigd is. Als dit het geval is, heft ze de erkenning van de stageovereenkomst op.

[3] De stagiair dient hiervan het bewijs te leveren bij de leertrajectbegeleider.

 

Overzichtstabel

 

Leeftijd van
de stagiair

Aan de leerplicht voldaan hebben

Stageovereenkomst

  • typecontract Syntra vzw
  • tussen werkgever, leerling en Syntra vzw
  • duur: minimum 3 maanden (kan uitzonderlijk korter)
  • proef: 1 tot 3 maanden

Vergoeding

  • forfaitair bedrag
  • indexatie: 01/01
  • verhoging: 01/07
  • verplaatsingskosten

Sociale behandeling
van de vergoeding

Tot 31/12 van het jaar waarin de jongere 18 wordt: gedeeltelijke onderwerping

Vanaf 01/01 van het jaar waarin de jongere 19 wordt: volledige onderwerping

+ recht op structurele vermindering en eventueel doelgroepvermindering

Verplichtingen
van de werkgever

  • Dimona (OTH indien de stagiair onderworpen is[1], STG indien niet)
  • arbeidsreglement
  • aansluiting EDPBW
  • arbeidsongevallenverzekering
  • betaling van de stagevergoeding (en andere verplichtingen die het gevolg zijn van de stageovereenkomst)

Schorsingen van
de overeenkomst

Behoud van de vergoeding gedurende 30 dagen indien:

  • arbeidsongeschiktheid
  • zwangerschapsverlof

Recht op jaarlijkse vakantie in functie van de prestaties van het jaar voordien + onbetaalde aanvulling tot 24 dagen

Recht op 1 niet-betaalde vakantiedag per volledige kalendermaand van de uitvoering van de stageovereenkomst

Meest voorkomende beëindigingsgronden

  • proef (opzeg 7 dagen)
  • belemmering van het goed verloop (akkoord van Syntra vzw)
  • ontslag door werknemer

Altijd contact opnemen met de Syntra vzw

 


[1] In de bouwsector is dit een Dimona RTA.

 

Wat is de belangrijkste wettelijke referentie?

 

Lees eerst even dit…

In deze fiche bespreken we de bepalingen die eigen zijn aan de stageovereenkomst in het kader van een ondernemerschapstraject in de Vlaamse Gemeenschap[1]. Voor de algemene regels die van toepassing zijn op alle opleidingsovereenkomsten verwijzen we u naar de fiche “Jongeren in opleiding - Algemene principes” In die fiche vindt u het antwoord op de volgende vragen:

U kan daarnaast ook de fiche “Jongeren in opleiding - Overzichten” raadplegen.  In die fiche vindt u voor elk statuut een bondige uitleg en een overzichtstabel van de belangrijkste bepalingen.

Sinds 1 juli 2015 hebben de leerlingen in alternerende opleiding een eenvormig socialezekerheidsstatuut.  U vindt de uitleg hierover in onze fiche "Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut". De stageovereenkomsten die sinds 1 juli 2015 gesloten worden, beantwoorden aan de definitie van de alternerende opleiding.

 


[1] In principe kan men enkel een stageovereenkomst sluiten indien men in een Syntra-lesplaats les volgt.

Alternerende opleiding > Premie voor jongere in alternerende opleiding en mentorpremie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Lees eerst even dit

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest had in het kader van de hervorming van de tewerkstellingssteun die op 1 oktober 2017 in werking is getreden de invoering van premies aangekondigd om alternerende opleidingen aan te moedigen.

De premies ‘mentor' en ‘jongere in alternerende opleiding' bestaan sinds 1 juli 2018 en kunnen bij Actiris worden aangevraagd. Deze premies vervangen de doelgroepvermindering voor mentors en de vroegere start- en stagebonus in het Brussel Gewest.

Premie jongere in alternerende opleiding

Jongeren die een alternerende opleiding volgen

De premie wordt toegekend aan jongeren die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gedomicilieerd voor elke alternerende opleiding van ten minste 4 maanden bij dezelfde werkgever in uitvoering van één of meerdere opleidingsovereenkomsten, met name:

Voor welke werkgevers?

De werkgever, zijnde elke natuurlijke persoon of privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die de jongere in opleiding begeleidt, moet erkend zijn in het kader van de alternerend opleiding (in de Franse of Vlaamse Gemeenschap).

De exploitatiezetel van de onderneming moet op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gelegen.

Toekenningsvoorwaarden

De premie wordt maximaal 3 keer toegekend tijdens eenzelfde opleidingscyclus en voor zover de jongere een opleidingsjaar met succes heeft beëindigd.

Bedrag van de premie en tijdstip van toekenning

De premie bedraagt:

De premie wordt uiterlijk betaald binnen de 2 maanden die volgen op de indiening van het volledige premieaanvraagdossier (zie hierna voor de te volgen procedure).

Te volgen procedure

De jongere moet de premie aanvragen bij Actiris door middel van een door die instantie opgesteld formulier[1], en dit binnen de 3 maanden na het einde van het opleidingsjaar.

Samen met dat formulier moet een getuigschrift van de operator worden bezorgd dat bevestigt dat de opleiding in de onderneming werd gevolgd voor een periode van minimaal 4 maanden, alsook een bewijs van slagen.

 


[1] Dit formulier zal binnenkort ter beschikking zijn op de website van Actiris.

Mentorpremie

Mentors die een leerling begeleiden

De premie wordt toegekend aan mentors in een onderneming die voldoen aan de voorwaarden die worden opgelegd in het kader van de alternerende opleiding (in de Franse of Vlaamse Gemeenschap)[1].

De leerling moet jonger zijn dan 25 jaar, zijn ingeschreven bij een van de erkende operatoren voor alternerende opleiding, en een overeenkomst alternerend leren hebben afgesloten in het kader van:

Voor welke werkgevers?

De premie wordt per periode van 12 maanden toegekend aan een werkgever met een exploitatiezetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 

Toekenningsvoorwaarden

De premie wordt uitbetaald voor elke mentor die tussen één en vier leerlingen tegelijk begeleidt in die exploitatiezetel en dit gedurende een periode van ten minste 6 maanden.

De werkgever heeft recht op één premie per mentor.

Bedrag van de premie en tijdstip van toekenning

De premie bedraagt 1.750 euro en wordt uiterlijk betaald binnen de 2 maanden die volgen op de indiening van het volledige premieaanvraagdossier (zie hierna voor de te volgen procedure).

Te volgen procedure

De werkgever moet de premieaanvraag indienen bij Actiris door middel van een door die instantie opgesteld formulier[2], en dit ten vroegste 6 maanden na de aanvang van de opleidingsovereenkomst en uiterlijk binnen de 9 maanden na de aanvang ervan.

Samen met dat formulier moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, een getuigschrift van de operator worden bezorgd dat bevestigt dat de opleiding in de onderneming werd gevolgd voor een periode van minimaal 6 maanden.

 


[1] Artikel 2 § 3, 2e lid van het Kaderakkoord tot samenwerking betreffende de alternerende opleiding, gesloten te Brussel, op 24 oktober 2008, tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie; Artikel 7 § 1, 1° van het Vlaamse decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.

[2] Dit formulier zal binnenkort ter beschikking zijn op de website van Actiris.

Kunnen de premies met andere voordelen worden gecumuleerd?

Neen. De premie jongere in alternerende opleiding en de mentorpremie kunnen niet tegelijk met een andere financiële tegemoetkoming in het loon worden toegekend, met uitzondering van verminderingen van sociale bijdragen.

Opheffing van de vermindering voor mentors en van de start- en stagebonus

Door de inwerkingtreding van deze premies wordt de doelgroepvermindering â €˜mentors' (forfaitaire vermindering van de basiswerkgeversbijdragen bij aanwerving van een mentor) geschrapt. U kunt er sinds het 3e kwartaal 2018 dus niet langer aanspraak op maken.

Ook de start en stagebonus verdwijnen. Aangezien geen overgangsperiode werd ingebouwd, liepen de oorspronkelijke aanvragen af op 30 juni 2018. Betalingsaanvragen voor oorspronkelijke aanvragen die lopen voor het academiejaar 2017-2018 zullen worden uitbetaald als aan alle voorwaarden is voldaan.

Wat zijn de belangrijkste referenties naar de wetgeving?

Alternerende opleiding > Beroepsinlevingsstage (BIS) in het Vlaams Gewest en het Nederlandstalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Lees eerst even dit…

Met de overeenkomst beroepsinlevingsstage[1] wil de wetgever bedrijfsstages die op geen enkele wettelijke grondslag berusten, reglementeren en de strijd tegen het zwartwerk aanbinden.  Om deze redenen werd een aantal minimumbepalingen vastgesteld inzake de na te leven arbeids- en loonsvoorwaarden voor deze stagiairs. Deze bepalingen zijn geldig in Vlaanderen en voor de Nederlandstalige opleidingen in Brussel.

De Waalse (Franstalig en Duitstalig) bepalingen en de bepalingen voor de Franstalige opleidingen in Brussel vindt u terug in onze fiche “Convention d’immersion professionnelle”.

 


[1] Bij Besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2018 houdende wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 15  februari 2008, Belgisch Staatsblad 17 augustus 2018, werd het begrip ‘beroepsinlevingsovereenkomst’ vervangen door het begrip ‘beroepsinlevingsstage’ ingevoerd en werd een aantal wijzigingen aan de wetgeving aangebracht. Deze wijzigingen zijn in voege getreden op 1 september 2018.

 

Wanneer moet men een beroepsinlevingsstage sluiten?

Principe

De werkgever moet een overeenkomst beroepsinlevingsstage sluiten met de stagiair die, in het kader van zijn opleiding, bij de werkgever kennis of vaardigheden wil verwerven door arbeidsprestaties uit te voeren.

Wanneer een specifiek juridisch kader voor de stage voorzien is, hoeft u geen overeenkomst beroepsinlevingsstage te sluiten.  Deze overeenkomst geldt dus enkel voor stages in een onderneming waartoe vrijwillig beslist wordt door een werkgever en een persoon die verdere opleiding wenst of praktische ervaring wil opdoen buiten enig reglementair kader en buiten elke schoolse verplichting.

De arbeidswet van 16 maart 1971 (arbeidsduur, zondagarbeid,…) en de welzijnswet van 4 augustus 1996 zijn  van toepassing op de  beroepsinlevingsstage.  De arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 daarentegen is het voor het grootste deel (tijdelijke werkloosheid, gewaarborgd loon,…) niet van toepassing op deze overeenkomst[1].

In Wallonië en voor de Franstalige opleidingen in Brussel wordt er gewerkt met de "convention d'immersion professionnelle". We nodigen u dan ook uit om de fiche "Convention d'immersion professionnelle" te raadplegen voor een overzicht van de spécifieke regels die daar van toepassing zijn.

De uitleg in deze fiche betreft dus enkel de Vlaamse beroepsinlevingsstage, ook van toepassing op de Nederlandstalige opleidingen in Brussel.

Uitzonderingen

Bewijs dat men tot een uitzonderingscategorie behoort

Het bewijs dat de student tot één of andere uitzonderingscategorie behoort, ligt niet voor de hand.  Om alle betwistingen te voorkomen, raden wij u daarom aan om vooraf contact op te nemen met het Toezicht op de sociale wetten.  U vindt de verschillende adressen van het Toezicht op de sociale wetten terug door hier te klikken. 

Opmerking

Deze uitsluitingen moeten restrictief geïnterpreteerd worden. Dat betekent dat als het niet om één van de uitgesloten categorieën gaat, de stage moet beantwoorden aan de bepalingen van de  beroepsinlevingsstage.

Opgelet!  De grens tussen de arbeidsovereenkomst die wordt aangegaan met een persoon die geen beroepservaring heeft en een overeenkomst beroepsinlevingsstage is miniem. Wanneer u een overeenkomst beroepsinlevingsstage sluit, heeft u er alle belang bij om de inhoud van de opleiding nauwkeurig te bepalen en niet zomaar te vermelden dat de stagiair opgeleid zal worden.

De rechtspraak op dit vlak is immers zeer duidelijk: indien een persoon voor rekening van een werkgever werkt, onder diens gezag en tegen verloning, wijst deze arbeidsrelatie op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, tenzij er hiervoor een wettelijke uitzondering bestaat[2].

Enkele specifieke vragen

Tenzij ze onder een van de bovenvermelde uitzonderingen valt, moet de stage die door een jongere die zijn studies beëindigd heeft, uitgevoerd wordt bij een van de satellietorganisaties van de Europese Unie (of andere), het voorwerp uitmaken van een overeenkomst beroepsinlevingsstage.

De uitzondering die stelt dat er geen overeenkomst beroepsinlevingsstage gesloten moeten worden wanneer de stage kadert in een opleiding die leidt tot de uitreiking van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid, geldt ook wanneer dit diploma,… op officiële wijze uitgereikt wordt door een buitenlandse overheid. De buitenlandse onderwijsinstellingen worden immers gelijkgesteld met de Belgische onderwijs- en opleidingsinstellingen.

Indien een onderneming een opleidingsacademie opricht om zelf stagiairs op te leiden, moet steeds een overeenkomst beroepsinlevingsstage gesloten worden (tenzij een andere reglementering van toepassing is).

Lees ook nog de volgende vraag voor meer informatie over de mogelijkheid om een overeenkomst beroepsinlevingsstage te sluiten in het kader van een alternerende opleiding.

 


[1] Enkel artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet is van toepassing op de overeenkomst beroepsinlevingsstage. Voor meer informatie hierover verwijzen we u naar de vraag “Wat zijn de verplichtingen van de werkgever?”.

[2] Arrest van het Arbeidshof van Brussel van 23 april 2014.  Zie ook de rechtspraak van de arbeidsrechtbank van Bergen (17 januari 2013, 25 april 2013, 16 mei 2013, 19 juni 2013, 20 juni 2013). De herkwalificering gebeurt evenwel niet automatisch; er moet aangetoond worden dat het contract niet als hoofddoel heeft om een beroep aan te leren en beroepservaring te verkrijgen, via formele evaluaties, een theoretische vorming, … (Arbeidsrechtbank Brussel van 9 juli 2014 en Arbeidsrechtbank Bergen van 8 januari 2015) maar dat het contract daarentegen steunt op een geldig akkoord tussen de partijen over arbeid, loon en gezag (Arbeidsrechtbank Bergen van 20 mei 2015 en Arbeidsrechtbank Brussel van 28 oktober 2015).

 

Mag er een beroepsinlevingsstage gesloten worden in het kader van een alternerende opleiding?

Nee. De overeenkomst beroepsinlevingsstage, in zijn klassieke toepassing, geldt immers enkel voor stages in een onderneming waartoe vrijwillig beslist wordt door een werkgever en een persoon die verdere opleiding wenst of praktische ervaring wil opdoen buiten enig reglementair kader en buiten elke schoolse verplichting[1].

 


[1] Artikel 104, alinea 2, 2° en 3° van de programmawet van 2 augustus 2002.

Welke bepalingen moet de beroepsinlevingsstage minimum bevatten?

De overeenkomst beroepsinlevingsstage moet voor elke stagiair afzonderlijk schriftelijk vastgesteld worden uiterlijk op het moment dat de overeenkomst een aanvang neemt.

Daarnaast moet ze een aantal verplichte vermeldingen bevatten:

Bij ontbreken van een geschrift en/of het weglaten van bepaalde verplichte vermeldingen kan de overeenkomst beroepsinlevingsstage worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst.

Waar en hoe lang dient u deze overeenkomst te bewaren?

De overeenkomst beroepsinlevingsstage, die als een sociaal document aanzien wordt, moet gedurende 5 jaar op de plaats van tewerkstelling bijgehouden worden. De werkgever die deze voorschriften niet naleeft, kan strafsancties en/of administratieve boetes opgelegd krijgen.

Welke vergoeding moet er betaald worden?

Minimale vergoeding 

Voor iedere beroepsinlevingsstage betaalt de werkgever een vergoeding die minimaal de helft van het gewaarborgd minimum maandinkomen (GMMI)[1] bedraagt.

U kan het exacte bedrag van de vergoeding terugvinden in onze Sociolist, trefwoord “Stagiairs inleving/Beroepsinlevingsstage”.

Wanneer de stagiair slechts deeltijds stage loopt in de onderneming, wordt de vergoeding geproratiseerd.

Hogere vergoeding

Daar de wetgevende teksten enkel in een minimumvergoeding voorzien, heeft de werkgever steeds de mogelijkheid bijkomende voordelen toe te kennen. Hij kan bijvoorbeeld een hogere vergoeding of voordelen in natura geven.

Loonbescherming

Deze vergoeding wordt beschouwd als een loon in de zin van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers.

 


[1] Zoals bedoeld in artikel 3, 1ste lid van cao nr. 43. 

 

Hoe stelt de werkgever een opleidingsplan op?

De overeenkomst beroepsinlevingsstage moet een opleidingsplan bevatten dat tussen de partijen overeengekomen is en dat de VDAB goedgekeurd heeft.

Het opleidingsplan moet drie zaken bevatten:

Ten behoeve van de werkgevers bestaat er een databank met basisopleidingsplannen.

De basisopleidingsplannen vertrekken van een stagiair die nog geen competenties heeft voor het beroep. De werkgever kan dit basisopleidingsplan aanpassen op basis van de persoonlijke situatie van de stagiair. Daarbij behoudt men enkel die competenties die relevant zijn voor de stagiair en vermeldt men opleidingsacties op zijn maat. 

Bij het beoordelen van het opleidingsplan houdt de VDAB rekening met deze criteria:

Hoe wordt het opleidingsplan goedgekeurd door de VDAB?

Eens het opleidingsplan klaar is vult de werkgever dit formulier in en voegt het opleidingsplan toe.

Op basis van het opleidingsplan bepaalt de VDAB de duurtijd van de beroepsinlevingsstage. Daarbij bekijkt de VDAB welke competenties de kandidaat al verworven heeft doorheen zijn studies. Heeft hij de bewuste competenties al gedeeltelijk onder de knie, dan duurt de beroepsinlevingsstage minder lang.

Eens het opleidingsplan is goedgekeurd door de VDAB vraagt de werkgever vóór de start van de beroepsinlevingsstage aan de stagementor om het opleidingsplan met de kandidaat te overlopen. Zo zijn de wederzijdse verwachtingen duidelijk.

 

Hoe wordt deze vergoeding op sociaal vlak behandeld? Wat met de Dimona?

Aangezien de beroepsinlevingsstage niet voldoet aan de voorwaarden om als een alternerende opleiding te worden beschouwd, worden de personen met een overeenkomst beroepsinlevingsstage niet beschouwd als leerlingen voor de toepassing van de sociale zekerheid voor loontrekkenden. De toegekende vergoeding moet dus niet onderworpen worden aan de sociale zekerheid.

Omdat de jongere met een overeenkomst beroepsinlevingsstage dus niet aangegeven wordt via de multifunctionele aangifte aan de RSZ (DmfA), zal een Dimona 'STG' moeten verricht worden.

 

Wat is de fiscale behandeling van deze vergoeding?

De vergoedingen die in het kader van een beroepsinlevingsstage ontvangen worden, worden voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing als normale bezoldigingen beschouwd en zijn dus volgens dezelfde barema’s als de lonen aan bedrijfsvoorheffing onderworpen. Het barema dat betrekking heeft op de occasionele of subsidiaire vergoedingen is hier dus niet van toepassing.

Welke andere financiële voordelen zijn er?

Voor het antwoord op deze vraag, klik hier.

Wat zijn de verplichtingen van de werkgever?

De werkgever moet een Dimona ‘STG’ verrichten. Hij dient ook een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan voor de jongere met een overeenkomst beroepsinlevingsstage en hem een kopie van het arbeidsreglement te overhandigen. Hij moet zich eveneens aansluiten bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

De werkgever verzekert bovendien de stagiair die in het kader van de beroepsinlevingsstage schade berokkent aan de werkgever of aan derden.

 

Heeft de stagiair recht op jaarlijkse vakantie?

De jongeren met een overeenkomst beroepsinlevingsstage hebben geen recht op jaarlijkse vakantie, aangezien ze niet aan de sociale zekerheid onderworpen zijn.

Wat zijn de schorsingsoorzaken van de beroepsinlevingsstage?

De wetgever heeft voor de overeenkomst beroepsinlevingsstage geen enkele schorsingsgrond voorzien daar het enkel de bedoeling was minimumbepalingen inzake arbeids- en loonsvoorwaarden vast te stellen.

Hoe kan een overeenkomst beroepsinlevingsstage worden beëindigd?

Elke partij kan de overeenkomst beroepsinlevingsstage eenzijdig beëindigen met een opzeggingstermijn van drie dagen, zonder dat er een schadevergoeding verschuldigd is.

De stagiair kan de overeenkomst beroepsinlevingsstage met een opzeggingstermijn van één dag beëindigen zonder schadevergoeding wanneer hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.

De partijen kunnen in onderling overleg de overeenkomst beroepsinlevingsstage beëindigen zonder termijn of schadevergoeding.

Wat zijn de toepasselijke sancties?

Voor een overzicht van de toepasselijke sancties verwijzen we u naar het trefwoord “Overeenkomst beroepsinlevingsstage” in de fiche “Sociaal Strafwetboek - 4. De inbreuken” in ons dossier over het Sociaal Strafrecht. U vindt dit dossier terug in de rubriek Sociaal/Dossiers.

Overzichtstabel

 

Overeenkomst beroepsinlevingsstage

  • verplichte vermeldingen
  • tussen werkgever en stagiair
  • opleidingsplan
  • duur in functie van de opleiding bepaald door de VDAB met een maximum van 6 maanden
  • geen proefperiode

Uitzonderingen

  • de opleidingen met een werkplekcomponent waarbij beroepsinlevingsstages impliciet of expliciet uitgesloten zijn;
  • de arbeidsprestaties uitgevoerd door een leerling of student bij een werkgever in het kader van een schoolopleiding;
  • de stages in het kader van een (Belgische of buitenlandse) cursus die leidt tot het afleveren van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid;
  • de opleidingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst;
  • de bepalingen ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of cao’s
  • de stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van een vrij beroep of een intellectueel dienstverlenend beroep
  • studentenarbeid.

Financiële voordelen

Start- en stagebonus

Minimumvergoeding

Helft van het GMMI

Klik hier om te weten welke vergoeding van toepassing is in het Waals Gewest en Franstalig Brussels Gewest

Sociale behandeling van de vergoeding

Geen onderwerping aan de sociale zekerheid

Verplichtingen van de werkgever

  • Dimona 'STG'
  • arbeidsreglement
  • aansluiting EDPBW
  • verzekering voor arbeidsongevallen
  • aansprakelijkheidsverzekering
  • opleidingsplan

Schorsing van de overeenkomst

Niets voorzien door de wetgeving

Verbreking van de overeenkomst

Door beide partijen met een opzeggingstermijn van drie dagen.

Stagiair kan beëindigen met één dag wanneer hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.

