E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Loon

Bedrijfswagen > 5. Mobiliteitsbudget

test nl

Gevolgen van de toekenning van een mobiliteitsbudget

De toekenning van een mobiliteitsbudget heeft meerdere gevolgen:

Opening van een mobiliteitsrekening

Het mobiliteitsbudget wordt, na eventuele aftrek van het gedeelte dat wordt gebruikt voor de financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen, volledig ter beschikking gesteld van de begunstigde werknemer door middel van een mobiliteitsrekening die op zijn naam wordt geopend. Die rekening wordt onder de verantwoordelijkheid van de werkgever beheerd.

Inlichten van de werknemer over de staat van zijn mobiliteitsbudget

De werknemer moet altijd toegang hebben tot informatie over de staat van zijn mobiliteitsbudget, o.a.:

Verplichting om bepaalde bewijsstukken te verstrekken

Voor de uitgaven die verband houden met de tweede pijler moet de werknemer bewijsstukken bezorgen aan de werkgever. De werkgever bepaalt welke stukken hij nodig heeft.

Voor het cumulverbod met de terugbetaling van verplaatsingskosten verwijzen we naar de volgende vraag.

Bedrijfswagen > 4. Mobiliteitsbudget

Wat is het mobiliteitsbudget?

Een budget dat steunt op 3 pijlers

Met het systeem van het mobiliteitsbudget kunnen werknemers die beschikken over een bedrijfswagen of aanspraak kunnen maken op een bedrijfswagen opteren voor een mobiliteitsbudget dat op 3 pijlers steunt:

We zullen deze pijlers onder de loep nemen in de volgende vragen. De maatregel heeft uiteraard tot doel om het aantal bedrijfswagens te verminderen en ervoor te zorgen dat de bedrijfswagens die nog in omloop zijn minder vervuilend zijn.

Waarover gaat het ?

Het mobiliteitsbudget is een budget dat op jaarbasis wordt berekend en dat de werkgever aan zijn werknemer kan toekennen als alternatief voor de bedrijfswagen waarop hij aanspraak kan maken om toegang te verkrijgen tot duurzame vervoerswijzen en -diensten.

De werknemer heeft echter nog de keuze om te opteren voor een bedrijfswagen. Hij combineert dan een milieuvriendelijker bedrijfswagen met duurzame vervoerswijzen en -diensten (multimodaliteit). Enkel het deel van het mobiliteitsbudget dat niet werd uitgegeven mag op het einde van het jaar aan de werknemer worden gestort.

Hoofdpijlers van het mobiliteitsbudget

Voordelen op het gebied van mobiliteit en beperking van het aantal bedrijfswagens

In dit opzicht kan het mobiliteitsbudget alleen worden toegekend aan werknemers die al over een bedrijfswagen beschikken of die aanspraak kunnen maken op een bedrijfswagen.

Principiële vrijheid

De werkgevers zijn niet verplicht om het systeem in te voeren en de werknemers zijn niet verplicht om hun bedrijfswagen in te ruilen.

Budgettaire neutraliteit

Tot slot mogen de werknemers die voor een mobiliteitsbudget opteren geen financieel nadeel lijden. Voor de werkgevers mag de loonlast niet stijgen. Voor de overheid moeten de ontvangsten identiek blijven.

 

De drie pijlers van het mobiliteitsbudget in detail

Deze vraag gaat over de drie pijlers die het mobiliteitsbudget vormen. De vaststelling van het bedrag van dit budget wordt behandeld in een afzonderlijke vraag

De werknemer kan vrij kiezen hoe hij zijn mobiliteitsbudget verdeelt tussen de drie pijlers. Hij heeft er echter belang bij dat het bedrag van de 3e pijler het laagste is omdat op dat bedrag een hoge bijzondere bijdrage ten laste van de werknemer zal worden ingehouden.

Eerste pijler: milieuvriendelijke bedrijfswagen

In het kader van het mobiliteitsbudget is een milieuvriendelijke wagen:

Tweede pijler: duurzame vervoersmiddelen[5]

In het kader van het mobiliteitsbudget zijn duurzame vervoersmiddelen:

Worden gelijkgesteld met duurzame vervoermiddelen:

Derde pijler: het saldo van het mobiliteitsbudget

Pijler 3 is het saldo van het budget dat overblijft na aftrek van de uitgaven van pijlers 1 en 2. Deze pijler wordt ontmoedigd ten voordele van pijlers 1 en 2.

Dit saldo wordt één keer per jaar uitbetaald, uiterlijk met het loon van de eerste maand van het volgend jaar.

Voorbeeld: op 1 maart 2020 werd een mobiliteitsbudget ingevoerd. Het saldo van het bedrag van het mobiliteitsbudget moet uiterlijk op 1 maart 2021 aan de werknemer worden uitbetaald.

 


[1] Geïndexeerd bedrag op 1 januari 2021. Deze waarde bedroeg 100 gram per kilometer in 2020 en vanaf 1 januari 2022 kan de regering deze waarde blijven verminderen door een in Ministerraad overlegd besluit.

[2] Met eindereeks worden nieuwe voertuigen bedoeld die niet langer worden geproduceerd maar die zich nog in de voorraad van de producent of de dealers bevindt.

[3] Het gaat om het in artikel 65 van het WIB 1992 bedoelde voertuig dat zowel is uitgerust met een brandstofmotor als een elektrische batterij die opgeladen kan worden via een aansluiting op een externe energiebron buiten het voertuig

[4] Deze energiecapaciteit kan bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad worden verhoogd tot maximaal 2,1 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht.

[5] De regering kan deze lijst bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad uitbreiden, na advies van de Nationale Arbeidsraad en van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.