Beëindiging in onderling overleg mogelijk zonder schadevergoeding

 

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

 

Alternerende opleiding > Jongeren in opleiding - Algemene principes

Algemene bepalingen van toepassing op alle stage- en leerovereenkomsten

De opleidingsovereenkomsten bieden aan een jongere die nog aan de deeltijdse leerplicht onderworpen is, de mogelijkheid om een beroep te leren door een theoretische opleiding, gevolgd in een onderwijs- of opleidingsinstelling, te koppelen aan een praktische opleiding in een onderneming, en dit onder toezicht van een ervaren werknemer.

In deze fiche bespreken we de algemene regels die van toepassing zijn op alle soorten opleidingsovereenkomsten.  Voor de specifieke bepalingen eigen aan elk type overeenkomst verwijzen we u naar de overeenstemmende fiches.  De algemene principes die in deze fiche besproken worden, zijn van toepassing op:

U vindt over elk van deze overeenkomsten een gedetailleerde fiche in het dossier Stage/Leertijd.

Opgelet!  Deze fiches over de opleidingsovereenkomsten in Wallonië en Brussel bestaan enkel in het Frans[3].

 


[1] Deze overeenkomst vervangt de leerovereenkomst middenstand en de industriële leerovereenkomst in de Vlaamse Gemeenschap.

[2] Deze overeenkomst vervangt de leerovereenkomst middenstand in het Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de socio-professionele inschakelingsovereenkomst in de Franse Gemeenschap.

[3] De Brusselse Vlamingen vallen onder de reglementering van de Vlaamse Gemeenschap, en niet onder die van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

 

Welke voordelen heeft het sluiten van een leer- of stageopleidingsovereenkomst?

Opleidingsvergoeding

De werkgever is ertoe gehouden de leerling of stagiair een vergoeding te betalen die zowel de praktische opleiding in de onderneming als de theoretische vorming dekt.  Deze vergoeding ligt een stuk lager dan de barema's die op de werknemers van de onderneming van toepassing zijn.  De berekening van deze vergoeding hangt of van het type overeenkomst dat gesloten wordt.

Sociale bijdragevermindering voor de mentors in Vlaanderen en in de Duitstalige Gemeenschap

De werkgevers die zich er toe verbinden om stages of opleidingen in hun onderneming te organiseren, kunnen voor de werknemers die als mentor de opvolging van de stages verzekeren of instaan voor de opleidingen, een vermindering verkrijgen van hun werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid.  Deze doelgroepvermindering bedraagt 800 euro per kwartaal.  

Voor meer info over deze doelgroepvermindering kan u onze fiche over dit onderwerp raadplegen. 

Opgelet! In het Franstalig deel van het Waals Gewest werd deze doelgroepvermindering op 1 september 2016 afgeschaft (een financiële stimulans werd echter ingevoerd). In Brussel werd ze afgeschaft op 1 juli 2018 (een mentorpremie werd ingevoerd).

Premies en subsidies

In bepaalde gevallen kan de werkgever een premie of subsidie krijgen ten laste van de sector of van de gewesten of gemeenschappen, zoals de start- en stagebonus in Vlaanderen en de Duitstalige Gemeenschap en de Waalse en Brusselse premies.

Terugbetaling van medische kosten voor sommige stagiairs

De kosten van de medische onderzoeken worden voor sommige stagiairs terugbetaald. Deze onderzoeken zijn dus gratis voor de werkgever.  

Het betreft “elke leerling of student die in het kader van een leerprogramma georganiseerd door een onderwijsinstelling, daadwerkelijk arbeid verricht bij een werkgever, in gelijkaardige omstandigheden als de werknemers in dienst van die werkgever, en dit met het oog op het opdoen van beroepservaring”[1], m.a.w. de schoolstages die in de onderneming worden uitgevoerd.

Deze maatregel moet de stagiairs werkzekerheid bieden en de kost voor de werkgever verminderen.

Om van deze maatregel te kunnen genieten, moet de werkgever de medische onderzoeken wel laten uitvoeren door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk (EDPB) van de onderwijsinstelling[2].

Het Fonds voor de Beroepsziekten (FBZ) neemt vervolgens de kosten van de medische onderzoeken die door de EDPB van de onderwijsinstelling uitgevoerd zijn ten laste.

Niet voor de leerlingen

Worden niet beoogd door deze maatregel, en worden dus aan de gewone regels onderworpen:

  • de jongeren van 15 tot 18 jaar, die niet meer onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht en die tewerkgesteld worden krachtens een arbeidsovereenkomst of die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
  • de jongeren die niet meer onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht en die tewerkgesteld worden krachtens een leerovereenkomst;
  • de jongeren die niet meer onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht en die arbeid verrichten krachtens een overeenkomst gesloten in het kader van een opleidingstraject;
  • een leerling of student die een studierichting volgt waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht;
  • een student-werknemer die tewerkgesteld wordt in het kader van een studentenovereenkomst.

Deze maatregel slaat dus bijvoorbeeld niet op de volgende overeenkomsten:

  • de (stage)overeenkomst alternerende opleiding (Vlaamse Gemeenschap);
  • de alternerende overeenkomst (Waals Gewest, Franse Gemeenschap en Cocof).

Fiscale stimulans voor de werkgevers: aftrekbaarheid aan 140%

Om de werkgevers aan te moedigen om stages in hun bedrijf te organiseren, werd een fiscale stimulans ingevoerd.  Werkgevers kunnen dankzij deze stimulans de kosten voor de tewerkstelling van een leerling of een stagiair voor 140% aftrekken, op voorwaarde dat ze voor hem financiële steun ontvangen[3].

Deze fiscale aftrekbaarheid is enkel van toepassing voor de kosten met betrekking tot de tewerkstelling van stagiairs/leerlingen waarvoor de werkgever een stagebonus ontvangt (Vlaanderen en Duitstalige Gemeenschap).

De bedoelde kosten zijn alle aftrekbare beroepskosten bestaande uit de bezoldigingen van de leerlingen/stagiairs, met inbegrip van de wettelijke sociale lasten, de patronale bijdragen en premies alsook de overige sociale bijdragen die krachtens contractuele verplichtingen verschuldigd zijn.

Vermindering van de socialezekerheidsbijdragen

De vergoeding die wordt toegekend aan leerlingen die vallen onder de nieuwe definitie van leerling op het vlak van de sociale zekerheid die van toepassing is sinds 1 juli 2015, is onderworpen aan de sociale zekerheid voor werknemers.

Om te weten of de jongere bovendien het recht opent op een vermindering van de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid, moet gekeken worden naar de vestigingseenheid die de jongere tewerkstelt. Momenteel voorziet enkel Vlaanderen een specifieke RSZ-korting voor leerlingen.

Vrijstellingen / gelijkstellingen in het kader van bepaalde regionale activeringen

Er is geen regionale activering voorzien gedurende de leerperiode. Deze periode wordt echter wel gelijkgesteld met een periode inschrijving als niet-werkende werkzoekende. Dit is voordelig, want het laat toe om nadien gemakkelijker in aanmerking te komen voor een activering (betaling van een werkuitkering). Raadpleeg ons dossier over de tewerkstellingsmaatregelen voor meer informatie.

 


[1] Artikel X. 4-2 van Het Codex over het welzijn op het werk.

[2] De werkgever mag de medische onderzoeken nog altijd laten uitvoeren door zijn eigen EDPB.  In dat geval is er wel geen tenlasteneming van de kosten.  Het medisch onderzoek kost dan evenveel als voor een gewone werknemer.

[3] Voor de stagiairs ondernemingshoofd kan de werkgever evenwel niet van deze aftrekbaarheid genieten.

 

Wat zijn de start- en stagebonus in Vlaanderen en in de Duitstalige gemeenschap?

De bevoegdheid voor de start- en stagebonus werd geregionaliseerd. 

In het Waals Gewest zijn de start- en stagebonus sinds 1 september 2016 afgeschaft en vervangen door 3 premies.  Meer informatie over deze premies vindt u onder de volgende vraag.

In het Brussels Gewest zijn de start- en stagebonus sinds 1 juli 2018 afgeschaft. Ze werden vervangen door een premie voor jongeren in alternerende opleiding en een premie voor mentors

De start- en stagebonus is dus enkel nog van toepassing in Vlaanderen en in de Duitstalige Gemeenschap.

Startbonus voor de jongere

De jongeren die een alternerende leerovereenkomst[1] van minstens 4 maanden sluiten, kunnen van een startbonus genieten. 

De startbonus wordt gedurende ten hoogste 3 opleidingsjaren van een zelfde cyclus toegekend, telkens als de jongere een opleidingsjaar met succes beëindigd heeft.  De bonus bedraagt 500 euro op het einde van het eerste of tweede opleidingsjaar en 750 euro op het eind van het derde opleidingsjaar.

Stagebonus voor de werkgever

In lijn met de startbonus krijgt de werkgever die de jongere een praktische opleiding aanbiedt van minstens 4 maanden een financiële tussenkomst die stagebonus genoemd wordt.

Deze bonus wordt gedurende ten hoogste 3 opleidingsjaren van een zelfde alternerende opleidingscyclus toegekend.  Hij bedraagt eveneens 500 euro op het einde van het eerste of het tweede opleidingsjaar en 750 euro op het einde van het derde opleidingsjaar.  In tegenstelling tot de startbonus wordt de stagebonus toegekend telkens als de jongere een opleidingsjaar beëindigd heeft, zonder dat hij daarom geslaagd moet zijn.

Wanneer er vóór het einde van het lopende opleidingsjaar een einde aan de praktijkopleiding gemaakt wordt om een reden die onafhankelijk is van de wil van de werkgever, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • indien de praktijkopleiding tijdens het lopende opleidingsjaar minder dan 3 maand geduurd heeft, wordt de stagebonus niet toegekend;
  • indien de praktijkopleiding tijdens het lopende opleidingsjaar 3 maanden of langer geduurd heeft, wordt de volledige stagebonus uitbetaald.

Procedure

Vlaams Gewest

Het Vlaams Gewest is bevoegd voor:

  • de startbonus van jongeren met hoofdverblijfplaats in het Vlaams Gewest;
  • de stagebonus van werkgevers met vestigingseenheid in het Vlaams Gewest.

 

Aanvraag van de start- en stagebonus

De aanvragen voor een start- en stagebonus dienen ingediend te worden bij het Departement Werk en Sociale Economie (DWSE) van het Vlaams Gewest.

Duitstalige Gemeenschap

De Duitstalige Gemeenschap is bevoegd voor:

  • de startbonus van jongeren die een alternerende leerovereenkomst hebben gesloten met een werkgever met vestigingseenheid in het Duitstalig Waals Gewest;
  • de stagebonus van werkgevers met vestigingseenheid in het Duitstalig Waals Gewest.

In de Duitstalige Gemeenschap is het Institut für Aus- und Weiterbildung im Mittelstand und in KMU (IAWM) bevoegd voor de uitbetaling van de start- en stagebonus. 

 


[1] In de Duitstalige Gemeenschap werd bepaald dat de start- en stagebonus enkel worden toegekend bij het sluiten van een industriële leerovereenkomst, een middenstandsleerovereenkomst en een beroepsinlevingsovereenkomst.

 

Wat zijn de Waalse premies voor ondernemingen, zelfstandigen en leerlingen?

De start- en stagebonus werden in het Waals Gewest afgeschaft en vervangen door 3 premies[1]:

  • een premie voor de ondernemingen;
  • een premie voor de zelfstandigen[2];
  • een premie voor de leerlingen.

Opmerking: deze Waalse premies zijn van toepassing op de alternerende overeenkomsten die ondertekend werden door een onderneming waarvan de vestigingseenheid (exploitatie-eenheid) in het Franstalig gedeelte van het Waals Gewest ligt. De maatschappelijke zetel mag zich in een ander gewest bevinden.  

De premie voor ondernemingen

Het gaat om een eenmalige premie van 750 euro per jongere met een alternerende overeenkomst, opgeleid door de onderneming.  Ze is bedoeld om de omkadering van de leerling te versterken via een erkende mentor.

Om de premie te krijgen, moet de onderneming cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • de voorwaarden betreffende de alternerende opleiding naleven (erkenning);
  • een alternerende overeenkomst met de leerling gesloten hebben;
  • voor een opleiding van minimum 270 dagen (9 maanden) voor de leerling zorgen tijdens het 1ste opleidingsjaar dat van start gaat op de dag dat de onderneming een alternerende overeenkomst sluit met een leerling van niveau A en dat uiterlijk eindigt op 31 augustus van het schooljaar waarin de leerling naar niveau B overgaat;
  • een erkende mentor voor de leerling aanstellen.

Bovendien moet de leerling zijn eerste opleidingsjaar met succes beëindigen of toegelaten worden tot het hoger niveau na minimum 270 dagen onder alternerende overeenkomst.

De premie voor zelfstandigen

De premie voor zelfstandigen en voor ondernemingen zonder werknemers bedraagt eveneens 750 euro per zelfstandige die een jongere met alternerende overeenkomst opleidt.  Deze premie wordt slechts éénmaal toegekend en wordt uitbetaald bij het sluiten van de eerste opleidingsovereenkomst.

De premie voor leerlingen

De premie voor de leerling bedraagt eveneens 750 euro per jongere.  Ze wordt uitbetaald indien de jongere het laatste jaar van zijn alternerende opleiding met succes afrondt en zijn certificaat behaalt.  Hij kan deze premie slechts éénmaal krijgen.

Aanvraagprocedure

De aanvraagprocedure hangt af van het soort premie die eraan vasthangt.

De premie voor de onderneming

Om de premie te kunnen genieten, dient de onderneming die een alternerende overeenkomst sluit waardoor zij voor deze premie in aanmerking komt, een gedateerde en ondertekende premie-aanvraag in bij de referentie-opleidingsverstrekker voor die alternerende overeenkomst  (bijvoorbeeld de IFAPME[3]):

  • op het ogenblik dat die alternerende overeenkomst ondertekend wordt,
  • of, bij gebreke daarvan, uiterlijk 30 dagen na de ondertekening ervan. 

Het model ervan werd vastgelegd door de Waalse regering op voorstel van de OFFA[4].

De opleidingsverstrekker heeft, vanaf de indiening van de aanvraag door de onderneming, 30 dagen tijd om die aanvraag goed te keuren en aan de OFFA over te maken.

Uiterlijk op 15 oktober volgend op het eerste opleidingsjaar legt de opleidingsverstrekker een lijst van de ondernemingen voor aan de OFFA waarvoor hij een premie-aanvraag aan haar overgemaakt heeft telkens met de vermelding of de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn.

Op basis daarvan onderzoekt de OFFA de aanvraag en maakt zij ze, samen met haar beslissingsvoorstel, over aan de Waalse administratie[5] die de premie aan de onderneming uitbetaalt. De OFFA legt het dossier met het beslissingsvoorstel uiterlijk op 31 oktober volgend op de ontvangst van de informatie die de opleidingsverstrekker doorgestuurd heeft, voor aan de administratie.

De Waalse administratie betaalt de premie uit aan de onderneming die voldoet aan de voorziene voorwaarden.

De premie voor de leerling

De leerling kan de premie enkel genieten als hij, uiterlijk op 15 december van het opleidingsjaar waarin hij overgaat naar niveau C, een gedateerde en ondertekende premie-aanvraag bij de opleidingsverstrekker voor zijn alternerende overeenkomst indient. Het model ervan werd vastgelegd door de Waalse regering op voorstel van de OFFA.

Uiterlijk op 15 oktober volgend op het opleidingsjaar waarin de leerling zijn certificering gekregen heeft, maakt de opleidingsverstrekker de premie-aanvraag van de leerling over aan de OFFA.

De OFFA onderzoekt de aanvraag en maakt ze, samen met haar beslissingsvoorstel, over aan de Waalse administratie met het oog op haar uitbetaling.

De OFFA beschikt over een termijn van dertig dagen, volgend op de ontvangst van de gegevens van de opleidingsverstrekker, om elk dossier en haar beslissingsvoorstel aan de administratie over te maken.

Zij betaalt de premie dan uit aan de leerling die aan de voorziene voorwaarden voldoet.

Duiding bij de termijnen

De termijnen die dit besluit beoogt, zijn berekend in kalenderdagen. De dag van de akte die het vertrekpunt van de termijn vormt, is niet inbegrepen. De vervaldag wordt wel meegerekend in die termijn. Wanneer die dag op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag valt, wordt de vervaldag opgeschoven naar de eerstvolgende werkdag.

 


[1] Binnen de beschikbare begrotingskredieten.

[2] En voor de ondernemingen die geen werknemers tewerkstellen.

[3] Waals Instituut voor alternerende opleiding en van de zelfstandigen en kmo’s.

[4] Franstalige dienst alternerende opleiding.

[5] Directie Overkoepelend Beleid Gewest-Gemeenschap van het Departement Werk en Beroepsopleiding van het Operationeel Directoraat-generaal Economie, Werk en Onderzoek van de Waalse Overheidsdienst.

 

Wat zijn de Brusselse premies voor jongeren en mentors?

De start- en stagebonus werden in het Brussels Gewest afgeschaft en vervangen door de premies voor jongeren en mentors. Deze premies kunnen bij Actiris worden aangevraagd.

Premie jongere in alternerende opleiding

Jongeren die een alternerende opleiding volgen

De premie wordt toegekend aan jongeren die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gedomicilieerd voor elke alternerende opleiding van ten minste 4 maanden bij dezelfde werkgever in uitvoering van één of meerdere opleidingsovereenkomsten, met name:

  • een industriële leerovereenkomst;
  • een beroepsinlevingsovereenkomst;
  • een alternerende opleidingsovereenkomst;
  • een opleidingsovereenkomst voor ‘duaal leren’.
Voor welke werkgevers?

De werkgever, zijnde elke natuurlijke persoon of privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die de jongere in opleiding begeleidt, moet erkend zijn in het kader van de alternerend opleiding (in de Franse of Vlaamse Gemeenschap).

De exploitatiezetel van de onderneming moet op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gelegen. 

Toekenningsvoorwaarden

De premie wordt maximaal 3 keer toegekend tijdens eenzelfde opleidingscyclus en voor zover de jongere een opleidingsjaar met succes heeft beëindigd.

Bedrag van de premie en tijdstip van toekenning

De premie bedraagt:

  • 500 euro bij de eerste en tweede aanvraag;
  • 750 euro bij de derde aanvraag.

De premie wordt uiterlijk betaald binnen de 2 maanden die volgen op de indiening van het volledige premieaanvraagdossier (zie hierna voor de te volgen procedure).

Procedure

De jongere moet de premie aanvragen bij Actiris door middel van een door die instantie opgesteld formulier, en dit binnen de 3 maanden na het einde van het opleidingsjaar.

Samen met dat formulier moet een getuigschrift van de operator worden bezorgd dat bevestigt dat de opleiding in de onderneming werd gevolgd voor een periode van minimaal 4 maanden, alsook een bewijs van slagen.

Mentorpremie

Mentors die een leerling begeleiden

De premie wordt toegekend aan mentors in een onderneming die voldoen aan de voorwaarden die worden opgelegd in het kader van de alternerende opleiding (in de Franse of Vlaamse Gemeenschap)[1].

De leerling moet jonger zijn dan 25 jaar, zijn ingeschreven bij een van de erkende operatoren voor alternerende opleiding, en een overeenkomst alternerend leren hebben afgesloten in het kader van:

  • een alternerende opleiding;
  • een middenstandsleerovereenkomst of een opleiding tot ondernemingshoofd;
  • duaal leren;
  • de toegewezen trajecten Syntra Vlaanderen;
  • een industriële leerovereenkomst;
  • een beroepsinlevingsovereenkomst;
  • de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (bijvoorbeeld de startbaanovereenkomst type II).
Voor welke werkgevers?

De premie wordt per periode van 12 maanden toegekend aan een werkgever met een exploitatiezetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Toekenningsvoorwaarden

De premie wordt uitbetaald voor elke mentor die tussen één en vier leerlingen tegelijk begeleidt in die exploitatiezetel en dit gedurende een periode van ten minste 6 maanden.

De werkgever heeft recht op één premie per mentor.

Bedrag van de premie en tijdstip van toekenning

De premie bedraagt 1.750 euro en wordt uiterlijk betaald binnen de 2 maanden die volgen op de indiening van het volledige premieaanvraagdossier (zie hierna voor de te volgen procedure).

Procedure

De werkgever moet de premieaanvraag indienen bij Actiris door middel van een door die instantie opgesteld formulier, en dit ten vroegste 6 maanden na de aanvang van de opleidingsovereenkomst en uiterlijk binnen de 9 maanden na de aanvang ervan.

Samen met dat formulier moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, een getuigschrift van de operator worden bezorgd dat bevestigt dat de opleiding in de onderneming werd gevolgd voor een periode van minimaal 6 maanden.

Kunnen de premies met andere voordelen worden gecumuleerd?

Neen. De premie jongere in alternerende opleiding en de mentorpremie kunnen niet tegelijk met een andere financiële tegemoetkoming in het loon worden toegekend, met uitzondering van verminderingen van sociale bijdragen.

 


[1] Artikel 2 § 3, 2e lid van het Kaderakkoord tot samenwerking betreffende de alternerende opleiding, gesloten te Brussel, op 24 oktober 2008, tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie; Artikel 7 § 1, 1° van het Vlaamse decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.

 

Hoe wordt de opleidingsvergoeding op sociaal vlak behandeld?

Er moet een onderscheid gemaakt tussen de jongeren die minder dan 19 jaar oud zijn en zij die ouder dan 18 jaar zijn.

Jongeren van minder dan 19 jaar bij het sluiten van de overeenkomst

De jongeren tot 31 december van het jaar van hun 18 jaar en die verbonden zijn met:

  • een leerovereenkomst;
  • een alternerende overeenkomst;
  • of een stageovereenkomst; 

worden slechts gedeeltelijk onderworpen aan de sociale zekerheid.  Hun onderwerping is beperkt tot de stelsels van de jaarlijkse vakantie, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten en ze betalen geen persoonlijke bijdragen.  De jongere opent geen recht op de structurele vermindering aangezien hij slechts gedeeltelijk aan de sociale zekerheid onderworpen is.

Tenslotte zijn de leerlingen/stagiairs vrijgesteld van:

  • de loonmatigingsbijdrage;
  • de bijdrage voor het betaald educatief verlof;
  • de bijzondere bijdrage voor het Fonds Sluiting van ondernemingen;
  • de bijdragen bestemd voor de fondsen voor bestaanszekerheid en voor de tweede pijler pensioenen;
  • de bijdrage voor de risicogroepen;
  • en de bijdrage bestemd voor de jongeren die een inschakelingstraject volgen. 

Leerlingen ouder dan 18 jaar bij het sluiten van de overeenkomst

Vanaf 1 januari van het jaar waarin ze 19 worden[1], zijn de jongeren die verbonden zijn met:

  • een leerovereenkomst,
  • een alternerende overeenkomst,
  • of een stageovereenkomst,

volledig onderworpen aan de sociale zekerheid, zowel voor patronale als de persoonlijke bijdragen.

Deze jongeren zijn ook onderworpen aan de loonmatigingsbijdrage, de bijdrage voor het betaald educatief verlof en de bijzondere bijdrage voor het Fonds Sluiting van ondernemingen.