[6] Ook de ‘Waterbus’.

[7] Ook ‘kantoorbussen’ vallen hieronder.

[8] Dit zijn de voordelen die worden bedoeld in artikel 38, § 1, 1e lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

 

Voor welke werkgevers?

Het systeem van het mobiliteitsbudget is enkel toegankelijk voor werkgevers:

De naleving van deze voorwaarden kan worden gecontroleerd door middel van de multifunctionele aangiften (DmfA) van de werkgever.

Opgelet! De werkgever mag niet worden verplicht om het mobiliteitsbudget in te voeren. Hij neemt het initiatief. Zelfs wanneer een dergelijk systeem werd ingevoerd kan de werkgever het verzoek van zijn werknemer weigeren. Meer informatie vindt u bij de vraag "Welke procedure moet worden gevolgd?".

Startende werkgever

De tweede voorwaarde is niet van toepassing op een werkgever die minder dan 36 maanden actief is op voorwaarde dat hij op het ogenblik van het invoeren van het mobiliteitsbudget één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking stelt van één of meerdere werknemers. De activiteit wordt geacht te zijn gestart:

Wanneer de activiteit van de werkgever bestaat uit de voortzetting van een werkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, wordt de werkgever geacht te zijn gestart op het ogenblik van de eerste inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen door die natuurlijke persoon of van de neerlegging van de oprichtingsakte van die andere rechtspersoon ter griffie van de rechtbank van koophandel of van het vervullen van een gelijkaardige registratieformaliteit door die natuurlijke persoon of andere rechtspersoon in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

 


[1] Zie onze uitleg over het begrip bedrijfswagen bij de vraag "Voor welke bedrijfswagens geldt de maatregel?".

[2] Om te weten welke werknemers het recht openen op een mobiliteitsbudget, zie de volgende vraag.

Voor welke werknemers?

Begrip werknemer

Het systeem van het mobiliteitsbudget is van toepassing op werknemers en op de personen die ermee worden gelijkgesteld. Het gaat om de personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten in de overheidssector alsook alle andere personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, werken onder het gezag van een ander persoon.

Voorwaarden

Het mobiliteitsbudget kan enkel worden overwogen voor werknemers die effectief over een bedrijfswagen beschikken of die er aanspraak op kunnen maken.

Opgelet! Net zoals de werkgever niet kan worden verplicht om het mobiliteitsbudget in te voeren, noch om het verzoek van de werknemer te aanvaarden, kan de werknemer niet worden verplicht om te opteren voor een mobiliteitsbudget. Meer informatie vindt u bij de vraag "Welke procedure moet worden gevolgd?".

Werknemer die beschikt over een bedrijfswagen

Een werknemer die over een bedrijfswagen beschikt kan enkel een mobiliteitsbudget aanvragen als:

De termijn van 3 maanden mag al dan niet samenvallen met de termijn van 12 maanden. In dat laatste geval is de totale duur voor de werknemer dus 15 maanden.

Voorbeeld: een werknemer beschikte gedurende het volledig jaar 2017 over een bedrijfswagen bij zijn werkgever. Begin 2018 beschikt hij er niet meer over. De werkgever heeft het mobiliteitsbudget ingevoerd op 1 maart 2019. De voorwaarde van 12 maanden is vervuld, die van 3 maanden niet. De werknemer kan dus geen aanvraag voor een mobiliteitsbudget indienen.

De naleving van deze voorwaarden kan worden gecontroleerd aan de hand van de loonfiche/individuele rekening van de werknemer.

Werknemer die in aanmerking komt voor een bedrijfswagen

Een werknemer komt in aanmerking voor een bedrijfswagen als hij behoort tot de categorie waarvoor een bedrijfswagen is voorzien volgens het bedrijfswagenbeleid van de werkgever[2].

Opgelet! Wanneer dit beleid niet voorziet in een bedrijfswagen op basis van “functiecategorie” maar op basis van andere criteria (bv. anciënniteit), gaat het om individueel toegekende bedrijfswagens. Dan geeft een bepaalde functie geen recht op een bedrijfswagen en heeft de werknemer dus geen recht op een mobiliteitsbudget[3].

Een werknemer die aanspraak kan maken op een bedrijfswagen kan enkel een mobiliteitsbudget aanvragen als:

De termijn van 3 maanden mag al dan niet samenvallen met de termijn van 12 maanden. In dat laatste geval is de totale duur voor de werknemer dus 15 maanden.

De naleving van deze voorwaarden kan worden gecontroleerd aan de hand van het bedrijfswagenbeleid. Concreet kan dit zijn vermeld in de ‘car policy’ van de onderneming maar ook in de functiebeschrijvingen, de loonvoorwaarden die bij de werkaanbiedingen worden gevoegd of zelfs in de individuele arbeidsovereenkomst[5].

Werknemers van startende werkgever

De hierboven vermelde periode van 36 maanden is in het geval van een startende werkgever niet van toepassing voor werknemers die beschikken over een bedrijfswagen, noch voor werknemers die er aanspraak op kunnen maken.

Daarentegen geldt de dubbele termijnvoorwaarde voor de werknemer (3 en 12 maanden) ook voor een werknemer van een startende onderneming. In de praktijk moet de startende onderneming dus wel degelijk sinds ten minste 12 maanden bestaan en vanaf het begin een bedrijfswagen hebben toegekend aan de werknemer/hebben verklaard dat de werknemer in aanmerking komt voor een bedrijfswagen. Door middel van deze maatregel kan misbruik worden voorkomen.