Ze zijn echter nog steeds vrijgesteld van:

  • de bijdragen bestemd voor de fondsen voor bestaanszekerheid en voor de tweede pijler pensioenen;
  • de bijdrage voor de risicogroepen;
  • en de bijdrage bestemd voor de jongeren die een inschakelingstraject volgen.

De werkgever kan bovendien van de structurele vermindering van de sociale lasten genieten.

Werkbonus

De jongeren vanaf 18 jaar kunnen genieten van de werkbonus, die het bedrag van hun persoonlijke bijdragen aan de sociale zekerheid vermindert, of die ervoor zorgt dat ze geen persoonlijke bijdragen meer moeten betalen.

 


[1] De jongere kan dus nog 18 jaar zijn op 1 januari.

 

Moet er bedrijfsvoorheffing ingehouden worden en moet het loon in de personenbelasting aangegeven worden?

Principe

De opleidingsvergoeding die door de werkgever aan de leerling of stagiair wordt toegekend, wordt verkregen volgens een wettelijk of reglementair statuut en wordt dus aanzien als een loon in de zin van artikel 31 van het WIB 92.

Bedrijfsvoorheffing

Op de opleidingsvergoeding van de leerling moet bedrijfsvoorheffing berekend en ingehouden worden volgens de normale fiscale barema's vermeld in Bijlage III (Fiscaal/Info+). De eventuele bedrijfsvoorheffing kan afgetrokken worden van de opleidingsvergoeding van de leerling/stagiair.

Fiches 281

De opleidingsvergoedingen moeten worden vermeld in rubriek 9a ‘bezoldigingen' van de fiche 281.10 en tegenover de code ‘250' voor het totaal.

Eindbelasting

De leerling of stagiair moet steeds een belastingaangifte invullen, zelfs indien er geen bedrijfsvoorheffing ingehouden werd, daar hij beroepsinkomsten genoten heeft[1].

De opleidingsvergoedingen worden belast volgens de normale regels die van toepassing zijn op de bezoldigingen.

Indien de ingehouden bedrijfsvoorheffing hoger is dan de verschuldigde belasting, wordt het verschil aan de jongere terugbetaald.

Opgelet! Indien de vergoedingen van de leerling/stagiair bepaalde bedragen overschrijden[2], is hij niet meer ten laste van zijn ouders. Zijn vergoeding wordt immers in rekening gebracht om zijn netto inkomsten te bepalen.



[1] Artikel 306 WIB92.

[2] Zie de fiche Studenten - 3. Fiscale aspecten (onder Dossier/Contracten).

Moet er een Dimona-aangifte gebeuren voor de jongeren in opleiding?

De Dimona-aangifte is verplicht voor jongeren met een opleidingsovereenkomst.

Deze verplichting werd ingevoerd om het collectief engagement van de werkgevers uit de privésector om stageplaatsen ten belope van 1% van hun totale personeelsbestand ter beschikking te stellen te controleren.

Welke overeenkomsten worden beoogd ?

Een Dimona-aangifte moet gebeuren voor de jongeren die o.a. één van de volgende overeenkomsten hebben gesloten:

  • een (stage)overeenkomst alternerende opleiding (indien de jongere onderworpen is aan de RSZ, is dit een dimona ‘OTH’, indien niet, een dimona ‘STG’);
  • een stageovereenkomst middenstand (dimona ‘OTH’);
  • een leerovereenkomst middenstand (dimona ‘OTH’);
  • een industriële leerovereenkomst (dimona ‘OTH’);
  • een beroepsinlevingsstage (dimona ‘STG’);
  • een instapstageovereenkomst (Dimona van het type ‘TRI’);
  • een overeenkomst voor een individuele beroepsopleiding in de onderneming (PFI, IBO-Brussels Gewest of IBO-Vlaams Gewest) (Dimona ‘IVT’);
  • een niet-bezoldigde stage (Dimona ‘STG’).

 

In bepaalde gevallen moet de Dimona-aangifte uitgevoerd worden door de onderwijsinstelling, en niet door de onderneming. U vindt meer informatie over de Dimona-verplichting per soort overeenkomst in de verschillende fiches van dit dossier.

Dimona en DmfA

De Dimona-aangifte wordt gevolgd door een Dmfa-aangifte indien de betrokken jongere gedeeltelijk of volledig onderworpen is aan de sociale zekerheid.  U vindt meer informatie over deze onderwerping in de fiche "Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut".

Er moet geen Dmfa-aangifte gebeuren wanneer de jongere niet aan de sociale zekerheid onderworpen is, bijvoorbeeld voor de beroepsinlevingsovereenkomsten. In dat geval moet er een Dimona van het type STG echter wel gebeuren.

 

Mogen de jongeren in opleiding als student werken?

Sinds 1 juli 2017 mogen de jongeren die een systeem van alternerend leren en werken volgen, dat enerzijds bestaat uit een theoretische vorming in een onderwijsinstelling of opleidingscentrum ingericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid en, anderzijds uit een praktische opleiding op de werkplek, als student tewerkgesteld worden bij een andere werkgever. Het vroegere cumulverbod werd dus opgeheven.

Deze nieuwe regel geldt voor alle alternerende opleidingen, maar er moet wel aan een aantal voorwaarden voldaan zijn.

 

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

  • Wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht
  • Generatiepact (wet van 23 december 2005), artikel 58 (startbonus en stagebonus)
  • Koninklijk besluit van 1 september 2006 (start- en stagebonus) (o.a. gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 2016 en het besluit van de Duitstalige Gemeenschap van 10 november 2017)
  • Koninklijk besluit van 1 juli 2006, artikel 2 (medisch onderzoek)
  • WIB 92, artikel 67bis (fiscale aftrek)
  • KB/WIB 92, artikel 46bis (fiscale aftrek)
  • Besluit van de Brusselse regering van 7 juni 2018 (Brusselse premies jongeren en mentors)

Alternerende opleiding > Jongeren in opleiding - Eenvormig socialezekerheidsstatuut

Eenvormig socialezekerheidsstatuut voor jongeren in opleiding

Sinds 2015 zijn alle leerstelsels van alternerende opleiding geharmoniseerd, wat geleid heeft tot een minimale sokkel van gemeenschappelijke rechten. De essentiële elementen werden dus geharmoniseerd, maar andere elementen zijn nog steeds specifiek voor elk stelsel geregeld door de respectievelijke bevoegde overheden of sectoren.

De harmonisering heeft geleid tot:

 

Wat zijn de definities van leerling en van alternerende opleiding?

De begrippen ‘leerling’ en ‘alternerende opleiding’ worden voortaan eenvormig omschreven voor alle opleidingen, en dit op nationaal vlak.

De leerling die aan deze definitie beantwoordt en die een alternerende opleiding volgt (zoals hieronder omschreven) is onderworpen aan de sociale zekerheid.

Definitie van leerling

Een leerling wordt voortaan gedefinieerd als elke persoon die in het kader van een alternerende opleiding door een overeenkomst verbonden is met een werkgever.

Uitzonderingen

Worden niet beoogd:

  • de jongeren in opleiding op de werkvloer die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst;
  • de jongeren met een handicap die verbonden zijn door een omscholingsovereenkomst onder toezicht van het AWIPH, de dienst PHARE of de DPB;
  • de jongeren die een beroepsinlevingsstage volgt, aangezien deze uitgevoerd wordt buiten elk schoolkader.

Het gemeenschappelijk advies van de Nationale Arbeidsraad en van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven van 25 mei 2011 (nr. 1.770) verduidelijkt dat ook de volgende stelsels buiten het toepassingsgebied van de leerlingenovereenkomst vallen:

  • voortrajecten voor jongeren die nog niet toe zijn aan hun werkervaringscomponent;
  • stageovereenkomsten[1];
  • de individuele opleiding in de onderneming (CFI, FPI of IBO);
  • de leerverbintenis.Hou ook rekening met de overgangsmaatregel voorzien voor de lopende overeenkomsten op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze nieuwe definitie.

Definitie van alternerende opleiding

De alternerende opleiding wordt omschreven als elke situatie die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • de opleiding bestaat uit een deel dat uitgevoerd wordt op de werkvloer en een deel dat uitgevoerd wordt binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling. Deze twee onderdelen beogen samen de uitvoering van één enkel opleidingsplan, zijn daarom op elkaar afgestemd en wisselen elkaar geregeld af;
  • de opleiding leidt tot een beroepskwalificatie;
  • het deel dat uitgevoerd wordt op de werkvloer voorziet, op jaarbasis, in een gemiddelde arbeidsduur van ten minste 20 uren per week, zonder rekening te houden met de feest- en vakantiedagen;
  • het deel dat uitgevoerd wordt binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling omvat op jaarbasis:
    • minstens 240 lesuren voor de jongeren die onderworpen zijn aan de deeltijdse leerplicht;
    • minstens 150 lesuren voor de jongeren die niet langer onderworpen zijn aan de leerplicht.

Deze uren kunnen berekend worden naar rato van de totale duur van de opleiding. Bovendien zijn de lesuren waarvoor de leerling eventueel een vrijstelling geniet die werd toegekend door de onderwijs- of opleidingsinstelling, begrepen in de 240 of 150 uren;

  • de beide delen van de opleiding worden uitgevoerd in het kader van en worden gedekt door een overeenkomst waarbij de werkgever en de leerling betrokken partij zijn. De opleiding kan uitgevoerd worden in het kader van meerdere opeenvolgende overeenkomsten op voorwaarde dat:
    • de minima van de opleidingsuren binnen de onderwijs- of opleidingsinstelling 240 of 150 uren bereiken en dat
    • het volledige traject, bestaande uit verschillende opeenvolgende overeenkomsten, gegarandeerd en gecontroleerd wordt door de operator die verantwoordelijk is voor de opleiding;
  • de overeenkomst moet in een financiële bezoldiging voor de leerling voorzien die ten laste valt van de werkgever en als een loon beschouwd moet worden.
Voorbeelden van alternerende opleidingen die onder de definitie vallen

Deze definitie is dus onder meer van toepassing op de hieronder opgesomde contracten in de mate dat ze voldoen aan de hierboven opgesomde voorwaarden en ze dus een alternerende opleiding omvatten:

  • de industriële leerovereenkomst;
  • de Vlaamse overeenkomst alternerende opleiding;
  • de Vlaamse middenstandsleerovereenkomst (Syntra);
  • de stageovereenkomst ondernemingshoofd[2];
  • het brugproject[3];
  • het Franstalige "contrat d'alternance";
  • ...

Ander nut van de definitie

De nieuwe definitie van leerling dient niet alleen voor de toepassing van het nieuwe socialezekerheidsstatuut. Ze is ook op andere vlakken nuttig:

  • ze laat toe om te bepalen voor welke leerlingen een OTH Dimona-aangifte moet gebeuren. Wanneer de opleiding niet onder de definitie van de alternerende opleiding valt en wanneer het eenvormig socialezekerheidsstatuut bijgevolg niet van toepassing is, zal een Dimona STG verricht moeten worden. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de 'klassieke' beroepsinlevingsovereenkomst, gesloten buiten het kader van een alternerende opleiding[4];
  • ze wordt ook in aanmerking genomen om te bepalen wat onder startbaanovereenkomst (SBO) type 3 moet worden verstaan[5].

 


[1] Met uitzondering van de stageovereenkomst middenstand – stagiair ondernemingshoofd (IFAPME – en EFPME).

[2] Opgelet, indien de theoretische vorming niet voldoende uren telt, valt de stagiair niet onder de definitie van leerling in alternerende opleiding en dus ook niet onder het toepassingsgebied van de sociale zekerheid.

[3] Voor meer informatie over deze projecten kan u hier terecht.

[4] Opgelet, indien het een beroepsinlevingsovereenkomst betreft gesloten voor 1 juli 2015, is er een onderwerping aan de sociale zekerheid (overgangsmaatregel).

[5] Dit is belangrijk voor de toekenning van de vermindering van de werkgeversbijdragen ten gunste van jonge werknemers.

 

Waaruit bestaat het eenvormig socialezekerheidsstatuut?

De harmonisatie van de verschillende stelsels van alternerende opleiding voorziet in een eenvormige behandeling binnen het socialezekerheidsstelsel. Opgelet, de alternerende opleiding zal aan de in de vorige vraag opgesomde voorwaarden moeten voldoen om het recht te openen op onderstaand socialezekerheidsstatuut. Anders is er geen onderwerping aan de sociale zekerheid.

Type van onderwerping

Voor de onderwerping aan de sociale zekerheid moet een onderscheid gemaakt worden tussen jongeren tot 31 december van het jaar waarin ze 18 jaar worden en de oudere jongeren: de eerste groep is slechts gedeeltelijk onderworpen aan de sociale zekerheid; voor de tweede groep geldt een volledige onderwerping aan de sociale zekerheid.

Voor meer uitleg over de onderwerping en de eventuele RSZ-verminderingen waarop de leerlingen het recht openen, verwijzen we u naar de vraag "Hoe wordt de opleidingsvergoeding op sociaal vlak behandeld?"

Ziekte- en invaliditeitsverzekering

Voor de sector verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen worden leerlingen gelijkgesteld met werknemers. Hierdoor openen leerlingen die jonger zijn dan 18 jaar, ook al zijn ze niet onderworpen aan de sector uitkeringen, een recht op ziekte-uitkeringen.

Na 31 december van het jaar waarin ze 18 jaar worden, zijn leerlingen onderworpen aan de sector uitkeringen en worden ze bijgevolg gerechtigde van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Bovendien openen de leerlingen een recht op uitkeringen in de ziekte- en invaliditeitsverzekering zonder bijdrageplichtig te zijn, omdat de periode waarin de leerling is verbonden door een opleidingsovereenkomst wordt beschouwd als een periode van voldoende bijdragen[1].

Werkloosheidsverzekering

De andere maatregelen die werden genomen om het socialezekerheidsstatuut van leerlingen te harmoniseren en te vereenvoudigen, hebben betrekking op de werkloosheidstak van de sociale zekerheid.

Tijdelijke werkloosheid

Voortaan bestaat voor alle leerlingen een recht op uitkeringen bij tijdelijke werkloosheid[2].

Er werd immers bepaald dat jonge werknemers die nog leerplichtig zijn, overbruggingsuitkeringen kunnen genieten voor de uren van tijdelijke werkloosheid op voorwaarde dat ze alternerend onderwijs of onderwijs met beperkt leerplan volgen.

Om die uitkeringen te genieten, moeten de jonge werknemers bij hun werkloosheidsattest C3.2-werkgever een maandelijks getuigschrift voegen dat werd afgeleverd door de verantwoordelijke van de opleiding, waaruit blijkt dat ze de opleiding regelmatig volgen.

Verlenging van de referentieperiode

Om toegelaten te worden tot het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen moet een beroepsinschakelingstijd (voorheen: wachttijd) met een aantal arbeidsdagen worden doorlopen. Bijvoorbeeld, voor een voltijdse werknemer van jonger dan 36 jaar bedraagt deze beroepsinschakelingstijd 312 dagen (12 maanden) over een referentieperiode van 21 maanden.

Bepaalde gebeurtenissen kunnen de referentieperiode waarin het aantal arbeidsdagen moet worden berekend, echter verlengen. Dat geldt voor de periode waarin de jongere door een opleidingsovereenkomst is verbonden. Een opleidingsovereenkomst heeft tot gevolg dat de referentieperiode met de duur van de opleidingsovereenkomst wordt verlengd.

Gedeeltelijke vrijstelling van de beroepsinschakelingstijd

Na afloop van de alternerende opleiding wordt aan de leerling een gedeeltelijke vrijstelling van beroepsinschakelingstijd, ten belope van 310 dagen, verleend.

Voor een jonge werknemer die een alternerende opleiding met succes heeft beëindigd, wordt het aantal van 310 dagen beroepsinschakelingstijd verminderd met het aantal kalenderdagen (zondagen uitgezonderd) dat gelegen is in de periode die gedekt wordt door de opleidingsovereenkomst.

Voor een jonge werknemer die een alternerende opleiding heeft beëindigd, maar zonder succes, wordt het aantal van 310 dagen verminderd met een aantal dagen dat gelijk is aan de helft van het aantal kalenderdagen (zondagen uitgezonderd) dat gelegen is in de periode die gedekt wordt door de opleidingsovereenkomst. De beroepsinschakelingstijd mag in dit geval echter niet minder dan 155 dagen tellen.

Afwijking op het gebied van actief zoeken naar werk

Een jonge werknemer die een alternerende opleiding heeft beëindigd, zal per gewone brief worden opgeroepen voor een gesprek in het werkloosheidsbureau in de loop van de 5de maand beroepsinschakelingstijd, om zijn zoekgedrag naar werk te evalueren. Voor jongeren die hun leertijd met succes hebben beëindigd, vindt die oproeping enkel plaats als de beroepsinschakelingstijd ten minste 155 dagen telt.

In het kader van die evaluatie wordt het feit dat de jonge werknemer een alternerende opleiding met succes heeft beëindigd, gelijkgesteld met twee positieve evaluaties.

Het feit dat de jonge werknemer een alternerende opleiding zonder succes heeft beëindigd, wordt gelijkgesteld met één positieve evaluatie.

Cumulatieregeling voor vergoede werklozen

Er werd ook een voordelige cumulatieregeling uitgewerkt voor vergoede werklozen die een alternerende opleiding aanvatten.

Kinderbijslag

De kinderbijslag (nu een geregionaliseerde materie) wordt onvoorwaardelijk toegekend:

  • In het Franstalig Waals Gewest en het Brussels Gewest: tot 31 augustus van het jaar waarin de jongere 18 jaar wordt.
  • In het Vlaams Gewest: tot de maand waarin de leeftijd van 18 jaar wordt bereikt inbegrepen;
  • In de Duitstalige Gemeenschap: tot de 18de verjaardag van de jongere.

Nadien is het recht op kinderbijslag voorwaardelijk. De regels verschillen naargelang de regio[3].

Arbeidsongeval en beroepsziekte

Bij arbeidsongeval of beroepsziekte heeft de leerling recht op dezelfde waarborgen als de andere werknemers. Voor de berekening van de vergoedingen houdt men bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid rekening met de uitkering van de leerling of de stagiair (met een jaarlijks minimum)[4] en bij permanente arbeidsongeschiktheid met het gemiddeld loon van een meerderjarige werknemer van de categorie waartoe de leerling of stagiair na afloop van zijn contract zou hebben behoord.

Jaarlijkse vakantie

De leerling heeft net als een gewone werknemer recht op jaarlijkse vakantie op basis van de arbeidsprestaties in de onderneming en de lesuren die hij tijdens het vorige jaar heeft uitgeoefend.

Opgelet! Sommige leerlingen hebben daarbovenop nog recht op extra (onbetaalde) vakantiedagen[5].

Pensioen

De periodes gedekt door een opleidingsovereenkomst worden gelijkgesteld met arbeid in loondienst en tellen dus mee voor de berekening van het pensioen. Deze gelijkstelling gebeurt echter ten vroegste vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de jongeren 18 jaar zijn geworden.

 


[1] Om een recht op geneeskundige verzorging te openen, moet de gerechtigde voldoende bijdragen hebben betaald voor de sector geneeskundige verzorging. Als dat minimumbedrag aan bijdragen niet is bereikt, moet een aanvullende bijdrage worden betaald.

[2] Tijdelijke werkloosheid wegens technische stoornis, wegens slecht weer en wegens economische oorzaken (arbeiders- en bediendenstelsels).

[3] Neem voor meer informatie contact op met uw kinderbijslagfonds.

[4] Er bestaan specifieke regels voor leerlingen die tijdens hun arbeidsongeschiktheid 18 jaar worden of hun opleidingsovereenkomst beëindigen.

[5] Indien dit het geval is, werd dit als dusdanig opgenomen in de detailfiche over de betreffende opleidingsovereenkomst.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

    • Wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance (art. 24 tot 28)
    • Koninklijk besluit van 29 juni 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
    • Koninklijk besluit van 29 juni 2014 tot wijziging, wat betreft de leerlingen, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en van het koninklijk besluit van 13 augustus 1984 tot uitvoering van artikel 45 van de herstelwet van 31 juli 1984
    • Koninklijk besluit van 1 juli 2014 tot wijziging van de artikelen 27, 30, 36, 37, 42, 42bis, 63, 68, 71, 94, 99, 106, 114 en 137 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering

Alternerende opleiding > Beroepsinlevingsstage (BIS) in het Vlaams Gewest en het Nederlandstalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Lees eerst even dit…

Met de beroepsinlevingsovereenkomst wil de wetgever bedrijfsstages die op geen enkele wettelijke grondslag berusten, reglementeren en de strijd tegen het zwartwerk aanbinden. Om deze redenen werd een aantal minimumbepalingen vastgesteld inzake de na te leven arbeids- en loonsvoorwaarden voor deze stagiairs.

Wanneer moet men een beroepsinlevingsovereenkomst sluiten?

Principe

De werkgever moet een beroepsinlevingsovereenkomst sluiten met de stagiair die, in het kader van zijn opleiding, bij de werkgever kennis of vaardigheden wil verwerven door arbeidsprestaties uit te voeren.

Wanneer een specifiek juridisch kader voor de stage voorzien is, hoeft u geen beroepsinlevingsovereenkomst te sluiten.  Deze overeenkomst geldt dus enkel voor stages in een onderneming waartoe vrijwillig beslist wordt door een werkgever en een persoon die verdere opleiding wenst of praktische ervaring wil opdoen buiten enig reglementair kader en buiten elke schoolse verplichting.

De arbeidswet van 16 maart 1971 (arbeidsduur, zondagarbeid,…) en de welzijnswet van 4 augustus 1996 zijn van toepassing op de beroepsinlevingsovereenkomst. De arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 daarentegen is het voor het grootste deel (tijdelijke werkloosheid, gewaarborgd loon,…) niet van toepassing op deze overeenkomst[1].

Uitzonderingen

De werkgever hoeft geen beroepsinlevingsovereenkomst aan te gaan:

  • wanneer de stage verband houdt met opleidingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst[2]. Dat is met name het geval wanneer de werknemer die in de onderneming tewerkgesteld wordt, een beroepsopleiding volgt die in het kader van zijn werk wordt georganiseerd;
  • wanneer het gaat om arbeidsprestaties die door een leerling of een student bij een werkgever uitgevoerd worden in het kader van de opleiding die hij volgt in een door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest ingerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of opleidingscentrum[3], voor zover deze arbeidsprestaties niet langer dan 60 dagen[4] duren bij een zelfde werkgever of stagemeester in de loop van hetzelfde schooljaar (voor de onderwijsinstellingen) of academiejaar (voor de opleidingscentra);
  • wanneer het gaat om een stage waarvan de duur expliciet wordt vastgesteld door de bevoegde overheid[5] in het kader van een opleiding die leidt tot de uitreiking van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid. In dat geval mag de duur van 60 dagen overschreden worden.  Het betreft hier meer bepaald het leerlingwezen in de middenstand en het industrieel leerlingwezen, stages verricht door toekomstige geneesheren of architecten tijdens hun studies of elke andere verplichte stage die kadert in de opleiding van de (Belgische of buitenlandse) student[6];
  • wanneer de stagiair arbeidsprestaties uitvoert in het kader van bepalingen ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of door een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst (bijvoorbeeld de individuele opleiding in een bedrijf (IBO, FPI of PFI) alsook alle sectorale opleidingen die door de paritaire comités georganiseerd worden);
  • wanneer de stage voorbereidt op de uitoefening van een vrij beroep of een dienstverlenend beroep van intellectuele aard en de stagiair tijdens zijn stage onderworpen is aan de deontologie van een orde of van een instituut dat opgericht is door wettelijke of reglementaire bepalingen (bijvoorbeeld, stagiair advocaten, architecten of bedrijfsrevisoren);
  • wanneer het een opleiding betreft met een werkplekcomponent waarvoor beroepsinlevingsovereenkomsten in het betrokken decreet of de betrokken regelgeving impliciet of expliciet worden uitgesloten.

Bewijs dat men tot een uitzonderingscategorie behoort

Het bewijs dat de student tot één of andere uitzonderingscategorie behoort, ligt niet voor de hand.  Om alle betwistingen te voorkomen, raden wij u daarom aan om vooraf contact op te nemen met het Toezicht op de sociale wetten.  U vindt de verschillende adressen van het Toezicht op de sociale wetten terug door hier te klikken.

Opmerking

Deze uitsluitingen moeten restrictief geïnterpreteerd worden.  Dat betekent dat als het niet om één van de uitgesloten categorieën gaat, de stage moet beantwoorden aan de bepalingen van de beroepsinlevingsovereenkomst.

Opgelet!  De grens tussen de arbeidsovereenkomst die wordt aangegaan met een persoon die geen beroepservaring heeft en een beroepsinlevingsovereenkomst is miniem.  Wanneer u een beroepsinlevingsovereenkomst sluit, heeft u er alle belang bij om de inhoud van de opleiding nauwkeurig te bepalen en niet zomaar te vermelden dat de stagiair opgeleid zal worden.

De rechtspraak op dit vlak is immers zeer duidelijk: indien een persoon voor rekening van een werkgever werkt, onder diens gezag en tegen verloning, wijst deze arbeidsrelatie op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, tenzij er hiervoor een wettelijke uitzondering bestaat[7].

Enkele specifieke vragen

Tenzij ze onder een van de bovenvermelde uitzonderingen valt, moet de stage die door een jongere die zijn studies beëindigd heeft, uitgevoerd wordt bij een van de satellietorganisaties van de Europese Unie (of andere), het voorwerp uitmaken van een beroepsinlevingsovereenkomst.

De uitzondering die stelt dat er geen beroepsinlevingsovereenkomst gesloten moeten worden wanneer de stage kadert in een opleiding die leidt tot de uitreiking van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid, geldt ook wanneer dit diploma,… op officiële wijze uitgereikt wordt door een buitenlandse overheid.  De buitenlandse onderwijsinstellingen worden immers gelijkgesteld met de Belgische onderwijs- en opleidingsinstellingen.

Indien een onderneming een opleidingsacademie opricht om zelf stagiairs op te leiden, moet steeds een beroepsinlevingsovereenkomst gesloten worden (tenzij een andere reglementering van toepassing is).

Lees ook nog de volgende vraag voor meer informatie over de mogelijkheid om een beroepsinlevingsovereenkomst te sluiten in het kader van een alternerende opleiding.

 


[1] Enkel artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet is van toepassing op de beroepsinlevingsovereenkomst. Voor meer informatie hierover verwijzen we u naar de vraag “Wat zijn de verplichtingen van de werkgever?”.

[2] In de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

[3] Deze uitzondering geldt voornamelijk voor de stages die door leerlingen van het secundair onderwijs worden verricht.

[4] De FOD Sociale Zekerheid heeft gepreciseerd dat het hier stagedagen betreft en geen kalenderdagen.  Indien in de overeenkomst sprake is van een aantal niet te overschrijden uren, moet dit aantal gedeeld worden door het aantal uren dat de stagiair effectief op een dag werkt.

[5] Het kan hier zowel om een Belgische als een niet-Belgische overheid gaan.

[6] De “masters en alternance” die ingevoerd werden door het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 2016 zijn ook uitgesloten. Er mag voor deze masters dus geen beroepsinlevingsovereenkomst gesloten worden. Meer informatie over dit onderwerp vindt u hier.

[7] Arrest van het Arbeidshof van Brussel van 23 april 2014.  Zie ook de rechtspraak van de arbeidsrechtbank van Bergen (17 januari 2013, 25 april 2013, 16 mei 2013, 19 juni 2013, 20 juni 2013). De herkwalificering gebeurt evenwel niet automatisch; er moet aangetoond worden dat het contract niet als hoofddoel heeft om een beroep aan te leren en beroepservaring te verkrijgen, via formele evaluaties, een theoretische vorming, … (Arbeidsrechtbank Brussel van 9 juli 2014 en Arbeidsrechtbank Bergen van 8 januari 2015) maar dat het contract daarentegen steunt op een geldig akkoord tussen de partijen over arbeid, loon en gezag (Arbeidsrechtbank Bergen van 20 mei 2015 en Arbeidsrechtbank Brussel van 28 oktober 2015).

Mag er een beroepsinlevingsovereenkomst gesloten worden in het kader van een alternerende opleiding?

Nee. De beroepsinlevingsovereenkomst, in zijn klassieke toepassing, geldt immers enkel voor stages in een onderneming waartoe vrijwillig beslist wordt door een werkgever en een persoon die verdere opleiding wenst of praktische ervaring wil opdoen buiten enig reglementair kader en buiten elke schoolse verplichting[1].

In de praktijk werd deze strikte toepassing echter niet altijd gevolgd, waardoor de beroepsinlevingsovereenkomst  ook gebruikt wordt in het kader van een alternerende opleiding.  De FOD WASO en de RSZ hebben hier onlangs echter een aantal belangrijke opmerkingen over gemaakt, en meer bepaald over de alternerende master van de Franse Gemeenschap (of Waals-Brusselse Federatie)[2].

Wat met de alternerende master van de Franse Gemeenschap?

Deze master laat toe om de nodige competenties te verwerven, deels in een onderneming, deels in het hoger onderwijs, met als resultaat dat de stagiair een diploma van de onderwijsinstelling kan bekomen.

Aangezien de stages waarvan de duur expliciet door de bevoegde overheid is vastgesteld, in het kader van een opleiding die leidt tot de uitreiking van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van de beroepsinlevingsovereenkomst (zie vorige vraag), hebben zowel de RSZ als de FOD WASO laten weten dat er geen beroepsinlevingsovereenkomst gesloten mag worden voor deze alternerende master.

Opmerking: De FOD geeft nog mee dat het de partijen vrij staat om een overeenkomst te sluiten die de kenmerken van de beroepsinlevingsovereenkomst draagt, maar dat deze overeenkomst dan enkel geldig is tussen de partijen en niet bindend is ten opzichte van derden (zoals de RSZ).  Indien deze overeenkomst aan de definitie van “alternerende opleiding” voldoet, moet ze dan ook onderworpen worden aan de sociale zekerheid en moet er een gewone Dimona-aangifte gebeuren[3].

 


[1] Artikel 104, alinea 2, 2° en 3° van de programmawet van 2 augustus 2002.

[2] Decreet van 30 juni 2016 tot organisatie van het alternerend hoger onderwijs.

[3] Meer informatie over deze onderwerping vindt u in de fiche “Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut”.

Welke bepalingen moet de beroepsinlevingsovereenkomst minimum bevatten?

De beroepsinlevingsovereenkomst moet voor elke stagiair afzonderlijk schriftelijk vastgesteld worden uiterlijk op het moment dat de overeenkomst een aanvang neemt.

Daarnaast moet ze een aantal verplichte vermeldingen bevatten:

    • betreffende de stagiair: de naam en voornamen van de stagiair en zijn hoofdverblijfplaats;
    • betreffende de werkgever: de naam, voornamen en hoofdverblijfplaats van de werkgever of zijn firmanaam en de maatschappelijke zetel;
    • de plaats van uitvoering van de overeenkomst;
    • het voorwerp en de duur van de overeenkomst (er is geen minimum- of maximumduur voorzien);
    • de dagelijkse en wekelijkse aanwezigheidsduur van de stagiair in de onderneming;
    • de overeengekomen vergoeding of de berekeningswijze en -basis van de vergoeding;
    • de manier waarop een einde aan de overeenkomst gesteld kan worden;
    • het opleidingsplan, vrij overeengekomen tussen de partijen en erkend door de bevoegde autoriteiten (erkenning door de gemeenschappen of de gewesten in functie van hun eigen bevoegdheid).

De wetgever is evenwel vergeten een sanctie te voorzien! Het ontbreken van een geschrift en/of het weglaten van bepaalde verplichte vermeldingen worden tot op heden dus niet bestraft.

Waar en hoe lang dient u deze overeenkomst te bewaren?

De beroepsinlevingsovereenkomst, die als een sociaal document aanzien wordt, moet gedurende 5 jaar op de plaats van tewerkstelling bijgehouden worden. De werkgever die deze voorschriften niet naleeft, kan strafsancties en/of administratieve boetes opgelegd krijgen.

 

Welke vergoeding moet er betaald worden?

Minimale vergoeding

In Vlaanderen en voor alle Nederlandstalige opleidingen in Brussel

Sinds 1 januari 2017 bedraagt de minimumvergoeding die toegekend moet worden in het kader van een beroepsinlevingsovereenkomst minimaal de helft van het gewaarborgd minimum maandinkomen (GMMI)[1]

U kan het exacte bedrag van de vergoeding terugvinden in onze Sociolist, trefwoord “Stagiairs inleving/Beroepsinlevingsovereenkomst”.

Wanneer de stagiair slechts deeltijds stage loopt in de onderneming, wordt de vergoeding geproratiseerd.

Opgelet!  Er zijn geen overgangsmaatregelen voorzien, wat wil zeggen dat ook voor de beroepsinlevingsovereenkomsten die al liepen op 1 januari 2017, minstens het nieuwe minimumbedrag toegekend moet worden.

In Wallonië en voor alle Franstalige opleidingen in Brussel

De vergoeding die door de werkgever betaald moet worden, bedraagt minimum een percentage dat afhankelijk is van de leeftijd van de stagiair en berekend wordt op de helft van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) zoals bepaald voor de werknemers van 21 jaar en ouder[2].  Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond op de hogere eenheid van 10 cent.

Dit bedrag blijft steeds hetzelfde, zelfs wanneer het paritair comité in een specifieke leervergoeding voorzien heeft.

U kan de verschillende bedragen van de vergoeding terugvinden in onze Sociolist, trefwoord “Stagiairs inleving/Beroepsinlevingsovereenkomst”.

Opmerking: De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg heeft bevestigd dat deze vergoeding geproratiseerd mag worden indien de stagiair slechts deeltijds stage loopt in de onderneming, bijvoorbeeld 1 dag per week.

Hogere vergoeding

Daar de wetgevende teksten enkel in een minimumvergoeding voorzien, heeft de werkgever steeds de mogelijkheid bijkomende voordelen toe te kennen.  Hij kan bijvoorbeeld een hogere vergoeding of voordelen in natura geven.

Loonbescherming

Deze vergoeding wordt beschouwd als een loon in de zin van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers.

 


[1] Zoals bedoeld in artikel 3, 1ste lid van cao nr. 43. Het resultaat van deze berekening wordt afgerond op het hogere veelvoud van 10 cent.

[2] Het gaat om het bedrag van de vergoeding die voorzien is in het kader van het industrieel leerlingenwezen (artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998, Belgisch Staatsblad van 5 september 1998).

Hoe wordt deze vergoeding op sociaal vlak behandeld? Wat met de Dimona?

Aangezien de beroepsinlevingsovereenkomst niet voldoet aan de voorwaarden om als een alternerende opleiding te worden beschouwd, worden de personen met een beroepsinlevingsovereenkomst niet beschouwd als leerlingen voor de toepassing van de sociale zekerheid voor loontrekkenden. De toegekende vergoeding moet dus niet onderworpen worden aan de sociale zekerheid.

Omdat de jongere met een beroepsinlevingsovereenkomst dus niet aangegeven wordt via de multifunctionele aangifte aan de RSZ (DmfA), zal een Dimona 'without DmfA' moeten verricht worden.

Wat is de fiscale behandeling van deze vergoeding?

De vergoedingen die in het kader van een beroepsinlevingsovereenkomst ontvangen worden, worden voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing als normale bezoldigingen beschouwd en zijn dus volgens dezelfde barema’s als de lonen aan bedrijfsvoorheffing onderworpen [1]. Het barema dat betrekking heeft op de occasionele of subsidiaire vergoedingen is hier dus niet van toepassing.


[1] Bijlage III van het Wetboek op de inkomstenbelastingen 92, barema's van de bedrijfsvoorheffing.

Welke andere financiële voordelen zijn er?

Voor het antwoord op deze vraag, klik hier.

Waaruit bestaat het opleidingsplan?

De beroepsinlevingsovereenkomst is niet geldig zonder een opleidingsplan dat erkend werd door hetzij de VDAB, hetzij Bruxelles Formation, hetzij de Forem, hetzij de “haute école” (ingesteld door de Franse gemeenschap), hetzij ADG.

We raden u aan contact op te nemen met deze instellingen om de praktische details van uw opleidingsplan te regelen.

Wat zijn de verplichtingen van de werkgever?

De werkgever moet een verzekering[1] aangaan voor de jongere met een beroepsinlevingsovereenkomst en hem een kopie van het arbeidsreglement overhandigen.  Hij moet zich eveneens aansluiten bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

De aansprakelijkheid van de stagiair is geregeld door artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.  De stagiair kan dus niet aangesproken worden voor de schade veroorzaakt aan de werkgever of aan derden in het kader van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, tenzij in geval van bedrog, zware fout of lichte fout die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.


[1] Sinds 1 juli 2015 is dit geen arbeidsongevallenverzekering meer maar een verzekering van gemeen recht. De personen die een beroepsinlevingsovereenkomst hebben gesloten zijn in principe immers niet onderworpen aan de sociale zekerheid.

Heeft de stagiair recht op jaarlijkse vakantie?

De jongeren met een beroepsinlevingsovereenkomst hebben geen recht op jaarlijkse vakantie, aangezien ze niet aan de sociale zekerheid onderworpen zijn. 

Wat zijn de schorsingsoorzaken van de beroepsinlevingsovereenkomst?

De wetgever heeft voor de beroepsinlevingsovereenkomst geen enkele schorsingsgrond voorzien daar het enkel de bedoeling was minimumbepalingen inzake arbeids- en loonsvoorwaarden vast te stellen.

 

Wat zijn de beëindigingsgronden van de beroepsinlevingsovereenkomst?

In de wetgeving is geen enkele reden tot beëindiging van de beroepsinlevingsovereenkomst voorzien. Er is daarentegen wel bepaald dat de overeenkomst zelf de verschillende hypothesen waarin de overeenkomst een einde neemt, moet vermelden.

 

Wat zijn de toepasselijke sancties?

Voor een overzicht van de toepasselijke sancties verwijzen we u naar het trefwoord “Beroepsinlevingsovereenkomst” in de fiche “Sociaal Strafwetboek – 4. De inbreuken” in ons dossier over het Sociaal Strafrecht.  U vindt dit dossier terug in de rubriek Sociaal/Dossiers.

Overzichtstabel

Beroepsinlevingsovereenkomst

-        verplichte vermeldingen

-        tussen werkgever en stagiair

-        opleidingsplan

-        geen specifieke duur (in functie van de opleiding)

-        geen proefperiode

Uitzonderingen

-        opleiding tijdens de arbeidsovereenkomst

-        opleiding gevolgd in een onderwijsinstelling (minder dan 60 dagen)

-        stage waarvan de duur uitdrukkelijk door de bevoegde (Belgische of buitenlandse) overheid vastgelegd is in het kader van een opleiding die leidt tot de aflevering van een diploma

-        bepalingen ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of bij CAO

-        stage tot voorbereiding op de uitoefening van een vrij beroep en onderworpen aan de deontologie van een orde

-        opleidingen met een werkplekcomponent die uitdrukkelijk uitgesloten worden

Financiële voordelen

Start- en stagebonus of Waalse incentives

Aftrekbaarheid aan 140%

Minimumvergoeding

In Vlaanderen: helft van het GMMI

In Brussel en Wallonië: % volgens de leeftijd van de stagiair x GMMI/2

Sociale behandeling van de vergoeding

Geen onderwerping aan de sociale zekerheid

Verplichtingen van de werkgever

-        Dimona 'without DmfA'

-        arbeidsreglement

-        aansluiting EDPBW

-        verzekering van gemeen recht[1]

-        opleidingsplan

Schorsing van de overeenkomst

Niets voorzien door de wetgeving

Verbreking van de overeenkomst

Reden voorzien in de beroepsinlevingsovereenkomst

 


[1] Indien het een beroepsinlevingsovereenkomst betreft gesloten in het kader van een alternerende opleiding moet een arbeidsongevallenverzekering worden gesloten.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

  • Programmawet van 2 augustus 2002, artikels 104 tot 112 (basistekst)
  • Koninklijk besluit van 11 maart 2003 (vergoeding Brussel en Wallonië)
  • Besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2016 (vergoeding Vlaanderen)

Alternerende opleiding > (Stage)overeenkomst alternerende opleiding in de Vlaamse Gemeenschap

Lees eerst even dit…

Bij de 6de Staatshervorming werd Vlaanderen bevoegd voor het industrieel leerlingenwezen en de alternerende beroepsinlevingsovereenkomst in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO). De Vlaamse regering besliste om van deze overheveling gebruik te maken om enkele bestaande statuten inzake leren en werken te moderniseren, vereenvoudigen en harmoniseren, en dit met ingang van 1 september 2016

De industriële leerovereenkomst, de beroepsinlevingsovereenkomst DBSO en de leerovereenkomst middenstand werden dan ook afgeschaft[1] en vervangen door een nieuw type van opleidingsovereenkomst voor de uitvoering van een alternerende opleiding.  In deze fiche gaan we dieper in op de regels die hierop van toepassing zijn. 

Voor de algemene regels die van toepassing zijn op alle opleidingsovereenkomsten verwijzen we u naar de fiche “Jongeren in opleiding – Algemene principes”  In die fiche vindt u het antwoord op de volgende vragen:

  • Welke voordelen heeft het sluiten van een opleidingsovereenkomst?
  • Wat zijn de start- en stagebonus?
  • Hoe wordt de opleidingsvergoeding op sociaal vlak behandeld?
  • Moet er bedrijfsvoorheffing ingehouden worden en moet de vergoeding in de personenbelasting aangegeven worden?
  • Moet er een Dimona-aangifte gebeuren?

Sinds 1 juli 2015 heeft de federale overheid een eenvormig socialezekerheidsstatuut uitgewerkt voor de leerlingen in alternerende opleiding. U vindt de definitie van leerling in alternerende opleiding en de uitleg over hun statuut in onze fiche "Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut".

 


[1] De overeenkomsten die vóór 1 september 2016 gesloten werden op basis van de oude wetgeving blijven evenwel lopen tot hun einddatum en blijven de regels volgen die voor de hervorming van toepassing waren.

Waarom een alternerende opleiding?

De Vlaamse regering wil maximaal inzetten op "duaal leren": alternerend leren en werken dient immers een antwoord te bieden op het probleem van het vroegtijdig schoolverlaten (omwille van schoolmoeheid) en van de jeugdwerkloosheid (omwille van het gebrek aan ervaring).

Door een alternerende opleiding te volgen, kunnen de jongeren tijdens hun opleiding reeds werkervaring opdoen: een theoretische opleiding (op school of in een vormingscentrum) wordt gekoppeld aan een praktische opleiding in een onderneming, en dit onder toezicht van een mentor (een ervaren werknemer of bedrijfsleider van de onderneming) en een trajectbegeleider (een door de opleidingsverstrekker gemandateerd persoon).

Onder alternerende opleiding wordt verstaan:

  • elke opleiding van het voltijds secundair onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4 die door de Vlaamse regering als duaal wordt aangeduid;
  • elke opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  • elke opleiding in de leertijd[1].

 


[1] Onder leertijd wordt verstaan: een praktijkopleiding in een onderneming, aangevuld met een theoretische vorming in een erkend centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

 

Welk soort overeenkomst sluiten?

Tripartiete overeenkomst

Voor de uitvoering van de alternerende opleiding, en voor zover de opleiding op de werkplek via een reguliere tewerkstelling wordt ingevuld, moet er een tripartiete overeenkomst gesloten worden tussen:

 

Mogelijke vormen van overeenkomsten

Principe

De twee mogelijke overeenkomsten zijn[2]:

  • de overeenkomst van alternerende opleiding (OAO): deze moet gesloten worden als de opleiding gemiddeld op (school)jaarbasis minstens 20 uur per week opleiding op een reële werkplek omvat, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;
  • de stageovereenkomst alternerende opleiding (SAO): deze moet gesloten worden:
    • ofwel als de opleiding door de Vlaamse regering als duaal is aangeduid en op de werkplek gemiddeld op (school)jaarbasis minder dan 20 uur per week bedraagt, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;
    • ofwel als de opleiding uitsluitend plaatsvindt op een gesimuleerde werkplek[3].

 

Opmerking: de breuklijn tussen de gewone overeenkomst en de stageovereenkomst ligt op 20 uur per week omwille van het socialezekerheidsstatuut voor alternerende opleidingen. Leerlingen vallen immers onder dit statuut indien ze gemiddeld 20 uur per week werken. De Vlaamse regering heeft haar regelgeving op dit vlak dus afgestemd op de federale wetgeving. 

Uitzondering

In twee gevallen is het mogelijk om in plaats van één van bovenstaande overeenkomsten te gebruiken, een deeltijdse arbeidsovereenkomst met de leerling te sluiten:

  • De eerste uitzondering is ingevoerd voor de werkgevers uit de non-profitsector die onder het toepassingsgebied van de sociale maribel vallen, omdat dit soort overeenkomst vereist is om van de sociale maribel-maatregel te kunnen genieten; ook de werkgevers die onder het PC 143 voor de zeevisserij ressorteren kunnen gebruik maken van een deeltijdse arbeidsovereenkomst
  • De tweede uitzondering is een overgangsmaatregel voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Hier blijft het, tot een nog nader te bepalen datum, mogelijk om met een deeltijdse arbeidsovereenkomst te werken voor opleidingen die door de Vlaamse regering niet als duaal aangeduid zijn en waarbij gemiddeld minder dan 20 uur per week op de werkplek doorgebracht wordt.

Op deze overeenkomsten is de arbeidsovereenkomstenwet van toepassing. We gaan er in deze fiche dan ook niet verder op in. 

 


[1] Hierdoor worden vrije leerlingen uitgesloten. Het is immers de bedoeling dat de leerlingen op een bepaald ogenblik in hun opleiding een overeenkomst voor alternerende opleiding sluiten waarmee ze ook onder het federale socialezekerheidsstatuut alternerende opleiding vallen. Dit kan niet het geval zijn voor een vrije leerling aangezien deze geen eindkwalificatie kan behalen en dus niet voldoet aan de voorwaarden van dit socialezekerheidsstatuut.