Nieuw aangeworven werknemers

De hierboven vermelde termijnvoorwaarden die de werknemer moet naleven zijn niet van toepassing bij de aanwerving van een werknemer.

Werknemers die werden bevorderd of van functie zijn veranderd vóór 1 maart 2019

De hierboven vermelde termijnvoorwaarden die de werknemer moet naleven zijn dus evenmin van toepassing bij bevordering of functieverandering vóór de inwerkingtreding van de wet betreffende het mobiliteitsbudget, d.w.z. vóór 1 maart 2019.

Deze uitzondering is dus niet van toepassing op bevorderingen en functieveranderingen vanaf 1 maart 2019.

 


[1] Zie onze uitleg over het begrip bedrijfswagen bij de vraag "Voor welke bedrijfswagens geldt de maatregel?".

[2] Dat zijn de door de werkgever vastgelegde voorschriften die de voorwaarden van toekenning en gebruik van de bedrijfswagen regelen.

[3] Dit werd verduidelijkt in de memorie van toelichting van de wet.

[4] Zie onze uitleg over het begrip bedrijfswagen bij de vraag "Voor welke bedrijfswagens geldt de maatregel?".

[5] Dit werd verduidelijkt in de memorie van toelichting van de wet.

Voor welke bedrijfswagens?

Privégebruik

Alleen bedrijfswagens die door de werkgever voor privédoeleinden ter beschikking worden gesteld vallen onder de reglementering over de toekenning van een mobiliteitsbudget.

Wordt geacht ter beschikking te zijn gesteld voor persoonlijk gebruik, elk voertuig zoals gedefinieerd in artikel 65 van het WIB 1992, dat op naam van de werkgever is ingeschreven of het voorwerp uitmaakt van een op naam van de werkgever gesloten huur- of leasingovereenkomst of van gelijk welke andere gebruiksovereenkomst, dat voor andere dan loutere beroepsdoeleinden wordt gebruikt (d.w.z. voor privéverplaatsingen).

Met privéverplaatsingen worden het woon-werkverkeer en de louter privéverplaatsingen bedoeld.

Voordeel van alle aard en solidariteitsbijdrage

Daarnaast geldt het systeem enkel voor bedrijfswagens waarvoor een voordeel van alle aard van toepassing is EN waarvoor de werkgever een solidariteitsbijdrage verschuldigd is[1].

De volgende voertuigen zijn dus uitgesloten:

  • dienstwagens voor strikt professioneel gebruik;
  • bestelwagens als bedrijfsvoertuig;
  • bedrijfswagens die voor privédoeleinden zijn ter beschikking gesteld wanneer de werknemer dat privégebruik volledig zelf financiert door een maandelijkse persoonlijke bijdrage. Hoewel de werkgever in dat geval een solidariteitsbijdrage verschuldigd blijft is er geen sprake van een voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het kosteloos privégebruik van een bedrijfswagen.

Niet ter vervanging van bestaande voordelen

Er werd bovendien een antimisbruikmaatregel ingebouwd: het mobiliteitsbudget mag niet worden ingevoerd ter gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of aanvulling hierbij, die al dan niet worden in aanmerking genomen door de sociale zekerheid.

Het mobiliteitsbudget mag evenmin worden ingevoerd wanneer de bedrijfswagen die aanleiding zou geven tot de invoering van het mobiliteitsbudget volledig of gedeeltelijk het resultaat was van een hierboven vermelde vervanging of omzetting.

Wanneer een bedrijfswagen voor privédoeleinden bijvoorbeeld werd toegekend in ruil voor een deel van het brutoloon (‘car for cash’), kan die wagen in principe niet worden ingeruild tegen een mobiliteitsbudget[2].

Het mobiliteitsbudget kan daarentegen wel worden ingevoerd ter vervanging of omzetting van loon of andere voordelen indien die voordelen op grond van de individuele arbeidsovereenkomst aan de werknemer worden toegekend omdat hij recht had op een bedrijfswagen maar er niet daadwerkelijk over heeft beschikt, tenzij die voordelen op hun beurt volledig of gedeeltelijk het resultaat zijn van een vervanging of omzetting.

Zo kan een werknemer die in aanmerking komt voor een bedrijfswagen en die liever een aanvullend brutoloon ontvangt in ruil voor de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen dit voordeel inruilen tegen een mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget kon ook ingevoerd worden ter vervanging van de mobiliteitsvergoeding. Opgelet: dit is niet meer mogelijk sinds 1 januari 2021.

 


[1] Artikel 3 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget. Dit artikel verwijst naar artikel 65 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (waarnaar ook de sociale zekerheidswetgeving verwijst - artikel 38, § 3, quater, 1°, 3e lid van de wet van 29 juni 1981).

[2] Als de bedrijfswagen in dat kader wordt ingeruild tegen een mobiliteitsbudget, wordt het bedrag van het mobiliteitsbudget beschouwd als gewoon loon.

 

Welke procedure moet worden gevolgd?

Voordat een mobiliteitsbudget wordt toegekend moeten drie belangrijke fasen worden doorlopen:

We zullen deze fasen afzonderlijk onder de loep nemen in de volgende vragen.

Initiatief van de werkgever en inlichten van het personeel

De invoering van een mobiliteitsbudget behoort tot de uitsluitende beslissingsbevoegdheid van de werkgever. De werkgever kan het invoeren voor het volledig personeel van de onderneming, voor een bepaalde dienst of voor bepaalde werknemerscategorieën[1].

Informatieverplichting

Eventuele voorwaarden die de werkgever hieraan wil verbinden moeten bij de invoering het mobiliteitsbudget ter kennis worden gebracht van alle werknemers.

Wijze van invoering van het mobiliteitsbudget

De memorie van toelichting van de wet verduidelijkt dat de invoering van het mobiliteitsbudget op dezelfde manier kan gebeuren als de manier waarop de bedrijfswagen zelf werd ingevoerd binnen de onderneming.

Dat kan dan een collectieve arbeidsovereenkomst of een individuele arbeidsovereenkomst zijn maar ook een ‘car policy’ die de kenmerken vertoont van een individuele arbeidsovereenkomst.

Wanneer het mobiliteitsbudget wordt ingevoerd via de individuele arbeidsovereenkomst of de car policy moet de werkgever ervoor zorgen dat hij zijn informatieplicht aan het voltallig personeel met betrekking tot de modaliteiten die verband houden met de toekenning van het mobiliteitsbudget vervult.

Desgevallend kan het mobiliteitsbudget zelfs zonder verdere formalisering of m.a.w. via een gebruik worden ingevoerd. We zijn echter geen voorstander van deze laatste formule, zelfs als de toekenning van de bedrijfswagen al via een gebruik werd ingevoerd.

Model van Securex

Het Sociaal Secretariaat Securex stelt een modelreglement ter beschikking voor de invoering van een mobiliteitsbudget. U kunt het toevoegen aan uw car policy, aan de individuele arbeidsovereenkomst of aan de collectieve arbeidsovereenkomst die u in uw onderneming hebt gesloten over de toekenning van een bedrijfswagen voor privédoeleinden[2].

 


[1] Die moeten uiteraard objectief zijn omschreven.

[2] Vergeet in dat laatste geval niet om de voorwaarden na te leven die worden opgelegd voor het sluiten van een bedrijfs-cao. Raadpleeg in dat verband onze fiche over de collectieve arbeidsovereenkomsten onder Info+.

Verzoek van de werknemer

De werknemer kan in het kader en onder de voorwaarden van het door de werkgever ingevoerde mobiliteitsbudget een aanvraag voor een mobiliteitsbudget indienen bij de werkgever. De werknemer kan dus enkel een verzoek indienen als de werkgever het systeem van mobiliteitsbudget heeft ingevoerd in zijn onderneming.

De werknemer moet zijn aanvraag schriftelijk, via brief of e-mail indienen.

Opgelet: de werknemer kan niet worden verplicht om voor een mobiliteitsbudget te opteren.

Aanvaarding door de werkgever en akkoord tussen de partijen

De werkgever beslist om al dan niet in te gaan op de schriftelijke aanvraag van de werknemer. Hij deelt zijn beslissing schriftelijk mee aan de werknemer.

Weigering van de werkgever

De werkgever kan de toekenning van een mobiliteitsbudget weigeren. Bij weigering wordt de procedure stopgezet en wordt geen mobiliteitsbudget toegekend, zelfs als het systeem in de onderneming werd ingevoerd.

Aanvaarding en akkoord tussen de partijen

Ingeval van aanvaarding vormen de formele aanvraag van de werknemer en de positieve beslissing van de werkgever een overeenkomst die als zodanig deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst tussen beide partijen

De regels van de wet van 3 juli 1978 zijn dus van toepassing. Er mag geen eenzijdige wijziging worden aangebracht aan de overeenkomst en het document mag geen bepaling bevatten die de rechten van de werknemer beperkt of zijn verplichtingen verzwaart.

Deze overeenkomst is bovendien een volwaardig sociaal document [1]. De werknemer moet er een kopie van ontvangen.

Timing en verplichte vermeldingen

De overeenkomst wordt vóór de eerste toekenning van het mobiliteitsbudget gesloten en vermeldt onder andere het initiële bedrag van het mobiliteitsbudget[2].

Na de aanvaarding van de werkgever en de overeenkomst tussen de partijen werd de laatste fase voor de toekenning van het mobiliteitsbudget doorlopen.

Model van Securex

Het Sociaal Secretariaat Securex stelt een modelovereenkomst ter beschikking voor de toekenning van een mobiliteitsbudget.

 


[1] Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten.

[2] Raadpleeg voor meer informatie over het bedrag van de mobiliteitsbudget de vraag "Wat is het bedrag van de mobiliteitsbudget?".

Gevolgen van de toekenning van een mobiliteitsbudget

De toekenning van een mobiliteitsbudget heeft meerdere gevolgen:

  • Openen van een mobiliteitsrekening;
  • Inlichten van de werknemer over de staat van zijn mobiliteitsbudget;
  • Verplichting om bepaalde bewijsstukken te verstrekken;
  • Cumulverbod met de terugbetaling van verplaatsingskosten.

Opening van een mobiliteitsrekening

Het mobiliteitsbudget wordt, na eventuele aftrek van het gedeelte dat wordt gebruikt voor de financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen, volledig ter beschikking gesteld van de begunstigde werknemer door middel van een mobiliteitsrekening die op zijn naam wordt geopend. Die rekening wordt onder de verantwoordelijkheid van de werkgever beheerd.

Inlichten van de werknemer over de staat van zijn mobiliteitsbudget

De werknemer moet altijd toegang hebben tot informatie over de staat van zijn mobiliteitsbudget, o.a.:

  • zijn identificatiegegevens in de vorm van zijn identificatienummer bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  • de functiecategorie waartoe hij behoort;
  • de datum vanaf dewelke hij tot de voornoemde functiecategorie behoort;
  • het bedrag van het mobiliteitsbudget dat hem werd toegekend, na aftrek, in voorkomend geval, van het deel gebruikt voor de financiering van een milieuvriendelijke bedrijfswagen en van de bijhorende kosten;
  • de inventaris van de duurzame vervoermiddelen die reeds gefinancierd werden;
  • details over de toewijzing van de uitgaven in functie van de keuzes gemaakt door de werknemer;
  • de datum waarop de duurzame vervoermiddelen gefinancierd werden;
  • de kosten voor het beheer van het mobiliteitsbudget;
  • de geldigheidsdatum van het mobiliteitsbudget;
  • het beschikbaar saldo;
  • de aanpassingen van het bedrag van het budget bij een functieverandering of een bevordering.