[2] Volgens de memorie van toelichting is het hierbij niet de bedoeling dat het soort overeenkomst dat gebruikt wordt individu-afhankelijk is, maar wel dat in eenzelfde studierichting of opleiding aan de hand van standaardtrajecten bepaald wordt of er ofwel met de overeenkomst van alternerende opleiding ofwel met de stageovereenkomst alternerende opleiding gewerkt wordt.

[3] Gesimuleerde werkplekken komen echter enkel in aanmerking voor zover ze eigen zijn aan de sector of de onderneming en ook door werknemers binnen een sector of onderneming gebruikt dienen te worden.

 

Aan welke voorwaarden moet de (stage)overeenkomst voldoen?

Schriftelijke overeenkomst

De (stage)overeenkomst tot uitvoering van de alternerende opleiding moet voor elke leerling afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de leerling zijn alternerende opleiding aanvat.

De stageovereenkomst alternerende opleiding en de overeenkomst van alternerende opleiding moeten worden opgesteld volgens het model dat vastgelegd is door de Vlaamse regering[1].

Verplichte vermeldingen

De (stage)overeenkomst moet de volgende verplichte vermeldingen en bepalingen omvatten:

  • de datum van inwerkingtreding, de einddatum en het voorwerp van de overeenkomst;
  • de naam van de onderneming en van de persoon die de onderneming vertegenwoordigt;
  • de naam van de mentor in de onderneming;
  • de identiteit van de leerling;
  • de naam van de opleidingsverstrekker waar de leerling de lessen volgt en van de trajectbegeleider van de opleidingsverstrekker;
  • het bedrag van de leervergoeding (enkel voor de overeenkomst van alternerende opleiding; niet voor de stageovereenkomst);
  • het uurrooster waarin enerzijds de tijdstippen worden vermeld waarop de leerling de opleiding volgt in de onderneming en anderzijds de tijdstippen waarop de leerling de lessen en de gelijkgestelde activiteiten volgt bij de opleidingsverstrekker;
  • de plaats van de uitvoering van de opleiding op de werkplek;
  • de verwijzing naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen, inzonderheid met betrekking tot voorzieningen van sociale zekerheid, arbeidswetgeving; welzijnswetgeving en verzekering, die van toepassing zijn op de onderneming;
  • de beperkte aansprakelijkheid van de leerling bij schade ten aanzien van de onderneming of derden.

Maken bovendien integraal deel uit van de (stage)overeenkomst en moeten er als bijlage aan toegevoegd worden:

  • het opleidingsplan opgesteld door de opleidingsverstrekker in overleg met de onderneming;
  • de rechten en plichten van de leerling, de onderneming en de opleidingsverstrekker;
  • de integrale tekst van de artikelen uit het decreet die betrekking hebben op de schorsingen en beëindiging van de overeenkomst;
  • het arbeidsreglement.

De overeenkomst mag geen bedingen bevatten die de rechten van de leerling beperken of zijn verplichtingen verzwaren.

Overeenkomst van bepaalde duur

De (stage)overeenkomst moet voor bepaalde duur gesloten worden, maar kan schooljaaroverschrijdend zijn.

Om zijn opleidingsplan uit te voeren, kan de leerling opeenvolgende overeenkomsten met verschillende ondernemingen sluiten.  De duur van alle overeenkomsten samen mag evenwel niet meer bedragen dan duur van de alternerende opleiding waarop de overeenkomsten betrekking hebben, en dit vanaf het moment dat de alternerende opleiding voor de leerling ingevuld is met een werkplekcomponent.

Voorbeeld: een leerling volgt een alternerende opleiding van 3 jaar, maar er is pas een werkplekcomponent vanaf het tweede jaar, dan mag de duur van de (stage)overeenkomst maximaal 2 jaar bedragen.

Voltijdse overeenkomst

De (stage)overeenkomst is een voltijdse overeenkomst en bevat zowel de lescomponent (theoretische opleiding) als de werkplekcomponent (praktische opleiding). Ook de lescomponent wordt dus als arbeidstijd beschouwd[2].  Voor de berekening van het aantal uren binnen de overeenkomst telt een les of gelijkgestelde activiteit steeds mee voor 60 minuten. Eén lesuur komt aldus overeen met één arbeidsuur. 

De tijd die de leerling besteedt aan de uitvoering van zijn (stage)overeenkomst mag niet meer bedragen dan de maximale arbeidsduur, voorzien in de wet, in de sector of in het arbeidsreglement. De leerling mag per week met andere woorden niet meer uren presteren (theorie + praktijk) dan een gewone voltijdse werknemer in de onderneming.

 


[1] Ministerieel besluit van 23 december 2020 tot bepaling van het model van de overeenkomst van alternerende opleiding en het model van de stageovereenkomst alternerende opleiding.

[2] Hierdoor bouwt de leerling ook rechten op op basis van zijn lesdagen en is hij op lesdagen ook gedekt door de arbeidsongevallenverzekering van de onderneming.

 

Wat zijn de verplichtingen van de onderneming?

Algemene verplichtingen

De onderneming moet zich schikken naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen, en in het bijzonder de bepalingen met betrekking tot de voorzieningen van sociale zekerheid, de arbeidswetgeving, de welzijnswetgeving en verzekeringen die van toepassing zijn op de onderneming. De (stage)overeenkomst is immers een overeenkomst met een gezagsverhouding tussen de werkgever en de leerling en wordt dan ook voor de verschillende regelgevingen gelijkgesteld met een arbeidsovereenkomst.

Hieruit vloeit onder meer voort dat de onderneming de leerling een arbeidsreglement moet overhandigen en dat ze de verplaatsingskosten van de leerling moet terugbetalen. 

Daarnaast moet de onderneming zich bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk aansluiten en verplicht een arbeidsongevallenverzekering voor de leerling aangaan die zowel de uren van opleiding in de onderneming dekt als de uren theoretische vorming (lessen en gelijkgestelde activiteiten) en eveneens een verzekering die de arbeidswegongevallen dekt die plaatsvinden tussen de woonplaats en de werkplaats of de opleidingsinstelling en omgekeerd en tussen de werkplaats en de opleidingsinstelling en omgekeerd.

Betreffende de Dimona-verplichting, dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen de:

  • Overeenkomst alternerende opleiding : bij het sluiten van deze aan de RSZ-onderworpen overeenkomst dient een Dimona OTH verricht te worden door de onderneming
  • en de stageovereenkomst alternerende opleiding : bij het sluiten van deze niet-onderworpen stage dient een Dimona STG verricht te worden door de school of het vormingscentrum.
  • Praktische opleiding geven

De onderneming is verplicht om de leerling de competenties van de opleiding op een werkplek aan te leren en er dus over te waken dat de leerling de praktijkopleiding volgt die voorgeschreven is door het opleidingsprogramma. 

Daartoe is de onderneming in het bijzonder verplicht:

  • de professionalisering van de mentor te bevorderen;
  • een exemplaar van de (stage)overeenkomst aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren te bezorgen;
  • ervoor te zorgen dat de leerling de lessen kan volgen die noodzakelijk zijn voor zijn opleiding, en dat de leerling aan de activiteiten kan deelnemen die gelijkgesteld zijn met lessen;
  • te waken over het verloop van het opleidingstraject, de vorderingen van de leerling op te volgen en betrokken te zijn bij de evaluatie van de leerling;
  • aan de trajectbegeleider alle nodige informatie te geven over het verloop van de opleiding en de vorderingen van de leerling;
  • de vigerende wetgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens na te leven;
  • erover te waken dat de mentor die uit hoofde van zijn opdracht toegang heeft tot persoonsgegevens van leerlingen, deze enkel zal aanwenden met betrekking tot de correcte uitvoering van de (stage)overeenkomst en zowel tijdens de duur van de overeenkomst als na de beëindiging ervan geen enkele vertrouwelijke informatie met betrekking tot de leerling op welke wijze dan ook zal bekend maken aan derden;
  • er als een goed huisvader voor te zorgen dat de opleiding op de werkplek plaatsvindt in omstandigheden die voldoen aan de vereisten van de wetgeving over welzijn op het werk;
  • aan de leerling de nodige hulp, gereedschappen, grondstoffen, werkkledij, collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking te stellen en in te staan voor het onderhoud ervan zonder dat dat beschouwd mag worden als een voordeel in natura;
  • de nodige aandacht te besteden aan het onthaal, de opvang en de integratie van de leerling op de werkplek;
  • te allen tijde te zorgen voor een aanspreekpunt voor de jongere;
  • de leerling geen taken te laten verrichten die niets te maken hebben met het opleidingsplan, die gevaarlijk of schadelijk kunnen zijn of die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen verboden zijn;
  • elke wijziging van de beroepsactiviteit of de uitbatingszetel, die gevolgen heeft voor de opleiding van de leerling, binnen tien dagen te melden aan de trajectbegeleider;
  • de problemen die rijzen tijdens de uitvoering van de (stage)overeenkomst onmiddellijk voor te leggen aan de trajectbegeleider.

 

De onderneming kan, om het opleidingsplan van de leerlingen uit te voeren, een onderdeel van de opleiding overlaten aan een andere erkende onderneming. Beide ondernemingen moeten hiervoor een samenwerkingsovereenkomst afsluiten. Een dergelijke overeenkomst kan enkel voor de termijn en de onderdelen die bepaald zijn door het sectoraal partnerschap, of door het Vlaams Partnerschap Duaal Leren. Deze partnerschappen moeten ook op de hoogte gebracht worden van de samenwerkingsovereenkomst.

Alle betrokken partijen, dus ook de opleidingsverstrekker, moeten instemmen met een dergelijke overeenkomst.

Leervergoeding : enkel voor de overeenkomst alternerende opleiding

De onderneming moet ook een maandelijkse leervergoeding uitbetalen, maar deze verplichting geldt enkel voor de leerlingen verbonden met een overeenkomst van alternerende opleiding.  De leerlingen met een stageovereenkomst alternerende opleiding hebben geen recht op een vergoeding.  Lees hierover meer onder de vraag "Hoeveel bedraagt de leervergoeding?".

 

Wat zijn de verplichtingen van de leerling?

De leerling verbindt zicht ertoe:

  • om als regelmatige leerling met het oog op het behalen van de studiebekrachtiging het contactonderwijs bij de opleidingsverstrekker te volgen en de opleiding op de werkplek onder het gezag en toezicht van de mentor te volgen;
  • de (stage)overeenkomst te sluiten en deze uit te voeren met de bedoeling het opleidingstraject te voleindigen;
  • zijn vorderingen op te volgen overeenkomstig de richtlijnen van de opleidingsverstrekker en de mentor;
  • de opgedragen taken zorgvuldig, eerlijk en nauwgezet op de tijd, plaats en wijze die is overeengekomen, te verrichten;
  • op de werkplek te handelen volgens de richtlijnen van de mentor;
  • zich te onthouden van al wat schade kan berokkenen aan de eigen veiligheid, de veiligheid van de collega’s, de onderneming of derden;
  • het toevertrouwde gereedschap, de werkkledij en de ongebruikte grondstoffen in goede staat aan de onderneming terug te geven;
  • geen fabrieksgeheimen, zakengeheimen en geheimen over persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden bekend te maken, noch tijdens de uitvoering, noch na de beëindiging van de overeenkomst;
  • geen daden van oneerlijke concurrentie te stellen of daaraan niet mee te werken, noch tijdens de uitvoering, noch na de beëindiging van de overeenkomst;
  • de problemen die rijzen tijdens de uitvoering van de (stage)overeenkomst onmiddellijk voor te leggen aan de trajectbegeleider en de mentor.

Hoe zit het met de aansprakelijkheid van de leerling?

Wanneer de leerling bij de uitvoering van zijn (stage)overeenkomst schade berokkent aan de onderneming of aan derden of gebrekkig werk levert, is hij enkel aansprakelijk in geval van bedrog, zware fout of lichte fout die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt[1].  Alle hiermee strijdige bedingen zijn nietig.

De leerling is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of slijtage die toe te schrijven zijn aan het regelmatig gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallig verlies ervan. 

 


[1] De aansprakelijkheid van de vader of moeder van de leerling geldt enkel wanneer de minderjarige leerling zelf ook persoonlijk aansprakelijk gesteld kan worden, zodat de beperkte aansprakelijkheid van de leerling niet uitgehold zou worden.

Hoeveel bedraagt de leervergoeding?

Principe: maandelijkse vergoeding, enkel voor de overeenkomst alternerende opleiding

De leerling ontvangt een maandelijkse leervergoeding van de onderneming, die zowel de opleiding in de onderneming als de lessen en de gelijkgestelde activiteiten dekt. Deze vergoeding valt onder de loonbeschermingswet.

Opgelet!  Dit geldt enkel voor de leerling met een overeenkomst van alternerende opleiding. De stageovereenkomst alternerende opleiding is immers onbezoldigd!

Bedrag

De leervergoeding is gelijk aan een percentage van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI) voor werknemers van 18 jaar en ouder[1]. Het bedraagt meer bepaald:

  • 29% van het GGMMI tijdens het eerste opleidingsjaar van de alternerende opleiding;
  • 32% van het GGMMI indien de leerling een van de volgende jaren of graden met succes heeft beëindigd:
    • het eerste opleidingsjaar van de alternerende opleiding[2];
    • de tweede graad van het secundair onderwijs;
  • 34,50% van het GGMMI indien de leerling een van de volgende jaren, kwalificatiefases of opleidingen met succes heeft beëindigd:
    • het tweede opleidingsjaar van de alternerende opleiding[3];
    • het eerste jaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
    • de kwalificatiefase van het buitengewoon secundair onderwijs (opleidingsvorm 3);
    • een alternerende opleiding van minstens twee jaar.

 

Opgelet! De leervergoeding mag evenwel nooit hoger zijn dan de inkomensgrens waarboven het recht op kinderbijslag verloren gaat.

Aanpassing van de vergoeding

Het bedrag van de leervergoeding wordt aangepast:

  • bij de start van het volgende opleidingsjaar, op 1 september;
  • indien het GGMMI geïndexeerd wordt.

Raadpleeg onze Sociolist voor meer informatie.

Sociale en fiscale behandeling

Voor de sociale en fiscale behandeling van de leervergoeding verwijzen we u naar de fiche "Jongeren in opleiding - Algemene principes" en meer bepaald naar de vragen:

Betaling van de leervergoeding

De leervergoeding wordt in principe aan de leerling zelf betaald.  Indien de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige leerling hier evenwel verzet tegen aantekent, wordt de vergoeding aan de wettelijke vertegenwoordiger betaald.

 


[1] Het bedrag van de aldus bekomen leervergoeding wordt afgerond naar het hogere veelvoud van 10 cent.

[2] Een leerling wordt geacht het opleidingsjaar met succes beëindigd te hebben als hij op basis van de competenties, verworven tijdens dat opleidingsjaar, studievoortgang kan maken.

[3] Een leerling wordt geacht het opleidingsjaar met succes beëindigd te hebben als hij op basis van de competenties, verworven tijdens dat opleidingsjaar, studievoortgang kan maken.

 

Kan de leerling aanspraak maken op andere vergoedingen dan de leervergoeding?

Algemeen

Leerlingen alternerend leren hebben recht op andere vergoedingen dan de leervergoeding (premie zondagswerk, mobiliteitsvergoeding, …) wanneer ze specifiek tot het toepassingsgebied van de CAO behoren.

Opm.: hierbij moet rekening worden gehouden met feit dat leerlingen noch bedienden, noch arbeiders zijn.

Wanneer leerlingen niet tot het toepassingsgebied van een CAO behoren, dan mag het voordeel toegekend worden, maar moet het niet.

Opgelet! De toekenning van dergelijke voordelen mag er niet toe leiden dat de leerling het recht op kinderbijslag verliest.

Terugbetaling van woon-werkverplaatsingen

Meer informatie hierover leest u in de volgende vraag.

 

Worden de verplaatsingskosten van de leerling terugbetaald?

Uit de regel dat de onderneming zich moet schikken naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen die op haar van toepassing zijn, vloeit voort dat de verplaatsingskosten van de leerling terugbetaald moeten worden (ook in het kader van de stageovereenkomst alternerende opleiding).  Hiervoor gelden dezelfde regels als voor de 'gewone' werknemers. Meer informatie hierover vindt u onder de rubriek Sectoraal (selecteer uw paritair comité en raadpleeg vervolgens de “Vervoersonkosten”).

De tussenkomst van de onderneming in de verplaatsingskosten tast het recht op kinderbijslag niet aan.

Opmerking voor de bouwsector[1]: de CAO van de bouwsector is van toepassing op werknemers en werkgevers verbonden door een arbeidsovereenkomst. Deze CAO is dus van toepassing op leerlingen verbonden door een deeltijdse arbeidsovereenkomst, maar niet op leerlingen verbonden door een andere soort overeenkomst zoals de (stage)overeenkomt alternerende opleiding. Syntra pleit er voor om ook die laatste leerlingen op dezelfde manier te behandelen als de gewone werknemers. Indien er geen mobiliteitsvergoeding wordt toegekend, is Syntra de mening toegedaan dat de reistijd als arbeidstijd moet worden beschouwd (de mobiliteitsvergoeding wordt immers toegekend om de reistijd niet als arbeidstijd te moeten beschouwen).

 


[1] Komt uit de "Veelgestelde vragen en antwoorden bij het decreet tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen" opgemaakt door Syntra Vlaanderen.

 

Kan de (stage)overeenkomst geschorst worden?

Principe

De (stage)overeenkomst wordt geschorst in alle gevallen waarin ook de arbeidsovereenkomst van een gewone werknemer geschorst wordt, zoals klein verlet, ziekte, moederschapsrust,...  Voor de schorsing wegens jaarlijkse vakantie verwijzen we u naar de volgende vraag. 

Tijdens een periode van schorsing behoudt de leerling met een overeenkomst van alternerende opleiding het recht op zijn leervergoeding onder dezelfde voorwaarden die gelden voor het behoud van loon van een werknemer met een arbeidsovereenkomst[1]

In geval van tijdelijke werkloosheid (wegens economische oorzaken, slecht weer of technische stoornis) ontvangt de leerling, indien het een contract gesloten sinds 1 juli 2015 betreft, overbruggingsuitkeringen van de RVA[2] (meer informatie hierover vindt u in onze fiche "Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut")

Uitzondering 1: arbeidsongeval of beroepsziekte

De leerling met een overeenkomst van alternerende opleiding zal geen recht hebben op zijn leervergoeding in geval van arbeidsongeschiktheid wegens beroepsziekte of arbeidsongeval. 

De leerling heeft in dit geval recht op een vergoeding van de arbeidsongevallenverzekering of van het fonds voor beroepsziekten en de werkgever gaat de eerste betalingen dus niet moeten voorschieten, wat hij voor zijn gewone werknemers wel moet doen.

Uitzondering 2: schorsing of uitsluiting op school

De (stage)overeenkomst wordt eveneens geschorst als de leerling:

  • tijdelijk uitgesloten wordt door de opleidingsverstrekker;
  • definitief uitgesloten wordt door de opleidingsverstrekker, maar de leerlingen hiertegen beroep heeft aangetekend;
  • preventief geschorst wordt door de opleidingsverstrekker.

De leerling met een overeenkomst van alternerende opleiding zal tijdens deze schorsing geen recht hebben op zijn leervergoeding.

Wat gebeurt er wanneer de uitvoering van de (stage)overeenkomst meer dan 14 dagen geschorst wordt?

De onderneming moet in dat geval de trajectbegeleider op de hoogte brengen.

Als na een schorsing van meer dan 14 dagen de uitvoering van de (stage)overeenkomst hervat wordt, moet de onderneming opnieuw de trajectbegeleider op de hoogte brengen, en dit uiterlijk 3 dagen na de hervatting.

 


[1] Dit geldt niet voor de stageovereenkomst alternerende opleiding aangezien de leerling tijdens deze overeenkomst sowieso geen vergoeding krijgt.

[2] De leerling moet wel al zijn inhaalrust opgebruikt hebben en tussen 2 schorsingsperiodes moet steeds minstens een week normale arbeid zitten.

Heeft de leerling recht op vakantie?

De leerling met een overeenkomst van alternerende opleiding

Vanaf 1 september 2019 hebben alle leerlingen vrij tijdens elke schoolvakantie. Met schoolvakantie worden de herfst-, kerst-, krokus-, paas- en zomervakantie bedoeld.

De regeling geldt voor alle lesplaatsen en ongeacht de begindatum van de overeenkomst. Ze is ook van toepassing op de overeenkomsten die vóór 1 september 2019 begonnen zijn.

In de volgende gevallen kan er afgeweken worden van deze vakantieregeling:

  • de onderneming, de leerling (en zijn of haar wettelijke vertegenwoordiger) en de opleidingsverstrekker kunnen overeenkomen dat er een leeropportuniteit is tijdens een schoolvakantie (bv. omwille van drukte waardoor bepaalde competenties beter kunnen ingeoefend worden). Bij deze afwijking moet de leerling wel steeds 4 weken vakantie krijgen in juli en augustus en de opleidingsdagen moeten tijdens het schooljaar gerecupereerd worden;
  • voor een opleiding die seizoensgebonden is, kan de Vlaamse regering een structurele afwijking op de schoolvakantieregeling goedkeuren. Ook bij deze afwijking moet de leerling deze opleidingsdagen tijdens het schooljaar recupereren;
  • een sectoraal partnerschap kan de schoolvakantieregeling voor een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd, de kwalificatiefase en integratiefase van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3 en in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs beperken tot 12 weken. Bij deze afwijking moeten de gepresteerde dagen niet gerecupereerd worden.

Deze afwijkingen kunnen enkel vastgelegd worden voor een lopende overeenkomst en ze moeten in een bijlage bij de overeenkomst worden opgenomen.

Indien de leerling een opleiding volgt in een duale structuuronderdeel ingericht op het niveau van Se-n-Se of het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs, al dan niet ingericht in de vorm van een specialisatie, wordt de vakantieregeling beperkt tot 8 schoolvakantieweken per schooljaar.

Deze vakantiedagen zijn onbetaald met uitzondering van de dagen betaalde jaarlijkse vakantie die de leerling eventueel opgebouwd heeft.

De leerling met een stageovereenkomst alternerende opleiding

De leerling met een stageovereenkomst alternerende opleiding volgt de schoolvakantieregeling. Tijdens de schoolvakanties moet hij met andere woorden niet komen werken.

In de volgende gevallen kan er afgeweken worden van deze vakantieregeling:

  • de onderneming, de leerling (en zijn of haar wettelijke vertegenwoordiger) en de opleidingsverstrekker kunnen overeenkomen dat er een leeropportuniteit is tijdens een schoolvakantie (bv. omwille van drukte waardoor bepaalde competenties beter kunnen ingeoefend worden). Bij deze afwijking moet de leerling wel steeds 4 weken vakantie krijgen in juli en augustus en de opleidingsdagen moeten tijdens het schooljaar gerecupereerd worden;
  • voor een opleiding die seizoensgebonden is, kan de Vlaamse regering een structurele afwijking op de schoolvakantieregeling goedkeuren. Ook bij deze afwijking moet de leerling deze opleidingsdagen tijdens het schooljaar recupereren.

Wanneer eindigt de (stage)overeenkomst?

Algemene wijzen van beëindiging

Opzeg tijdens de eerste 30 dagen (of verlengde termijn)

Tijdens de eerste 30 dagen van uitvoering van de (stage)overeenkomst kan de onderneming of de leerling de (stage)overeenkomst opzeggen met een opzegtermijn van 7 dagen[1]. Deze gaat in de dag na ontvangst van de schriftelijke opzegging. Op deze manier creëert de decreetgever een soort van proefperiode waarin de partijen kunnen aanvoelen of samenwerking mogelijk is.

Belangrijk! Als de (stage)overeenkomst wordt geschorst tijdens deze periode van 30 dagen, dan wordt deze periode verlengd met de duur van de schorsing.

De gegeven opzegtermijn wordt daarentegen niet geschorst in geval van schorsing van de (stage)overeenkomst.

Automatische beëindiging

De (stage)overeenkomst eindigt:

  • wanneer verbintenissen in het algemeen eindigen (voorbeeld, bij overlijden van de leerling);
  • wanneer de termijn ervan verstreken is;
  • als de leerling de opleiding met vrucht heeft beëindigd;
  • als de mentor overlijdt en geen andere mentor kan worden aangesteld;
  • omwille van overmacht, die tot gevolg heeft dat de uitvoering van de (stage)overeenkomst definitief onmogelijk wordt;
  • op verzoek van de leerling in geval van faillissement of na overname van de onderneming, tenzij de overeenkomst door het overnemende bedrijf overgenomen wordt[2];
  • als de schorsing van de uitvoering van de (stage)overeenkomst langer dan 60 dagen aanhoudt en de onderneming of de leerling de wens uit de overeenkomst niet verder uit te voeren;
  • bij de definitieve uitsluiting van de leerling als tuchtmaatregel van de opleidingsverstrekker;
  • bij vroegtijdige stopzetting van de opleiding;
  • als de erkenning van de onderneming wordt opgeheven;
  • als de opleidingsverstrekker de leerling heeft ingeschreven onder een ontbindende voorwaarde en de inschrijving op basis daarvan ontbonden wordt.
Sanctie

De onderneming die de overeenkomst van alternerende opleiding op onrechtmatige wijze beëindigt, is een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met een leervergoeding voor één maand. Deze sanctie geldt niet bij onrechtmatige beëindiging van de stageovereenkomst alternerende opleiding, aangezien deze stageovereenkomst onbezoldigd is.

Beëindiging omwille van wettige redenen

Door de onderneming of de leerling

De onderneming of de leerling[3] kan een reden inroepen die de verbreking van de (stage)overeenkomst wettigt wanneer:

  • de leerling of de onderneming ernstig tekortschiet in de verplichtingen met betrekking tot de uitvoering van de (stage)overeenkomst;
  • er omstandigheden zijn die het goede verloop van de opleiding op de werkplek ernstig belemmeren;
  • de leerling wil overschakelen naar een andere opleiding.

De onderneming of de leerling moet de reden schriftelijk mededelen aan de trajectbegeleider. Deze bemiddelt en tracht de partijen te verzoenen[4]. Tijdens de verzoeningstermijn moeten de partijen de uitvoering van de (stage)overeenkomst voortzetten.

Indien de verzoening niet lukt, kan de partij die de procedure heeft ingeleid ook effectief tot de beëindiging overgaan.

Tegen deze beëindiging kan beroep aangetekend worden bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren indien de wettigheid in twijfel wordt getrokken[5]. Als het Vlaams Partnerschap oordeelt dat de beëindiging door de onderneming niet wettig was, is de onderneming een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met een leervergoeding voor één maand[6]. Voor de leerling is geen sanctie voorzien.

Door de opleidingsverstrekker

De opleidingsverstrekker kan de (stage)overeenkomst schriftelijk en gemotiveerd beëindigen:

  • bij zware inbreuken van de onderneming of de leerling tegen de uitvoering van de (stage)overeenkomst;
  • wanneer de fysieke of de geestelijke gezondheid van de leerling gevaar loopt;
  • als er omstandigheden zijn die het goede verloop van de opleiding op de werkplek ernstig belemmeren.

De opleidingsverstrekker kan aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren voorstellen om de erkenning van de onderneming op te heffen.

 


[1] Er kan worden opgezegd tot en met de 30ste dag (of de laatste dag van de verlengde periode); het einde van opzegtermijn hoeft dus niet binnen deze periode te vallen.

[2] Op voorwaarde uiteraard dat het overnemende bedrijf aan alle voorwaarden voldoet (zie de vraag "Wat is een erkende onderneming?")

[3] Of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

[4] Daarvoor beschikt hij over een termijn van maximaal drie weken. Die termijn begint vanaf de ontvangst van de schriftelijke melding. Een schorsing van de leerovereenkomst tijdens de verzoeningstermijn schorst de verzoeningstermijn niet.

[5] Dit beroep moet via een aangetekende brief ingesteld worden binnen een termijn van 10 dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beëindiging van de overeenkomst.

[6] Deze sanctie geldt niet voor de stageovereenkomsten aangezien deze onbezoldigd zijn.

Wat is een erkende onderneming?

Zowel ondernemingen uit de private als uit de publieke sector kunnen een erkenning aanvragen om leerlingen te mogen opleiden in het kader van een alternerende opleiding en dus als werkplek te fungeren.

Voorwaarden

Algemeen

Om erkend te kunnen worden, moet de onderneming minimaal voldoen aan de volgende voorwaarden[1]:

  • binnen de onderneming een mentor aanduiden die:
    • van onberispelijk gedrag is;
    • ten volle 25 jaar oud is en ten minste 5 jaar praktijkervaring heeft in het beroep[2];
  • op het vlak van de organisatie en de bedrijfsuitrusting voldoen als werkplek om de opleiding van de leerling mogelijk te maken overeenkomstig zijn opleidingsplan;
  • over voldoende financiële draagkracht beschikken om de continuïteit van de onderneming te waarborgen[3];
  • geen veroordelingen hebben opgelopen[4].
Aantal leerlingen

Het sectoraal partnerschap, of bij ontstentenis het Vlaams Partnerschap Duaal Leren, kan het maximum aantal leerlingen bepalen dat een mentor gelijktijdig mag opleiden in de sector in kwestie.

Ongeacht het hierboven bepaalde aantal leerlingen per mentor, mag het aantal leerlingen in een bepaalde vestigingseenheid nooit meer bedragen dan het aantal werknemers verbonden met een arbeidsovereenkomst.

Procedure

De erkenning moet worden aangevraagd bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren[5]. Ze moet gebeuren voor elke alternerende opleiding waarvoor de onderneming een overeenkomst wil sluiten en voor elke vestiging waar zij leerlingen wil opleiden.

Binnen de 14 kalenderdagen na de aanvraag wordt een beslissing genomen. Bij een positieve beslissing geldt de erkenning voor 5 jaar. De erkenning kan echter wel ingetrokken worden als de onderneming niet meer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet of als ze haar verbintenissen en plichten niet naleeft. In dat laatste geval kan de onderneming zelfs uitgesloten worden van het recht om een erkenning aan te vragen.

Tegen alle (negatieve) beslissingen van het Partnerschap Duaal Leren is beroep mogelijk[6].

 


[1] De Vlaamse regering kan nog bijkomende voorwaarden opleggen om de kwaliteit van het mentorschap en de opleiding in de onderneming te garanderen.

[2] Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren (dit is de vroegere praktijkcommissie van Syntra Vlaanderen) kan de leeftijdsvoorwaarde terugbrengen tot 23 jaar en/of een afwijking verlenen op het aantal jaren praktijkervaring indien de mentor een bewijs van vooropleiding in het beroep kan voorleggen. Hiertoe komt elk studiebewijs in aanmerking dat uitgereikt is door een reguliere onderwijsinstelling en dat betrekking heeft op de competenties die de onderneming volgens het opleidingsplan moet aanleren, alsook elk bewijs van elders verworven competenties of kwalificaties dat betrekking heeft op de competenties die de onderneming volgens het opleidingsplan moet aanleren.

[3] Bij de beoordeling van de financiële draagkracht wordt onder andere rekening gehouden met de achterstallige RSZ bijdragen. Als de achterstallige bijdragen het voorwerp uitmaken van een afbetalingsplan dat nageleefd wordt, wordt er met die bijdragen geen rekening gehouden.

[4] Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan evenwel beslissen dat een bepaalde veroordeling niet relevant is om de erkenning te weigeren. De memorie van toelichting verduidelijkt dat een onderneming die arbeidsrechtelijke veroordelingen opliep geen ideale werkplek is voor een leerling, maar dat bijvoorbeeld een milieuveroordeling als niet-relevant beschouwd kan worden.

[5] In de feiten zal deze bevoegdheid evenwel gedelegeerd worden naar de sectorale partnerschappen (dit zijn de huidige sectorale paritaire leercomités) of indien deze er niet zijn, naar de personeelsleden van Syntra Vlaanderen.

[6] De procedures die hiervoor gevolgd moeten worden, zijn opgenomen in het uitvoeringsbesluit. Heeft u hier vragen over, aarzel dan niet om uw Legal advisor te contacteren.

Wat is de rol van de trajectbegeleider?

De trajectbegeleider is de door de opleidingsverstrekker gemandateerd persoon of het aangeduid personeelslid belast met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan.  Hij controleert de goede uitvoering van de overeenkomst en behandelt elke moeilijkheid die in dat kader zou kunnen ontstaan. 

De plichten van de opleidingsverstrekker

De opleidingsverstrekker verbindt zich ertoe:

  • de leerling competenties van de opleiding in de vorm van lessen of gelijkgestelde activiteiten aan te leren overeenkomstig de decreet- of regelgeving die op de invulling van de opleiding van toepassing is;
  • te onderhandelen over de overeenkomst, de overeenkomst op te maken en te begeleiden met de toepassing ervan;
  • te voorzien in trajectbegeleiding voor de leerling over het hele opleidingstraject;
  • de competentieverwerving te bewaken in samenspraak met de mentor;
  • tijdens de periodes waarin de leerling de werkplekcomponent effectief invult, een vertegenwoordiger van de opleidingsverstrekker bij wie de leerling is ingeschreven, voor de leerling bereikbaar te houden. Die verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden;
  • maximale inspanningen te leveren om na de beëindiging van een (stage)overeenkomst voor de leerling een nieuwe (stage)overeenkomst te sluiten;
  • aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de gevraagde gegevens te bezorgen voor zijn jaarlijks monitoringsrapport over de stand van zaken van het duale leren in Vlaanderen.

 

Overzichtstabel

 

(Stage)overeenkomst

  • modelovereenkomst (SAO of OAO)
  • tussen werkgever, leerling en opleidingsinstelling
  • duur: afhankelijk van de duur van de alternerende opleiding

Financiële
voordelen

Start- en stagebonus

Aftrekbaarheid aan 140%

Vergoeding (niet voor de stageovereenkomst)

  • percentage van het GMMI
  • indexatie: bij indexatie van het GMMI
  • verhoging: 01/09

Sociale behandeling
van de vergoeding (niet voor stageovereenkomst)

Tot 31/12 van het jaar waarin de jongere 18 wordt: gedeeltelijke onderwerping

Vanaf 01/01 van het jaar waarin de jongere 19 wordt: volledige onderwerping

+ recht op structurele vermindering en eventueel doelgroepvermindering

Verplichtingen
van de werkgever

  • zich schikken naar alle wettelijke bepalingen
  • voor de overeenkomst alternerende opleiding: Dimona van het type OTH, te verrichten door de werkgever
  • arbeidsreglement
  • aansluiting EDPBW
  • arbeidsongevallenverzekering
  • betaling van de leervergoeding (niet voor de stageovereenkomst)
  • terugbetaling verplaatsingskosten

Dimona

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de:

  • Overeenkomst alternerende opleiding : bij het sluiten van deze aan de RSZ-onderworpen overeenkomst dient een Dimona OTH verricht te worden door de onderneming
  • en de stageovereenkomst alternerende opleiding : bij het sluiten van deze niet-onderworpen stage dient een Dimona STG verricht te worden door de school of het vormingscentrum.

Schorsingen van
de overeenkomst

Zelfde schorsingsgronden als voor de arbeidsovereenkomst en behoud van leervergoeding in alle gevallen waarin werknemer recht op loon behoudt (uitzondering: arbeidsongeval)

Overeenkomst alternerende opleiding:

  • recht op jaarlijkse vakantie in functie van de prestaties van het jaar voordien
  • + recht op vakantie tijdens de schoolvakanties (met uitzonderingen)

Stageovereenkomst alternerende opleiding: schoolvakanties

Meest voorkomende beëindigings-
gronden

  • Eerste 30 dagen: opzeg 7 dagen
  • Automatische beëindiging in geval van overlijden leerling, einde opleiding, uitsluiting leerling op school,…
  • Beëindiging om wettige redenen (procedure via trajectbegeleider)
  • Beëindiging door de opleidingsverstrekker

 

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

  • Decreet tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen van 10 juni 2016
  • Decreet van 19 juni 2020 tot opheffing van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, tot regeling van de taken en bevoegdheden en tot wijziging van de naam Hermesfonds
  • Besluit van 20 november 2020 tot uitvoering van het decreet van 10 juni 2016

 

Alternerende opleiding >

Waarom een stageovereenkomst van de middenstand?

De stageovereenkomst van de middenstand laat de jongere die zijn schoolplicht volbracht heeft, toe een opleiding te volgen die voorbereidt op de uitoefening van een leidinggevende functie in een kleine of middelgrote onderneming of op de uitoefening van een zelfstandig beroep. Met andere woorden, de stagiair, meestal stagiair-ondernemingshoofd genoemd, leert om zijn eigen onderneming op te richten en op een efficiënte manier te leiden door de technieken van het beroep onder de knie te krijgen.

Via dit systeem wordt een theoretische opleiding, gevolgd in een onderwijs- of opleidingsinstelling, gekoppeld aan een praktische opleiding in de onderneming, en dit onder toezicht van een ervaren werknemer.

De stageovereenkomst wordt gesloten door de werkgever en de stagiair, onder toezicht van een leersecretaris en wordt door het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO) erkend.

Welke wetgeving toepassen?

De toepasselijke regionale reglementering wordt door de ligging van de exploitatiezetel van de onderneming bepaald. De maatschappelijke zetel of de plaats waar de leerling lessen volgt, speelt hier geen enkele rol.

De reglementering die in deze fiche besproken wordt, is van toepassing indien de exploitatiezetel van de onderneming in de Vlaamse Gemeenschap (Vlaanderen of Brussel) gevestigd is. Het maakt dus niet uit of de stagiair zijn lessen in Wallonië volgt of indien de maatschappelijke zetel van de onderneming daar gevestigd is.

Lees onze andere fiche indien de exploitatiezetel zich in het Waalse Gewest bevindt.

Wat zijn de voorwaarden?

Erkende opleiding

De stageovereenkomst kan enkel georganiseerd worden voor erkende opleidingen in een zelfstandig beroep. Om deze erkenning te bekomen, moet blijken dat de opleiding aan de volgende voorwaarden voldoet:

    •  voldoende eigenheid vertonen, in die mate dat ze van andere opleidingen onderscheiden kan worden;
    •  uitmonden in een beroep dat als zelfstandige of als KMO uitgeoefend kan worden;
    •  tot een voldoende technische kennis of inzicht in nieuwe technieken leiden;
    •  een basisprogramma ter beschikking hebben.

Erkende monitor

De monitor is ofwel het ondernemingshoofd[1] ofwel een door het hoofd aangeduide werknemer.

Behoudens afwijkingen[2] moet de monitor:

    • van onberispelijk gedrag zijn;
    • ten volle 25 jaar oud zijn[3];
    • ten minste 5 jaar beroepspraktijk hebben, waarvan 2 jaar als ondernemingshoofd[4];
    • op het vlak van organisatie en de bedrijfsuitrusting alle waarborgen bieden om de praktijkopleiding van de stagiair mogelijk te maken.


[1] Wanneer de onderneming een rechtspersoon is het ondernemingshoofd de natuurlijke persoon die belast is met het daadwerkelijke beheer van de onderneming en gemachtigd om haar te vertegenwoordigen.

[2] Artikel 14 § 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1996.

[3] Deze leeftijd wordt op 23 jaar gebracht indien hij houder is van een diploma van ondernemingsopleiding of een bewijs van bijzondere bekwaamheid voorlegt.

[4] Dit laatste geldt niet voor de werknemer die door het ondernemingshoofd als monitor aangeduid wordt.

Voor welke stagiair?

De stagiair moet:

    •  aan de voltijdse leerplicht voldaan hebben, dit wil zeggen na 30 juni van het jaar waarin de jongere 18 wordt;
    •  voor de cursus ondernemingsopleiding ingeschreven zijn;

Deze ondernemingsopleiding omvat lessen bedrijfsbeheer en lessen beroepskennis. Om tot de lessen beroepskennis toegelaten te worden, moet de stagiair:

    • hetzij het beroep dat het voorwerp van de opleiding uitmaakt of een aanverwant beroep als loontrekkende of zelfstandige uitoefenen;
    • hetzij door een tewerkstelling of een vooropleiding voldoende praktijkervaring in het beroep of een aanverwant beroep verworven hebben;
    • hetzij het getuigschrift van de leertijd in dezelfde of een aanverwante opleiding behaald hebben;
    • hetzij, bij gebrek aan praktijkervaring, een praktijkstage of een aanvullende praktijkopleiding volgen.

Wat is de rol van de leersecretaris?

De leersecretaris is de tussenpersoon tussen de leerling en het ondernemingshoofd. Hij controleert de goede uitvoering van de overeenkomst en behandelt elke moeilijkheid die in dat kader zou kunnen ontstaan. Indien de partijen het op een bepaald punt oneens zijn en de leersecretaris er niet in slaagt tot een vergelijk te komen of indien één van de partijen geen gevolg geeft aan de oproeping, geeft hij de zaak door aan het VIZO.

Welke stageovereenkomst sluiten?

De stageovereenkomst, conform de door het VIZO opgestelde standaardovereenkomst, wordt schriftelijk gesloten tussen de toezichthoudende afgevaardigde, de werkgever en de stagiair. Het opleidingsprogramma van het beroep, zoals uitgewerkt door het VIZO, dat preciseert welke lessen gevolgd moeten worden, wordt als bijlage bij de overeenkomst gevoegd. Elk van de contracterende partijen ontvangt er een exemplaar van.

De stageovereenkomst moet tussen 1 juli en 30 november gesloten worden voor diegenen die zonder deze stage de cursussen beroepstechnische vorming niet zouden kunnen volgen. De anderen kunnen ook na deze datum nog een stageovereenkomst afsluiten.

De duur van de stageovereenkomst bedraagt minimaal 6 maanden. Een schriftelijke verlenging is mogelijk. Ze eindigt ten laatste op de einddatum van de ondernemingsopleiding, die naargelang het programma 2 of 3 jaar bedraagt.

Het werkrooster (uren theoretische opleiding en uren in de onderneming) mag de maximumgrens, zoals vastgesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst niet overschrijden. Wanneer er geen dergelijke arbeidsovereenkomst gesloten werd, gaat het om de maximumgrens vastgelegd in de arbeidswetgeving. De stageovereenkomst kan voltijds of deeltijds zijn. De deeltijdse overeenkomst moet één kwart, de helft of driekwart van een voltijdse stageovereenkomst omvatten.

De proefperiode duurt 1 tot 3 maanden naargelang de duur van de overeenkomst[1].



[1] 1 maand indien de overeenkomst maximaal een jaar duurt, 2 maanden indien de duur tussen 1 en 2 jaar ligt en 3 maanden indien de overeenkomst langer dan 2 jaar duurt.

Hoeveel bedraagt de stagevergoeding?

Principe

De stagiair ontvangt een stagevergoeding waarvan het bedrag varieert naargelang het stagejaar en de vooropleiding van de stagiair. De betreffende bedragen vindt u in Sleutelgetallen, bedragen en termijnen voor werknemers onder het trefwoord “ Leerlingen Vlaams Gewest”. Heeft het paritair comité andere bedragen vastgelegd, dan zijn die van toepassing.

Deze uitkering dekt zowel de prestaties die de stagiair in de onderneming levert als de lessen die hij volgt en de examens en evaluaties waaraan hij in uitvoering van de overeenkomst deelneemt.

De uitkering kan voordelen in natura omvatten en hoger liggen dan het minimumbedrag. Ze mag, voor bepaalde stagiairs[1], echter niet meer bedragen dat het bedrag waarboven ze niet langer recht hebben op kinderbijslag. U kan dit bedrag vinden in Sleutelgetallen, bedragen en termijnen, onder het trefwoord “Kinderbijslag/punt 9.

Tijdsaanpassing van de vergoeding

De vergoeding wordt aangepast:

    • op 1 januari van elk jaar (aanpassing van het bedrag van de minimumuitkering in functie van de index van de consumptieprijzen);
    • op 1 juli indien de stagiair slaagt en naar een hoger jaar overgaat.

Verplaatsingskosten

De werkgever is verplicht tussen de komen in de verplaatsingskosten van de stagiair voor de trajecten naar de onderneming, en dit volgens de geldende wettelijke bepalingen.



[1] Enkel voor de niet-geschoolde stagiair in het eerste stagejaar.

Wat zijn de verplichtingen van de werkgever?

De werkgever moet een Dimona-aangifte doen en de leerling een arbeidsreglement overhandigen. Hij moet zich eveneens bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk aansluiten.

De werkgever is verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan die zowel de uren van opleiding in de onderneming dekt als de uren theoretische vorming, evaluaties en examens en eveneens een verzekering die de arbeidswegongevallen dekt die plaatsvinden tussen de woonplaats en de werkplaats of opleidingscentrum en omgekeerd en tussen de onderneming en de werkplaats en omgekeerd.

Daarenboven is de werkgever verplicht:

    • er op toe te zien dat de in het programma vastgestelde opleiding aan de stagiair gegeven wordt om hem voor te bereiden op de examens en de uitoefening van het beroep waar hij voor gekozen heeft;
    • ervoor te zorgen dat de praktijkopleiding plaatsvindt in behoorlijke omstandigheden met betrekking tot veiligheid en gezondheid en de stagiair voorafgaand aan zijn indiensttreding aan een geneeskundig onderzoek[1] te onderwerpen;
    • de leersecretaris op de hoogte te houden van het verloop van de praktijkopleiding;
    • de stagiair de nodige hulp, gereedschappen, grondstoffen, werk- en veiligheidskleding ter beschikking te stellen;
    • de nodige aandacht te besteden aan de opvang en de integratie van de stagiair in het beroepsmidden;
    • de stagiair geen taken te laten verrichten die niets met het beroep te maken hebben, die gevaarlijk of schadelijk zijn en/of in strijd zijn met wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende de arbeid;
    • erover te waken dat de stagiair nauwgezet de theoretische vorming volgt en aan alle examens deelneemt;
    • de leersecretaris en de bevoegde personeelsleden van het VIZO behulpzaam te zijn wanneer zij toezicht uitoefenen op de uitvoering van de stageovereenkomst en de bijscholing te volgen die door het VIZO georganiseerd wordt.