Verplichting om bepaalde bewijsstukken te verstrekken

Voor de uitgaven die verband houden met de tweede pijler moet de werknemer bewijsstukken bezorgen aan de werkgever. De werkgever bepaalt welke stukken hij nodig heeft.

Voor het cumulverbod met de terugbetaling van verplaatsingskosten verwijzen we naar de volgende vraag.

Cumulverbod met de terugbetaling van verplaatsingskosten

Principe

Een werknemer die een mobiliteitsbudget ontvangt komt niet meer in aanmerking voor de fiscale en sociale vrijstelling van de terugbetaling of betaling van de verplaatsingskosten voor het woon-werkverkeer door de werkgever[1]. Concreet gaat het dan om de belastingvrijstellingen van de vergoedingen voor de verplaatsingen die met het openbaar vervoer, het georganiseerd collectief vervoer en de fiets verricht worden[2]. Een werknemer met een mobiliteitsvergoeding wordt er immers toe aangezet om die vergoeding daadwerkelijk te gebruiken om zijn woon-werkverkeer te financieren.

Dit cumulverbod geldt in alle gevallen, dus ongeacht of de werknemer met zijn eigen wagen, met het openbaar vervoer, met de fiets, met door de werkgever georganiseerd collectief vervoer[3] of met gelijk welk ander vervoermiddel naar het werk komt.

Het cumulverbod heeft uitwerking vanaf de 1e dag van de maand waarin de werknemer een mobiliteitsbudget ontvangt en loopt af op de 1e dag van de maand waarin de toekenning van het mobiliteitsbudget eindigt.

De tegemoetkoming van de werkgever in de verplaatsingskosten van een werknemer met een mobiliteitsbudget moet dus worden beschouwd als zijnde inbegrepen in dit mobiliteitsbudget. Als de partijen deze regel niet naleven, worden zowel het mobiliteitsbudget als de vergoedingen voor de tussenkomst in de verplaatsingskosten als gewoon loon beschouwd (zowel op sociaal als op fiscaal vlak).

Dit principe moet worden vermeld in de overeenkomst die tussen de partijen wordt gesloten.

Uitzondering

Het cumulverbod is niet van toepassing :

  • op de werknemer die vroeger het voordeel van een bedrijfswagen genoot of het recht op een bedrijfswagen had verkregen en tegelijk gedurende ten minste 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag voor een mobiliteitsbudget een vergoeding of een voordeel ontving voor zijn woon-werkverkeer die recht gaf op één van hierboven vermelde vrijstellingen;
  • op de belastingvrijstelling voor ‘andere vervoermiddelen’ (420 euro voor het inkomstenjaar 2021)[4].

 


[1] Artikel 10 van de wet van 17 maart 2019 en artikel 19, § 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 2 mei 2019, Belgisch Staatsblad van 9 mei 2019).

[2] Artikel 38, §1, 1e lid, 9°, a) en b) en 14° van het WIB 1992.

[3] In dat geval heeft alleen de werknemer die een mobiliteitsbudget ontvangt geen recht op de vrijstelling. De andere werknemers (chauffeur of passagiers) hebben er wel recht op.

[4] De bedrijfswagen kan ook met die vrijstelling worden gecumuleerd. Om budgetneutraliteit te waarborgen, blijft de cumulatie toegestaan.

 

Wat is het bedrag van het mobiliteitsbudget?

Bedrag van het mobiliteitsbudget

Het bedrag van het mobiliteitsbudget stemt overeen met de totale jaarlijkse brutokost van de bedrijfswagen voor de werkgever (total cost of ownership), inclusief:

  • de fiscale en parafiscale lasten;
  • en de kosten die er volgens het bedrijfswagenbeleid verband mee houden, zoals de financieringskosten (leaseprijs of huur), de brandstofkosten, de solidariteitsbijdrage, eventuele verzekeringen, en alle uitgaven met betrekking tot een bedrijfswagen, waaronder de niet-aftrekbare btw, enz.

Als de bedrijfswagen het eigendom is van de werkgever worden de financieringskosten (leaseprijs of huur) vervangen door een jaarlijkse afschrijving van 20 %.

Raming van de kost voor een werknemer die in aanmerking komt voor een bedrijfswagen

Er zijn verschillende mogelijkheden: ofwel ontvangt de werknemer die recht heeft op een bedrijfswagen een welbepaald maandbudget (gebruikelijk bij leasingformules) of een jaarbudget (bij aankoop), ofwel kan de werknemer tussen verschillende welbepaalde bedrijfswagens kiezen waarvan de werknemer een lijst opstelt.

In elk geval wordt het mobiliteitsbudget berekend naargelang van de bedrijfswagen die de werknemer zou hebben gekozen. Als de werknemer bijvoorbeeld een maandelijks leasebudget ontvangt moet hij een fictieve bedrijfswagen kiezen (die hij niet zal nemen).

Aftrek van de persoonlijke bijdrage van de werknemer

Wanneer de werknemer de kosten van het privégebruik van zijn bedrijfswagen gedeeltelijk ten laste neemt, wordt het bedrag van zijn persoonlijke bijdrage in mindering gebracht van het mobiliteitsbudget. Concreet wordt de persoonlijke bijdrage van de laatste maand vóór de inruiling van de bedrijfswagen in aanmerking genomen. Ze wordt naar verhouding berekend op jaarbasis.