[1] De leersecretaris moet binnen de maand na de inwerkingtreding van de stageovereenkomst een kopie van het attest van het geneeskundig onderzoek krijgen.

Wat zijn de verplichtingen van de stagiair?

De stagiair is verplicht:

    • alles in het werk te stellen om zijn opleiding tot een goed einde te brengen;
    • zijn taken zorgvuldig, eerlijk en nauwkeurig uit te voeren op tijd, plaats en wijze zoals overeengekomen is;
    • volgens de instructies van het ondernemingshoofd, de aangestelden of lasthebbers, of de monitor te handelen;
    • zich van al wat schade kan berokkenen aan de eigen veiligheid, de veiligheid van de werkmakkers, het ondernemingshoofd en derden te onthouden;
    • het toevertrouwde gereedschap, de werkkledij en de ongebruikte grondstoffen in goede staat aan het ondernemingshoofd terug te bezorgen;
    • de leersecretaris onmiddellijk te waarschuwen wanneer er problemen rijzen tijdens de uitvoering van de stageovereenkomst;
    • zowel tijdens de uitvoering als na de beëindiging van de leerovereenkomst geen daden van oneerlijke concurrentie te stellen en geen fabrieksgeheimen of geheimen van persoonlijke of vertrouwelijke aard bekend te maken;
    • de cursussen van de theoretische vorming te volgen en aan alle examens deel te nemen.

Wanneer de stagiair in de uitvoering van zijn stageovereenkomst schade berokkend heeft aan het ondernemingshoofd of aan derden, is hij enkel aansprakelijk voor bedrog, zware fout of lichte fout die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

De stagiair is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatig gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallig verlies ervan. Is het werk eenmaal in ontvangst genomen dan is de stagiair niet meer aansprakelijk voor het gebrekkige werk.

Kan de stageovereenkomst geschorst worden?

De uitvoering van de stageovereenkomst wordt geschorst in alle gevallen en onder dezelfde voorwaarden als bepaald in artikel 30 van de arbeidsovereenkomstenwet[1]. Het gaat meer bepaald om afwezigheid ter gelegenheid van familiegebeurtenissen, voor de vervulling van staatburgerlijke verplichtingen en in geval van verschijning voor het gerecht. Ook het vaderschaps- en adoptieverlof valt hieronder. In deze gevallen behoudt de stagiair het recht op zijn vergoeding[2].

Ook de andere schorsingsgronden uit de arbeidsovereenkomstenwet[3], zoals ziekte of zwangerschapsrust, zijn onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de stagiairs. De stagiair heeft in deze gevallen recht op het behoud van zijn vergoeding gedurende de eerste 30 dagen van de schorsing.

In geval van schorsing van de stageovereenkomst omwille van dwingende reden, slecht weer of gebrek aan werk[4] heeft de stagiair echter geen recht op zijn vergoeding.

Wanneer de schorsing meer dan een maand duurt, dient het ondernemingshoofd uiterlijk 7 dagen na het verstrijken van de maand de leersecretaris schriftelijk op de hoogte te brengen. Deze verwittigt dan het vormingscentrum. Bij hervatting van de stageovereenkomst na meer dan een maand schorsing dient dezelfde procedure gevolgd te worden. Eventueel kan de duur van de stageovereenkomst aangepast worden.



[1] Zie fiche “Klein verlet”.

[2] Om de leervergoeding te behouden, moet de leerling het ondernemingshoofd tijdig en zo mogelijk op voorhand verwittigen van zijn afwezigheid, hij moet het verlof gebruiken voor de reden waarvoor het werd ingesteld en het klein verlet moet verlies van de leervergoeding met zich meebrengen.

[3] Artikel 27, 28, 29, 31 en 49 van de wet van 3 juli 1978.

[4] Artikel 30 bis, 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978.

Heeft de stagiair recht op vakantie?

De stagiair heeft recht op jaarlijkse vakantie op grond van de prestaties die hij in de loop van het voorgaande jaar in de onderneming verricht heeft.

De stagiair moet echter voor elk opleidingsjaar sowieso over 20 of 24 verlofdagen kunnen beschikken, al naargelang hij een vijf- of zesdagen week presteert. De werkgever zal de stagiair dan ook, als aanvulling op de wettelijke vakantiedagen, onbetaald verlof moeten toekennen, indien hij op basis van zijn prestaties van het jaar voordien geen of onvoldoende wettelijke verlofdagen heeft.

Gedurende de schoolvakanties, behalve tijdens zijn (wettelijke en aanvullende) vakantie, moet de stagiair in de onderneming gaan werken. Zijn maandelijkse vergoeding hoeft echter niet herberekend te worden vermits de uitkering forfaitair is en zowel op de prestaties slaat die de stagiair in de onderneming verricht als op de theoretische lessen die hij bijwoont.

Wanneer eindigt de stageovereenkomst?

De leerovereenkomst eindigt:

    • wanneer de termijn ervan verstreken is;
    • door het overlijden van één van de partijen of wanneer er geen monitor meer is;
    • omwille van overmacht, die tot gevolg heeft dat de uitvoering van de leerovereenkomst definitief onmogelijk wordt;
    • door een opzeg van 10 dagen, gegeven door één van de partijen, tijdens de proefperiode;
    • wanneer één van de partijen erom verzoekt na een schorsing van meer dan 6 maanden;
    • omwille van een dringende reden in hoofde van één van de partijen[1];
    • wanneer er bij één van de partijen een reden tot verbreking van de leerovereenkomst voorhanden is[2];
    • door een opzegtermijn van 7 dagen wanneer de stagiair hetzij met een arbeidsovereenkomst of in de openbare sector aangeworven wordt, hetzij het statuut van zelfstandige verwerft[3].

Bij de beëindiging van de stageovereenkomst brengt de leersecretaris het centrum hiervan op de hoogte.

De wettekst voorziet niet in een vergoeding ten laste van de partij die het contract op onregelmatige wijze verbroken heeft. De partij die zich geschaad acht, zal een schadevergoeding op burgerlijk vlak moeten eisen.



[1] Naast de gewone verbrekingsregels die in dit geval gelden, moet de dringende reden ook nog binnen 5 werkdagen schriftelijk aan de leersecretaris gemeld worden.

[2] Deze reden moet schriftelijk aan de leersecretaris meegedeeld worden. Deze heeft dan 2 weken om een verzoening tussen de partijen tot stand te proberen brengen. Indien dit niet lukt, beslist het VIZO over de verbreking.

[3] De stagiair dient hiervan het bewijs te leveren bij de leersecretaris.

De leerovereenkomst eindigt:

    • wanneer de termijn ervan verstreken is;
    • door het overlijden van één van de partijen of wanneer er geen monitor meer is;
    • omwille van overmacht, die tot gevolg heeft dat de uitvoering van de leerovereenkomst definitief onmogelijk wordt;
    • door een opzeg van 10 dagen, gegeven door één van de partijen, tijdens de proefperiode;
    • wanneer één van de partijen erom verzoekt na een schorsing van meer dan 6 maanden;
    • omwille van een dringende reden in hoofde van één van de partijen[1];
    • wanneer er bij één van de partijen een reden tot verbreking van de leerovereenkomst voorhanden is[2];
    • door een opzegtermijn van 7 dagen wanneer de stagiair hetzij met een arbeidsovereenkomst of in de openbare sector aangeworven wordt, hetzij het statuut van zelfstandige verwerft[3].

Bij de beëindiging van de stageovereenkomst brengt de leersecretaris het centrum hiervan op de hoogte.

De wettekst voorziet niet in een vergoeding ten laste van de partij die het contract op onregelmatige wijze verbroken heeft. De partij die zich geschaad acht, zal een schadevergoeding op burgerlijk vlak moeten eisen.



[1] Naast de gewone verbrekingsregels die in dit geval gelden, moet de dringende reden ook nog binnen 5 werkdagen schriftelijk aan de leersecretaris gemeld worden.

[2] Deze reden moet schriftelijk aan de leersecretaris meegedeeld worden. Deze heeft dan 2 weken om een verzoening tussen de partijen tot stand te proberen brengen. Indien dit niet lukt, beslist het VIZO over de verbreking.

[3] De stagiair dient hiervan het bewijs te leveren bij de leersecretaris.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

  • Decreet van de Vlaamse raad van 23 januari 1991, Belgisch Staatsblad van 16 februari 1991
  • Besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1999, Belgisch Staatsblad van 6 mei 1999

Lees eerst even dit…

Toen de wetgever in 1983 de wet[1] betreffende het aanleren van loontrekkende beroepen goedkeurde, wou hij de leertijd moderniseren (de bepalingen hierover dateerden immers uit de Franse periode). De sectoren en de ondernemingsraden kregen een belangrijke rol toegewezen.

Het doel was om jongeren, voor wie de leertijd het beste middel is om de kwalificaties die ze willen verwerven, te verkrijgen, de mogelijkheid te geven een algemene basisopleiding te krijgen gelinkt aan een werkervaring.

In deze fiche bespreken we de bepalingen die eigen zijn aan de industriële leerovereenkomst. Voor de algemene regels die van toepassing zijn op alle leerovereenkomsten verwijzen we u naar de fiche “Jongeren in opleiding -Algemene principes” In die fiche vindt u het antwoord op de volgende vragen:

    • Welke voordelen heeft het sluiten van een leerovereenkomst?
    • Wat zijn de start- en stagebonus?
    • Hoe wordt de opleidingsvergoeding op sociaal vlak behandeld?
    • Moet er bedrijfsvoorheffing ingehouden worden en moet het loon in de personenbelasting aangegeven worden?

U kan daarnaast ook de fiche “Jongeren in opleiding - Overzichten” raadplegen. In die fiche vindt u voor elk statuut een bondige uitleg en een overzichtstabel van de belangrijkste bepalingen.

Sinds 1 juli 2015 hebben de leerlingen in alternerende opleiding een eenvormig socialezekerheidsstatuut. U vindt de uitleg hierover in onze fiche "Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut".


[1] Onderwijs was nog een federale materie.

Alternerende opleiding > Brussel

Toen de wetgever in 1983 de wet[1] betreffende het aanleren van loontrekkende beroepen goedkeurde, wou hij de leertijd moderniseren (de bepalingen hierover dateerden immers uit de Franse periode). De sectoren en de ondernemingsraden kregen een belangrijke rol toegewezen.

Het doel was om jongeren, voor wie de leertijd het beste middel is om de kwalificaties die ze willen verwerven, te verkrijgen, de mogelijkheid te geven een algemene basisopleiding te krijgen gelinkt aan een werkervaring.

In deze fiche bespreken we de bepalingen die eigen zijn aan de industriële leerovereenkomst. Voor de algemene regels die van toepassing zijn op alle leerovereenkomsten verwijzen we u naar de fiche “Jongeren in opleiding -Algemene principes” In die fiche vindt u het antwoord op de volgende vragen:

    • Welke voordelen heeft het sluiten van een leerovereenkomst?
    • Wat zijn de start- en stagebonus?
    • Hoe wordt de opleidingsvergoeding op sociaal vlak behandeld?
    • Moet er bedrijfsvoorheffing ingehouden worden en moet het loon in de personenbelasting aangegeven worden?

U kan daarnaast ook de fiche “Jongeren in opleiding - Overzichten” raadplegen. In die fiche vindt u voor elk statuut een bondige uitleg en een overzichtstabel van de belangrijkste bepalingen.

Sinds 1 juli 2015 hebben de leerlingen in alternerende opleiding een eenvormig socialezekerheidsstatuut. U vindt de uitleg hierover in onze fiche "Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut".


[1] Onderwijs was nog een federale materie.

Alternerende opleiding >

Waarom een industriële leerovereenkomst?

De industriële leerovereenkomst biedt de jongere die nog deeltijds leerplichtig is, maar reeds aan de voltijdse leerplicht voldaan heeft, de kans om een beroep aan te leren dat gewoonlijk door een werknemer in loondienst uitgeoefend wordt.

Dit systeem vormt een combinatie tussen een theoretische opleiding in een onderwijs- of vormingsinstelling en een praktische opleiding in ondernemingen die tot bepaalde sectoren behoren, en dit onder leiding van een ervaren werknemer.

De industriële leertijd wordt immers georganiseerd door de leercomités opgericht in de paritaire comités. Indien er binnen het paritair comité geen leercomité opgericht werd of indien het niet werkt, is het leercomité van de Nationale Arbeidsraad bevoegd om de leertijd in die sector te organiseren.

Ook al spreekt men over de 'industriële' leerovereenkomst, toch beperkt deze zich niet tot de industriële beroepen. Leercomités bestaan bijvoorbeeld ook in het paritair comité voor de handel in voedingswaren (PC nr. 119), in het paritair comité voor het vervoer en de logistiek en in de bankensector[1]. Ook in het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden (PC nr. 200) werd een leercomité opgericht.

De leercontracten die sinds 1 juli 2015 gesloten worden, beantwoorden aan de nieuwe definitie van de alternerende opleiding.


[1] Raadpleeg de bepalingen van uw paritair comité in onze rubriek "Sectoraal". Zo kan u weten of een leercomité in uw sector werd opgericht.

Alternerende opleiding > Brussel

In welke onderneming?

Enkel de werkgevers uit sectoren die een sectoraal leerreglement opgemaakt hebben, kunnen een industriële leerovereenkomst sluiten.

Rekening houdend met deze beperking is de wet op het industrieel leerlingwezen van toepassing op alle ondernemingen van de privésector waarvan de maatschappelijke zetel zich in België bevindt, met uitzondering van:

    • de koopvaardij en de zeevisserij;
    • de ondernemingen die minder dan 50 werknemers tewerkstellen in de beroepen waarvoor een leerovereenkomst van de middenstand gesloten kan worden[1] [2]. Twee uitzonderingen zijn mogelijk in het kader van deze uitsluiting:
      • een koninklijk besluit kan hiervan afwijken voor de ondernemingen met minder dan 20 werknemers;
      • in de ondernemingen vanaf 20 werknemers die minder dan 50 werknemers tewerkstellen, kunnen leerovereenkomsten gesloten worden voor deze beroepen, maar slechts nadat het bevoegde leercomité daarvoor een aanvraag ingediend heeft bij het leercomité van de Nationale Arbeidsraad (NAR).

In de ondernemingen met meer dan 50 werknemers heeft de jongere de keuze tussen de ene of de andere leerovereenkomst indien deze twee formules bestaan voor het betrokken beroep.

Opgelet! Afhankelijk van de sector is het aantal leerlingen beperkt tot het aantal werknemers.


[1] U kan de lijst van de aangeboden opleidingen terugvinden op de site www.syntra.be.

[2] U vindt meer informatie over deze leerovereenkomst in ons dossier Stage/Leertijd onder de rubriek Sociaal/Dossiers.

Alternerende opleiding >

Voor welke leerling?

De jongere moet aan zijn voltijdse leerplicht voldaan hebben. Hij moet dus ouder dan 15 jaar zijn en de eerste twee jaren van het middelbaar onderwijs achter te rug hebben, ofwel de leeftijd van 16 jaar bereikt hebben.

Bovendien moet hij jonger dan 18 jaar zijn op het ogenblik dat de overeenkomst gesloten wordt[1].

De jongere die met succes een volledige opleidingscyclus voor een bepaald beroep beëindigd heeft en die dus in het bezit is van een diploma of een certificaat dat aantoont dat hij een zekere bekwaamheid voor dat beroep bezit, kan geen industriële leerovereenkomst meer sluiten met als doel een zelfde bekwaamheid voor dat beroep te bereiken. De in strijd met deze regel gesloten leerovereenkomst zal als een normale arbeidsovereenkomst beschouwd worden.

Bij het voorafgaand verplicht medisch onderzoek tenslotte moet hij fysiek geschikt verklaard zijn voor het betrokken beroep.



[1] Het leerreglement kan in een afwijking van deze maximum leeftijd voorzien.

Welk profiel heeft de opleidingsverantwoordelijke?

Het ondernemingshoofd[1] of, bij gebreke daarvan, de opleidingsverantwoordelijke moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • minstens 25 jaar oud zijn;
    • minstens 7 jaar praktijkervaring hebben in het beroep waarin hij de leerling wil opleiden;
    • door het bevoegde leercomité erkend zijn[2]. Indien dit niet het geval is, wordt de leerovereenkomst als een arbeidsovereenkomst beschouwd.

Het ondernemingshoofd moet persoonlijk de opleiding van de leerling verzekeren. Indien hij hiervoor echter niet over de nodige praktische ervaring beschikt of indien hij al instaat voor de opleiding tot een bepaald beroep en daarnaast leerlingen wil vormen voor een andere beroep, moet hij voor elk beroep een opleidingsverantwoordelijke binnen de onderneming aanduiden.



[1] Als de onderneming een rechtspersoon is, is het ondernemingshoofd de fysieke persoon die met het daadwerkelijke beheer van de onderneming belast is en gemachtigd om de leerling aan te nemen.

[2] Koninklijk besluit van 5 juli 1998.

Hoe wordt de leerovereenkomst gesloten?

Aard van de overeenkomst

De industriële leerovereenkomst is een sui generis-overeenkomst die los staat van de arbeidsovereenkomst. Sommige bepalingen uit de sociale wetgeving zijn, behoudens andersluidende bepalingen, echter toch van toepassing op de leerlingen. Het betreft ondermeer de bepalingen die betrekking hebben op:

    • de arbeidsduur, de werkverboden, de rust- en arbeidstijden en de bescherming van het moederschap[1] ;
    • de bescherming van het loon van de werknemers[2] ;
    • het welzijn en de veiligheid van de werknemers;
    • de sociale documenten;
    • de feestdagen.

Merken we ook op dat de wet betreffende het aanleren van loontrekkende beroepen dwingend is, en dit in het voordeel van de leerling. Elke leerovereenkomst gesloten tussen een werkgever en een leerling met de bedoeling deze op te leiden, zal als nietig beschouwd worden als de wettelijke bepalingen niet worden nageleefd.

Schriftelijk

Op straffe van nietigheid moet elke leerovereenkomst schriftelijk en voor iedere leerling afzonderlijk vastgesteld worden en dit uiterlijk op het tijdstip waarop de leerling in dienst treedt. Het leerreglement voorziet een typemodel dat de verschillende verplichte vermeldingen bevat. Aan dit typecontract moeten het leerreglement en het individuele opleidingsprogramma van de leerling gehecht worden.

Een afschrift van de leerovereenkomst moet naar het leercomité verstuurd worden binnen drie werkdagen na de aanvang van de uitvoering van de overeenkomst.

De minderjarige leerling kan een leerovereenkomst sluiten (en ontbinden) met de uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van zijn vader, moeder of voogd.

De leerovereenkomst mag enkel gesloten worden voor het aanleren van de beroepen die in het leerreglement vastgelegd werden en door een erkende opleidingsverantwoordelijke. Indien dit niet het geval is, wordt de leerovereenkomst als een gewone arbeidsovereenkomst beschouwd.

Duur

De leerovereenkomst bepaalt de duur van de overeenkomst zonder dat deze minder dan 6 maanden kan zijn.

Indien het aanleren van het beroep het vereist, kan de leerling, na akkoord van het bevoegde paritaire leercomité, één of meerdere leercontracten sluiten met verschillende werkgevers. In dit geval kan het bevoegde paritaire leercomité voor elk contract een duurtijd bepalen die korter is dan 6 maanden, maar zonder minder dan 3 maanden te bedragen.

De leerovereenkomst kan door het bevoegde paritaire verlengd worden om leerling de kans te geven zijn eindtesten af te leggen of opnieuw af te leggen.

Proefbeding

De leerovereenkomst wordt geacht een proeftijd te bevatten waarvan de duur niet minder dan 1 maand en niet meer dan 3 maanden mag bedragen[3]. De proeftijd bedraagt automatisch één maand indien de partijen geen proeftijd vastgelegd hebben of de duur ervan niet gepreciseerd hebben.

Verboden clausules

Op straffe van nietigheid mag de leerovereenkomst geen ontbindende voorwaarde, concurrentiebeding, scheidsrechterlijk beding of voorwaarde tot borgstelling bevatten.


[1] Arbeidswet van 16 maart 1971.

[2] Wet van 12 april 1965.

[3] Hoewel het niet meer mogelijk is een proefbeding te voorzien in de arbeidsovereenkomst, mag deze nog bepaald worden in het kader van deze specifieke overeenkomst.

Alternerende opleiding > Brussel

Wat zijn de verplichtingen van de leerling?

De leerling heeft onder meer de plicht om:

    • zijn taken zorgvuldig, eerlijk en nauwkeurig uit te voeren op tijd, plaats en wijze zoals overeengekomen is;
    • de praktische opleiding te volgen net zoals de lessen die ermee gepaard gaan, en deel te nemen aan de testen die volgens onderhavige wet opgelegd worden;
    • de leerovereenkomst uit te voeren volgens de instructies en orders van het ondernemingshoofd, zijn aangestelden of lasthebbers;
    • zowel tijdens de uitvoering als na de beëindiging van de leerovereenkomst geen zaken- of fabrieksgeheimen of geheimen van persoonlijke of vertrouwelijke aard bekend te maken waarvan hij kennis gekregen heeft door zijn aanwezigheid bij het ondernemingshoofd;
    • zowel tijdens de uitvoering als na de beëindiging van de leerovereenkomst geen daden van oneerlijke concurrentie te stellen of eraan mee te werken;
    • zich van al wat schade kan berokkenen aan de eigen veiligheid, de veiligheid van de werkmakkers, het ondernemingshoofd en derden te onthouden en in het bijzonder de veiligheids- en hygiënemaatregelen die het beroep vereisen, na te leven;
    • het toevertrouwde gereedschap, de werkkledij en de ongebruikte grondstoffen in goede staat aan het ondernemingshoofd terug te bezorgen.

Wanneer de leerling in de uitvoering van zijn leercontract schade berokkend heeft aan het ondernemingshoofd of aan derden, is hij enkel aansprakelijk voor bedrog, zware fout of lichte fout die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

Het ondernemingshoofd kan de schadevergoedingen die hem verschuldigd zijn en die na de feiten met de leerling overeengekomen of door de rechter vastgesteld zijn, van de leervergoeding aftrekken. Het totaal van deze inhoudingen mag een vijfde van de maandelijkse vergoeding, na aftrek van de inhoudingen krachtens de fiscale en socialezekerheidswetgeving, niet overschrijden[1].

De leerling is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of slijtage die toe te schrijven zijn aan het regelmatig gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallig verlies ervan.



[1] Artikel 23 van de wet van 12 april 1965.

Wat zijn de verplichtingen van het ondernemingshoofd?

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de voorbereidingsfase, de uitvoeringsfase en de afsluitingsfase.

De voorbereidingsfase

Eerst en vooral is het aangeraden dat het ondernemingshoofd[1] dat met jongeren industriële leerovereenkomsten wil sluiten, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDBSO) contacteert dat hem zal kunnen begeleiden.