Aanpassing naar boven of naar beneden toe

Wijzigingen in de loop van de loopbaan van de werknemer kunnen een positieve of negatieve weerslag hebben op het bedrag van het mobiliteitsbudget. Als de werknemer bijvoorbeeld wordt bevorderd naar een functiecategorie met een hoger mobiliteitsbudget kan hij aanspraak maken op een hoger budget.

Het mobiliteitsbudget wordt echter niet geïndexeerd zoals het loon. Het kan wel onderworpen worden aan een andere wijze van aanpassing die tussen de partijen wordt overeengekomen, maar die aanpassing mag nooit hoger zijn dan wanneer het mobiliteitsbudget gewoon volgens de loonindex geïndexeerd was geweest.

Mobiliteitsbudget en loonnorm

Het bedrag van het mobiliteitsbudget komt in aanmerking voor de berekening van de maximummarge voor de evolutie van de loonkost[1].

 


[1] Artikelen 6 en 7 van de wet van 26 juli 1996 bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.

Sociale en fiscale behandeling van het mobiliteitsbudget

De sociale en fiscale behandeling van het mobiliteitsbudget is verschillend naargelang van de pijler. We bespreken dit aspect dus per pijler in de volgende vragen:

Tot slot bespreken we de vermelding van het mobiliteitsbudget op de loonfiche en de individuele rekening.

Sociale en fiscale behandeling van de eerste pijler: milieuvriendelijke wagen

De sociale en fiscale behandeling van het mobiliteitsbudget is identiek aan de behandeling van het voordeel dat voortvloeit uit het kosteloos gebruik voor privédoeleinden van een bedrijfswagen die door de werkgever ter beschikking wordt gesteld.

Sociale behandeling

Vrijstelling van gewone sociale bijdragen

Het mobiliteitsbudget werd toegevoegd aan de lijst van de voordelen die zijn uitgesloten van het loonbegrip dat als grondslag dient voor de berekening van de sociale bijdragen[1]. Dat betekent dat op dit bedrag geen persoonlijke noch werkgeversbijdragen betaald moeten worden.

Solidariteitsbijdrage ten laste van de werkgever

Net als voor een bedrijfswagen is de werkgever echter een solidariteitsbijdrage verschuldigd op de eerste pijler van het mobiliteitsbudget, die wordt berekend op de wagen die in het kader van die eerste pijler wordt gekozen.

De solidariteitsbijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd. De sancties bij niet-betaling van deze bijdrage zijn identiek aan de sancties die worden opgelegd bij niet-betaling van de solidariteitsbijdrage voor een bedrijfswagen. Raadpleeg voor meer informatie over de solidariteitsbijdrage de fiche "Bedrijfswagen - 2. de solidariteitsbijdrage" van dit dossier.

Artikel 45 van RSZ-wet

Artikel 45 van de RSZ-wet van 28 november 1969 bepaalt het volgende: elk onderscheid bij het toekennen van aanvullende voordelen tussen werknemers behorende tot eenzelfde categorie is niet geoorloofd. De toepassing van dit artikel is in principe beperkt tot aanvullingen bij de sociale zekerheidsvoordelen, wat niet het geval is voor het mobiliteitsbudget. Om de rechtszekerheid op dat vlak te waarborgen heeft de wetgever de toepassing van dit artikel echter uitgesloten voor het mobiliteitsbudget[2].

Fiscale behandeling

Belastbaar voordeel bij de werknemer

De eerste pijler van het mobiliteitsbudget is een belastbaar voordeel, dat wordt berekend op basis van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het privégebruik van de  wagen die in het kader van de eerste pijler werd gekozen.

Raadpleeg voor meer informatie onze fiche "Bedrijfswagen - 3. Fiscale behandeling van het voordeel van alle aard".

 


[1] Artikel 14 § 3ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

[2] Zie het 5e lid van dit artikel.

Sociale en fiscale behandeling van de tweede pijler: duurzame vervoerswijzen

De tweede pijler van het mobiliteitsbudget is zowel op sociaal als op fiscaal vlak vrijgesteld.

Op sociaal vlak is dit voordeel uitgesloten van het loonbegrip dat als basis dient voor de berekening van de gewone socialezekerheidsbijdragen en is geen bijzondere socialezekerheidsbijdrage verschuldigd.

Op fiscaal vlak is het bedrag dat overeenstemt met de tweede pijler volledig onbelast bij de werknemer en ook volledig aftrekbaar voor de werkgever.

Sociale en fiscale behandeling van de derde pijler: het saldo van het mobiliteitsbudget

Het saldo van het mobiliteitsbudget wordt één keer per jaar in speciën aan de werknemer uitbetaald. Zoals u kunt vaststellen, wordt deze pijler ontmoedigd in het voordeel van de eerste en tweede pijlers. De werknemer heeft er alle belang bij dat het bedrag van dit saldo zo laag mogelijk is.

Sociale behandeling

Net als de eerste en tweede pijler, is de derde pijler uitgesloten van het loonbegrip voor de toepassing van de gewone sociale zekerheidsbijdragen.

De werknemer is echter een bijzondere bijdrage van 38,07 % verschuldigd op het bedrag van de derde pijler[1]. Dit bedrag is gelijk aan de som van de gewone persoonlijke en werkgeversbijdragen die normaal verschuldigd zijn op het loon.

Daarnaast dient de derde pijler als grondslag voor de berekening van de uitkeringen in de diverse takken van de sociale zekerheid (met uitzondering van jaarlijkse vakantie).

Fiscale behandeling

De derde pijler is op fiscaal vlak een beroepsinkomen dat vrijgesteld is van  belasting[2]. Het bedrag dat overeenstemt met de derde pijler is overigens volledig aftrekbaar.

 


[1] Artikel 38 §3 novodecies van de wet van 29 juni 1981.

[2] Artikel 38, §1 van het WIB 1992, 1e lid, 33°.

Hoe moet het mobiliteitsbudget vermeld worden op de loonfiche en op de individuele rekening?

Eerste pijler

Wanneer er een “groenere” bedrijfswagen ter beschikking gesteld wordt van de werknemer, moeten de bedragen op de loonfiche en de individuele rekening vermeld worden zoals bij de ter beschikking stelling van een “gewone” bedrijfswagen (waarde van het privé gebruiksvoordeel van de bedrijfswagen en de daaruit voorvloeiende fiscale en sociale behandeling).

Tweede pijler

Er is geen wettelijke verplichting om het bedrag van deze pijler op te nemen op de loonfiche of de individuele rekening.

Derde pijler

Het saldo in cash (en de daaruit voortvloeiende sociale-zekerheidsbijdragen) moeten vermeld worden op de loonfiche tijdens de periode waarin het mobiliteitsbudget van toepassing is. Het saldo moet ook vermeld worden op de individuele rekening.

 

Wat is de weerslag van het mobiliteitsbudget op de andere loonverplichtingen van de werkgever (opzeggingsvergoeding, gewaarborgd loon,..)?

Principe

De wet bepaalt dat aan het mobiliteitsbudget geen rechten kunnen worden ontleend ten belope van het bedrag ervan, met uitzondering van de terbeschikkingstelling ervan door de werkgever.

Uitzonderingen

Zelfde rechten als deze die voortvloeien uit het privégebruik van de bedrijfswagen

In afwijking van dit principe zal het mobiliteitsbudget voor de toepassing van de loonverplichtingen van de werkgever op dezelfde manier worden behandeld als het voordeel in natura dat voortvloeit uit het privégebruik van de bedrijfswagen.

Het mobiliteitsbudget (pijler 1, maar ook 2 en 3) kent dus rechten toe op het vlak van :

  • het gewaarborgd loon,
  • de opzegvergoeding,
  • de uitwinningsvergoeding, ...[1].

Het mag echter niet in aanmerking worden genomen voor de naleving van de loonschalen die van toepassing zijn op de werknemer.

Bij verbreking van de arbeidsovereenkomst met betaling van een opzegvergoeding moeten de drie pijlers van het mobiliteitsbudget (gedeelte voor de periode gedekt door de opzegvergoeding) bijgevolg opgenomen worden in de berekeningsbasis van deze vergoeding. Om de opzeggingsvergoeding te bepalen, moet er rekening gehouden worden met de werkelijke waarde van het budget, zoals vermeld in het akkoord over de mobiliteitsvergoeding.

Voorbeeld: Er wordt een mobiliteitsbudget met een jaarlijkse waarde van 12.000 euro toegekend. De opzeggingstermijn bedraagt 6 maanden. Voor de berekening van de opzeggingsvergoeding moet er rekening gehouden worden met: (12.000 euro gedeeld door 12) x 6= 6.000 euro.

In geval van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst moet de volgende vraag worden gesteld: als de werknemer nog in het bezit was geweest van zijn bedrijfswagen, had hij tijdens zijn afwezigheid zijn bedrijfswagen dan voor privédoeleinden mogen blijven gebruiken? Is het antwoord ja, dan moet een mobiliteitsbudget worden ter beschikking gesteld voor de betrokken periode. Is het antwoord nee, dan is dat niet het geval.

Voorbeeld: een bediende heeft tijdens de eerste maand arbeidsongeschiktheid recht op gewaarborgd loon. Hij behoudt dus het recht op het privégebruik van zijn bedrijfswagen. Als die wagen werd ingeruild tegen een mobiliteitsbudget, dan heeft de bediende recht op de terbeschikkingstelling van het mobiliteitsbudget voor die periode.

Collectieve arbeidsovereenkomst

Een collectieve arbeidsovereenkomst kan bepalingen vaststellen die gunstiger zijn voor de werknemers[2].

Car policy

Tot slot heeft de werkgever er alle belang bij om in zijn ‘car policy’ na te gaan of er geen gunstiger bepalingen zijn opgenomen dan deze die wettelijk worden opgelegd. Hij moet er rekening mee houden voor de toekenning van het mobiliteitsbudget.

Voorbeeld: als de car policy bepaalt dat de werknemer de bedrijfswagen na de eerste maand van arbeidsongeschiktheid verder voor privédoeleinden mag gebruiken, moet de werkgever in principe het mobiliteitsbudget blijven doorbetalen na die eerste maand.

 


[1] In de memorie van toelichting van de wet staat een niet-limitatieve lijst van de betreffende bepalingen.

[2] Raadpleeg voor meer informatie artikel 14 §3 van de wet.

Hoe lang wordt het mobiliteitsbudget toegekend?

De toekenning van het mobiliteitsbudget wordt stopgezet uiterlijk op de 1e dag van de maand waarin de werknemer:

  • een functie uitoefent waarvoor in het loonsysteem van de werkgever geen bedrijfswagen wordt toegekend;
  • over een mobiliteitsvergoeding beschikt (het mobiliteitsbudget en de mobiliteitsvergoeding kunnen dus niet worden gecumuleerd[1]);
  • beschikt over een andere bedrijfswagen dan deze die is toegestaan in het kader van de eerste pijler van het mobiliteitsbudget, of in het geval van een werknemer die meerdere bedrijfswagens heeft, opnieuw over hetzelfde aantal wagens als vroeger beschikt.