Dankzij de inlichtingen van het CDBSO kan het ondernemingshoofd de raadgever van zijn sector contacteren teneinde kennis te nemen van de regels van toepassing in zijn sector.

Erkenning

Het ondernemingshoofd moet vervolgens een erkenning krijgen als opleidingsverantwoordelijke (of een opleidingsverantwoordelijke laten erkennen), en dit voor een welbepaalde opleiding. Hij moet eerst het positief advies vragen van de ondernemingsraad, of, bij ontstentenis, van de vakbondsafvaardiging wanneer deze bestaan in zijn onderneming.

De aanvraag tot erkenning wordt vervolgens ingediend bij het leercomité van de sector. Deze erkenning laat toe na te gaan of het ondernemingshoofd over de nodige faciliteiten beschikt om de industriële leerlingen te ontvangen.

Opleidingsprogramma

Eens erkend moeten het ondernemingshoofd en, desgevallend, de opleidingsverantwoordelijke overleggen met de opleidingsinstelling (CDBSO) teneinde de inhoud van de opleiding vast te leggen.

Voor elke jongere moet een individueel opleidingsprogramma uit dit overleg voortvloeien. Dit programma wordt vastgelegd conform het model van opleidingsplan van de betrokken sector (inhoud, programma en duur).

Verplichtingen bij de indiensttreding van de industriële leerling

Het opgestelde opleidingsprogramma moet bij de leerovereenkomst gevoegd worden. De overeenkomst zelf is opgemaakt op basis van een model beschikbaar voor de betrokken sector.

De werkgever moet een Dimona uitvoeren en, per kwartaal, een DmfA. Hij moet bovendien een arbeidsreglement aan de leerling overhandigen.

De werkgever moet tenslotte ook een arbeidsongevallenverzekering sluiten[2] en zich aansluiten bij een externe dienst voor bescherming en preventie op het werk. Hij moet een medisch onderzoek plannen voorafgaand aan de indiensttreding. Een risicoanalyse moet eveneens plaatsvinden.

De uitvoeringsfase

De leerovereenkomst moet binnen de 3 werkdagen te rekenen vanaf het begin van de uitvoering ervan meegedeeld worden aan het leercomité van de betrokken sector. Bij deze kopie moet een attest gevoegd worden dat afgeleverd werd door de arbeidsgeneesheer en waaruit blijkt dat de leerling bekwaam is om het beroep uit te oefenen.

Tijdens de leertijd leert de leerling de nodige praktische kennis aan. Deze kennis geeft hem de kwalificaties om een welbepaald beroep uit te oefenen.

Het opleidingsprogramma moet dus in een takenboekje opgenomen worden. Het bevat alle taken die de leerling moet uitvoeren of waarin hij moet slagen. Dit boekje moet tijdens het verloop van de opleidingsactiviteiten geregeld ingevuld worden door de opleidingsverantwoordelijke of de monitor.

Daarenboven is het ondernemingshoofd verplicht:

    • er persoonlijk of via de tussenkomst van een opleidingsverantwoordelijke/monitor op toe te zien dat de in het programma vastgestelde opleiding aan de leerling gegeven wordt om hem voor te bereiden op de examens en de uitoefening van het beroep waar hij voor gekozen heeft;
    • de leerling de kans te geven de lessen die hij voor zijn opleiding moet volgen, bij te wonen[3];
    • de leerling zijn taken te laten uitvoeren volgens de overeengekomen voorwaarden en op de overeengekomen tijd en plaats en in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 16 maart 1971, onder meer door hem de nodige hulp, middelen en materialen ter beschikking te stellen voor het aanleren van het beroep;
    • er als een goede huisvader voor te zorgen dat de praktijkopleiding plaatsvindt in behoorlijke omstandigheden met betrekking tot veiligheid en gezondheid van de leerling;
    • de leerling geen taken te laten verrichten die niets met het beroep te maken hebben, die gevaarlijk of schadelijk zijn en/of in strijd zijn met wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende de jonge werknemers;
    • de leerling geen taken op te leggen die hij thuis dient uit te voeren;
    • de leerling een maandelijkse leervergoeding te betalen (zie verder);
    • de leerling een geschikte woning te bezorgen en hem gezond en voldoende voedsel te verschaffen indien kost en inwoon overeengekomen werd;
    • de leerling de nodige tijd te geven om zijn burgerlijke en geloofsplichten te vervullen;
    • de nodige aandacht te besteden aan de opvang en de integratie van de leerling in het beroepsmidden;
    • als een goed huisvader te zorgen voor het arbeidsgereedschap dat aan de leerling toebehoort alsmede voor de persoonlijke voorwerpen welke door deze laatste in bewaring moeten worden gegeven; in geen geval mag het ondernemingshoofd dat arbeidsgereedschap of die persoonlijke voorwerpen weigeren terug te geven.

De afsluitingsfase

Wanneer de leerovereenkomst een einde neemt, dient het ondernemingshoofd de leerling een kopie van de individuele rekening en zijn laatste loonbrief te overhandigen. Hij moet hem eveneens een attest geven dat de begin- en einddatum van de leerovereenkomst en de aard van de uitgevoerde taken vermeldt. Dit attest mag geen enkele andere vermelding bevatten, tenzij de leerling er uitdrukkelijk om vraagt.

Het ondernemingshoofd moet onmiddellijk het leercomité verwittigen indien de leerovereenkomst vroegtijdig beëindigd wordt en dit, ongeacht de oorzaak van deze beëindiging.



[1] Wanneer de onderneming een rechtspersoon is, is het ondernemingshoofd de natuurlijke persoon belast met het daadwerkelijk beheer en gemandateerd om de onderneming juridisch te binden.

[2] Het ondernemingshoofd is verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan die zowel de uren van opleiding in de onderneming dekt als de uren theoretische vorming, evaluaties en examens en eveneens een verzekering die de arbeidswegongevallen dekt die plaatsvinden tussen de woonplaats en de werkplaats of opleidingscentrum en omgekeerd en tussen de onderneming en de werkplaats en omgekeerd.

[3] De tijd die de leerling besteedt aan het volgen van de lessen wordt als arbeidstijd beschouwd.

Alternerende opleiding >

Hoeveel bedraagt de leervergoeding?

Het ondernemingshoofd is ertoe gehouden aan de leerling een vergoeding te betalen die zowel de praktische opleiding in de onderneming als de theoretische opleiding dekt. Hij kan de vergoeding geldig aan de minderjarige uitbetalen, tenzij hiertegen verzet komt van de vader, moeder of voogd.

Berekening van de vergoeding

Behoudens bijzondere sectorale bepalingen wordt de vergoeding vastgelegd in het leerreglement. Ze bedraagt maximum een percentage dat wordt berekend op de helft van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (dus GGMMI berekend aan 50%) zoals bepaald voor de werknemers van 21 jaar en ouder.

Het percentage hangt af van de leeftijd van de leerling:

    • 64 % op 15 jaar;
    • 70 % op 16 jaar;
    • 76 % op 17 jaar;
    • 82 % op 18 jaar;
    • 88 % op 19 jaar;
    • 94 % op 20 jaar;
    • 100 % op 21 jaar of ouder.

Voorbeeld: De vergoeding voor een leerling van 16 jaar moet als volgt berekend worden:

70% van het GGMMI x 50% = 1.501,82 / 2 x 70% = 525,70 euro

 

U vindt deze bedragen in de rubriek Sociaal/Sleutelbedragen, onder het trefwoord "Industriële leerlingen".

De leerling mag dus niet vergoed worden in functie van zijn rendement.

Afwijkingen

Wanneer het leerreglement dit voorziet, worden deze percentages voor een duur van maximum 12 maanden op een derde van het GGMMI berekend indien:

    • de leerling niet geslaagd is voor het derde jaar van het middelbaar onderwijs;
    • hij niet gedurende 6 maanden verbonden geweest is door een leerovereenkomst (industriële of van de middenstand), een startbaanovereenkomst of een arbeidsovereenkomst (met uitzondering van de overeenkomst voor de tewerkstelling van studenten) gedurende de 3 jaar voorafgaand aan het sluiten van zijn leerovereenkomst.

Wanneer de leerling tijdens een evaluatie georganiseerd door het paritaire leercomité, een positieve beoordeling gekregen heeft:

    • kan de termijn van 12 maanden ingekort worden;
    • kan de leerling een leervergoeding berekend op de helft van het GGMMI krijgen;
    • kan de leerling genieten van de vergoedingsregeling tijdens de schoolvakanties. 

Tijdens de schoolvakanties

Wanneer de leerling geen theoretische lessen moet volgen en hij tijdens deze uren in de onderneming gaat werken, moeten de percentages toegepast worden op het deel van het GGMMI (berekend aan 100%) dat overeenkomt met de aanwezigheid van de leerling in de onderneming in de loop van die maand.

Voorbeeld: We nemen opnieuw onze leerling van 16 jaar. Zijn normale leervergoeding bedraagt 525,70 euro. In april 2015 werkte hij echter 18 dagen op 22 in de onderneming, omdat hij tijdens de paasvakantie geen lessen moest volgen. Zijn vergoeding moet dan als volgt berekend worden:

 

18/22 = 82%

70% x (82% x 1501,82) = 862,05 euro.

Deze regel is niet van toepassing op de leerling van wie de vergoeding op een derde van het GGMMI berekend wordt.

Indexatie van de vergoeding

De vergoeding moet aangepast worden:

    • op de verjaardag van de jongere (verhoging van het GGMMI volgens de leeftijd);
    • indien het GGMMI geïndexeerd wordt.

Verplaatsingskosten

Het woon-werkverkeer moet aan de leerling terugbetaald worden in functie van de sectorale regels die van toepassing zijn in de betrokken sector.

Sectorale premies

Bepaalde sectoren kennen premies toe aan hun leerlingen. Dit is bijvoorbeeld het geval in de bouwsector (PC nr. 124) in het kader van het jongerenleerlingenwezen (JLW) en de alternerende bouwopleiding (ABO).

Voor meer inlichtingen, raadpleeg de rubriek "Sectoraal" van Lex4you.

Loonbescherming

Deze vergoeding wordt beschouwd als loon in de zin van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Wanneer wordt de leerovereenkomst geschorst?

Principe

De uitvoering van de overeenkomst wordt geschorst onder dezelfde voorwaarden en om dezelfde redenen als die welke gelden voor de gewone werknemer die het beroep uitoefent dat het voorwerp uitmaakt van de leerovereenkomst en wiens vakbekwaamheid de leerling wil verwerven.

Het gaat onder meer om de feestdagen, de arbeidsongeschiktheid, de arbeidsongevallen en beroepsziekten en de dagen inhaalrust. Tijdens deze schorsingen geniet de leerling dezelfde garanties qua vergoeding als de gewone werknemer.

De leerling heeft eveneens recht op moederschapsrust volgens dezelfde regels als de gewone werkneemsters.

De leerling kan, mits voorlegging van bewijsstukken, ook aanspraak maken op de dagen van klein verlet, met behoud van zijn vergoeding.

Hij heeft ook recht op de dagen van dwingende reden, net zoals de gewone werknemers (zonder vergoeding).

In geval van tijdelijke werkloosheid ontvangt de leerling, indien het een contract gesloten sinds 1 juli 2015 betreft, overbruggingsuitkeringen van de RVA (meer informatie hierover vindt u in onze fiche "Jongeren in opleiding – Eenvormig socialezekerheidsstatuut")

Hij heeft daarentegen geen recht op tijdskrediet of op één van de thematische verloven (ouderschapsverlof, verlof voor medische bijstand, palliatief verlof).

Jaarlijkse vakantie

Net zoals een gewone werknemer heeft de leerling recht op jaarlijkse vakantie in functie van de prestaties die hij tijdens het voorbije jaar in de onderneming verricht heeft.

Tijdens de schoolvakantie en buiten zijn vakantiedagen moet de leerling in de onderneming komen werken. De lesuren worden vervangen door werkuren in de onderneming. In dat geval wordt de vergoeding berekend op basis van het GGMMI aan 100% (en niet aan 50% zoals voor de uren in de onderneming). Er moet een bijlage bij de overeenkomst opgemaakt worden en de vergoeding moet herberekend worden.

Verlenging van de overeenkomst

Wanneer de leerovereenkomst gedurende minder dan één maand geschorst werd, kan de overeenkomst in gemeenschappelijk overleg tussen de partijen met maximum één maand verlengd worden.

Indien de schorsing langer dan één maand heeft geduurd, is het ondernemingshoofd ertoe gehouden het leercomité daarvan te verwittigen. Dit comité beslist dan over de eventuele verlengingsduur van de overeenkomst.

Indien de leerling bovendien niet slaagt in zijn examens (laatste proef), kan de leerovereenkomst verlengd worden krachtens de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd door het betrokken leercomité.

Wanneer verstrijkt de leerovereenkomst?

Verbrekingsoorzaken

Ongeacht de algemene wijze waarop de verplichtingen uitdoven, neemt de leerovereenkomst een einde in de volgende gevallen:

Oorzaak van beëindiging

Auteur van de beëindiging

Sancties

Afloop van de termijn
(= normale einde)

/

Zonder opzeg noch vergoeding

Overmacht
(uitvoering definitief onmogelijk)

/

Zonder opzeg noch vergoeding

Tijdens de proeftijd
(na 1 maand)[1]

Leerling of ondernemingshoofd

Opzeg van 7 dagen[2] [3](de leerling mag 2 halve dagen per week afwezig blijven om een ander ondernemingshoofd te zoeken)

Schorsing van meer dan 1 maand in geval van arbeidsongeschiktheid tijdens de proeftijd

Ondernemingshoofd

Zonder opzeg noch vergoeding

Dringende reden[4]

Leerling of ondernemingshoofd (betekening per aangetekend schrijven binnen de 3 dagen die op het ontslag volgen[5])

Zonder opzeg noch vergoeding

Ernstige twijfels over het goede verloop van de opleiding (na proeftijd)

Leerling of ondernemingshoofd (betekening van de motieven in de verbrekingsbrief[6] [7])

zonder opzeg noch vergoeding

kennisgeving van de redenen in de opzegbrief[8] [9]

Werkgever leeft zijn verplichtingen niet na

Leerling

vergoeding verschuldigd aan de leerling voor een periode van 3 maanden

en forfaitaire vergoeding van 3 maanden die overeenstemt met de bezoldiging van de werknemer van de onderneming wiens vakbekwaamheid de leerling wil bereiken

Overlijden van de leerling

Ondernemingshoofd

Zonder opzeg noch vergoeding

Overlijden, faillissement, kennelijk onvermogen van de patroon, sluiting van de onderneming om milieuredenen[10]

Leerling indien de activiteiten van de onderneming definitief worden stopgezet

Zonder opzeg noch vergoeding

Overname door een andere werkgever, fusie of opslorping van de onderneming[11]

Leerling

Zonder opzeg noch vergoeding

Schorsing van meer dan 6 maanden ingevolge een ziekte of een ongeval

Ondernemingshoofd

Vergoeding verschuldigd aan de leerling voor een periode van 3 maanden

Onregelmatige verbreking

In geval van onregelmatige beëindiging (zonder motief of zonder geldig motief) uitgevoerd zowel door het ondernemingshoofd als door de leerling moet een vergoeding toegekend worden die overeenstemt met de vergoeding van de leerling voor 3 maanden of anderhalve maand, naargelang de beëindiging van het ondernemingshoofd dan wel van de leerling uitgaat.



[1] Indien de opzeg tijdens de eerste maand gegeven wordt, kan de ontbinding ten vroegste uitwerking hebben op de laatste dag van die maand.

[2] De opzeg vangt aan op de dag die volgt op diegene waarop de opzeg gegeven werd. De verbreking moet per aangetekende brief of per gerechtsdeurwaardersexploot gebeuren wanneer de opzeg van de werkgever uitgaat. De opzeg die per aangetekende brief gegeven werd, wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de verzending. De opzeg kan dus ten vroegste beginnen lopen de dag die volgt op die derde werkdag.

[3] De leerling daarentegen kan de opzeg ook van hand tot hand geven door een geschrift aan de werkgever te overhandigen die het dubbel voor ontvangst tekent. In dit geval kan de opzeg de dag erop aanvangen.

[4] Wordt als dringende reden beschouwd: elke zware fout die de verdere samenwerking tussen het opleidingshoofd en de leerling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

[5] Het ontslag wegens dringende reden kan niet meer worden gegeven wanneer het feit dat aan de oorsprong ervan ligt gekend is door de ontslaggevende partij sinds minstens meer dan 3 werkdagen.

[6] Wanneer het ontslag uitgaat van de werkgever moet het per aangetekend schrijven of deurwaardersexploot worden betekend. De leerling kan ook een schrijven overhandigen van hand tot hand.

[7] De wet heeft een beroepsprocedure voorzien in geval van betwisting van de motivatie die werd ingeroepen in de ontslagbrief.

[8] De beëindiging moet gebeuren met een aangetekend schrijven of deurwaardersexploot wanneer ze uitgaat van de werkgever. De leerling kan zijn overeenkomst eveneens beëindigen door een geschrift aan het ondernemingshoofd af te geven.

[9] De wet voorziet in een beroepsprocedure in geval van betwisting van de in de opzegbrief ingeroepen redenen.

[10] Indien de activiteiten van de onderneming niet definitief worden stopgezet, kan enkel de leerling een einde maken aan de leerovereenkomst zonder opzeg noch vergoeding.

[11] De nieuwe werkgever dient de verbintenissen van de vroegere werkgever ten aanzien van de leerling na te leven.

Alternerende opleiding > Brussel

Verbrekingsoorzaken

Ongeacht de algemene wijze waarop de verplichtingen uitdoven, neemt de leerovereenkomst een einde in de volgende gevallen:

Oorzaak van beëindiging

Auteur van de beëindiging

Sancties

Afloop van de termijn
(= normale einde)

/

Zonder opzeg noch vergoeding

Overmacht
(uitvoering definitief onmogelijk)

/

Zonder opzeg noch vergoeding

Tijdens de proeftijd
(na 1 maand)[1]

Leerling of ondernemingshoofd

Opzeg van 7 dagen[2] [3](de leerling mag 2 halve dagen per week afwezig blijven om een ander ondernemingshoofd te zoeken)

Schorsing van meer dan 1 maand in geval van arbeidsongeschiktheid tijdens de proeftijd

Ondernemingshoofd

Zonder opzeg noch vergoeding

Dringende reden[4]

Leerling of ondernemingshoofd (betekening per aangetekend schrijven binnen de 3 dagen die op het ontslag volgen[5])

Zonder opzeg noch vergoeding

Ernstige twijfels over het goede verloop van de opleiding (na proeftijd)

Leerling of ondernemingshoofd (betekening van de motieven in de verbrekingsbrief[6] [7])

zonder opzeg noch vergoeding

kennisgeving van de redenen in de opzegbrief[8] [9]

Werkgever leeft zijn verplichtingen niet na

Leerling

vergoeding verschuldigd aan de leerling voor een periode van 3 maanden

en forfaitaire vergoeding van 3 maanden die overeenstemt met de bezoldiging van de werknemer van de onderneming wiens vakbekwaamheid de leerling wil bereiken

Overlijden van de leerling

Ondernemingshoofd

Zonder opzeg noch vergoeding

Overlijden, faillissement, kennelijk onvermogen van de patroon, sluiting van de onderneming om milieuredenen[10]

Leerling indien de activiteiten van de onderneming definitief worden stopgezet

Zonder opzeg noch vergoeding

Overname door een andere werkgever, fusie of opslorping van de onderneming[11]

Leerling

Zonder opzeg noch vergoeding

Schorsing van meer dan 6 maanden ingevolge een ziekte of een ongeval

Ondernemingshoofd

Vergoeding verschuldigd aan de leerling voor een periode van 3 maanden

Onregelmatige verbreking

In geval van onregelmatige beëindiging (zonder motief of zonder geldig motief) uitgevoerd zowel door het ondernemingshoofd als door de leerling moet een vergoeding toegekend worden die overeenstemt met de vergoeding van de leerling voor 3 maanden of anderhalve maand, naargelang de beëindiging van het ondernemingshoofd dan wel van de leerling uitgaat.



[1] Indien de opzeg tijdens de eerste maand gegeven wordt, kan de ontbinding ten vroegste uitwerking hebben op de laatste dag van die maand.

[2] De opzeg vangt aan op de dag die volgt op diegene waarop de opzeg gegeven werd. De verbreking moet per aangetekende brief of per gerechtsdeurwaardersexploot gebeuren wanneer de opzeg van de werkgever uitgaat. De opzeg die per aangetekende brief gegeven werd, wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de verzending. De opzeg kan dus ten vroegste beginnen lopen de dag die volgt op die derde werkdag.

[3] De leerling daarentegen kan de opzeg ook van hand tot hand geven door een geschrift aan de werkgever te overhandigen die het dubbel voor ontvangst tekent. In dit geval kan de opzeg de dag erop aanvangen.

[4] Wordt als dringende reden beschouwd: elke zware fout die de verdere samenwerking tussen het opleidingshoofd en de leerling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

[5] Het ontslag wegens dringende reden kan niet meer worden gegeven wanneer het feit dat aan de oorsprong ervan ligt gekend is door de ontslaggevende partij sinds minstens meer dan 3 werkdagen.

[6] Wanneer het ontslag uitgaat van de werkgever moet het per aangetekend schrijven of deurwaardersexploot worden betekend. De leerling kan ook een schrijven overhandigen van hand tot hand.

[7] De wet heeft een beroepsprocedure voorzien in geval van betwisting van de motivatie die werd ingeroepen in de ontslagbrief.

[8] De beëindiging moet gebeuren met een aangetekend schrijven of deurwaardersexploot wanneer ze uitgaat van de werkgever. De leerling kan zijn overeenkomst eveneens beëindigen door een geschrift aan het ondernemingshoofd af te geven.

[9] De wet voorziet in een beroepsprocedure in geval van betwisting van de in de opzegbrief ingeroepen redenen.

[10] Indien de activiteiten van de onderneming niet definitief worden stopgezet, kan enkel de leerling een einde maken aan de leerovereenkomst zonder opzeg noch vergoeding.

[11] De nieuwe werkgever dient de verbintenissen van de vroegere werkgever ten aanzien van de leerling na te leven.

Alternerende opleiding >

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

  • Wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
  • Koninklijk besluit van 5 juli 1998 (I) tot bepaling van de nadere voorwaarden en de modaliteiten inzake de erkenning en de intrekking van de erkenning als patroon en als opleidingsverantwoordelijke in het kader van het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
  • Koninklijk besluit van 5 juli 1998 (II) houdende de nadere regelen met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de paritaire leercomités, het paritair leercomité van de Nationale Arbeidsraad en de paritaire sub-leercomités
  • Koninklijk besluit van 19 augustus 1998 (I) tot vaststelling van het maximum van de leervergoeding dat van toepassing is op de leerlingen wier leerovereenkomst geregeld wordt door de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
  • Koninklijk besluit van 19 augustus 1998 (II) tot bepaling van de ambtsgebieden van de paritaire comités en subcomités waarin het Paritair leercomité van de Nationale Arbeidsraad de bevoegdheid heeft om het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst te organiseren