 


[1] Het is daarentegen mogelijk om van een mobiliteitsvergoeding over te stappen op een mobiliteitsbudget.

Wat gebeurt er bij overmatig of onrechtmatig gebruik van het mobiliteitsbudget?

Overmatig gebruik dat wordt vastgesteld op het einde van de arbeidsrelatie of wanneer de werknemer van functie verandert

Wanneer overmatig gebruik van het mobiliteitsbudget door de werknemer wordt vastgesteld op het einde van de arbeidsrelatie vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het mobiliteitsbudget of tijdens de maand waarin de werknemer een nieuwe functie uitoefent waarvoor het recht op een milieuvriendelijke bedrijfswagen wordt verminderd of niet wordt toegekend in de loonregeling van de werkgever, moet de werknemer de onterecht gebruikte bedragen aan de werkgever terugbetalen binnen de maand waarin de werkgever hem daarom verzoekt.

Voorbeeld: aan de werknemer wordt een mobiliteitsbudget van 24.000 euro toegekend voor de periode die een kalenderjaar bestrijkt. Op 30 juni wordt de arbeidsovereenkomst van de werknemer beëindigd. In principe heeft hij op dat moment recht op een mobiliteitsbudget van 12.000 euro - (24.000 euro : 12) x 6. Er wordt echter vastgesteld dat hij al 16.000 euro heeft uitgegeven. Hij moet de werkgever 4.000 euro terugbetalen.

Onrechtmatig gebruik

Wanneer onrechtmatig gebruik van het mobiliteitsbudget door werknemer wordt vastgesteld, in de zin van een financiering van duurzame vervoermiddelen die niet door de werkgever zijn toegestaan, moet de werknemer de onterecht gebruikte bedragen aan de werkgever terugbetalen binnen de maand waarin de werkgever hem daarom verzoekt.

In deze twee gevallen bezorgt de werkgever de werknemer een gedetailleerde berekening van de bedragen die hij moet terugbetalen.

Wat gebeurt er wanneer de werknemer van werkgever verandert?

In tegenstelling tot wat het geval is bij toekenning van een mobiliteitsvergoeding bevat de wet betreffende het mobiliteitsbudget geen specifieke bepalingen over werknemers die van werkgever veranderen. De dubbele termijnvoorwaarde is immers niet van toepassing op een nieuw aangeworven werknemer.

Opgelet! De nieuwe werkgever is niet verplicht om de aanvraag van de werknemer te aanvaarden.

Bij verandering van werkgever wordt het bedrag van het mobiliteitsbudget vastgesteld op basis van het budget dat geldt voor de functiecategorie van de werknemer bij de nieuwe werkgever, en van de wagen die hij zou hebben gekozen.

Wat gebeurt er wanneer de werknemer tegelijk over meerdere bedrijfswagens beschikt?

Toekenning van een mobiliteitsbudget mogelijk

Wanneer de werknemer over meerdere bedrijfswagens voor privédoeleinden beschikt, sluit het verkrijgen van een mobiliteitsbudget voor één enkele bedrijfswagen niet uit dat de andere wagens worden gebruikt.

De toekenning van het mobiliteitsbudget loopt af wanneer de werknemer opnieuw over hetzelfde aantal bedrijfswagens beschikt waarover hij bij de aanvraag van het mobiliteitsbudget beschikte.

Toekenning van meerdere mobiliteitsbudgetten verboden

De inruiling van andere bedrijfswagens kan geen aanleiding geven tot een extra mobiliteitsbudget. Er kan dus geen tweede (of derde, ...) wagen worden ingeruild.

Bedrag van het mobiliteitsbudget

Voor een werknemer die bij dezelfde werkgever tegelijk over meerdere bedrijfswagens beschikt, is de jaarlijkse brutokost van de ingeleverde wagen doorslaggevend.

Wanneer is het mobiliteitsbudget gewoon loon?

Het mobiliteitsbudget wordt als gewoon loon beschouwd en behandeld wanneer een akkoord wordt gesloten waardoor de bedrijfswagen wordt vervangen door loon, voordelen in natura of door andere vervoersmiddelen buiten het kader en de voorwaarden die voor het mobiliteitsbudget werden vastgelegd:

  • bv. de werkgever of de werknemer voldoet niet aan de opgelegde voorwaarden.
  • bv. een wagen die werd toegekend in het kader van car for cash wordt opnieuw vervangen door een mobiliteitsbudget;
  • bv. er wordt nog steeds een verplaatsingsvergoeding[1], … toegekend.

 


[1] Behalve wanneer dit is toegestaan, zie de vraag "Cumulverbod met de terugbetaling van verplaatsingskosten".

Welke sancties worden opgelegd als er geen document werd opgesteld dat de overeenkomst tussen de partijen vastlegt?

De overeenkomst tussen de partijen wordt beschouwd als een volwaardig sociaal document. De sancties van het Sociaal Strafwetboek die worden opgelegd bij overtreding op de reglementering op de sociale documenten zijn dus van toepassing.

Raadpleeg voor meer informatie ons dossier over het sociaal strafrecht, rubriek ‘Federaal’.

Samenvattende tabel van de mobiliteitsbudget

We hebben een overzichtstabel opgesteld over het mobiliteitsbudget.

Klik hier om die tabel te raadplegen. 

 

Wat zijn de belangrijkste referenties naar de wetgeving?

  • Wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget.
  • Koninklijk besluit van 21 maart 2019 tot uitvoering van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget.