E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Contracten/Clausules

Werknemer of zelfstandige? De aard van de arbeidsrelaties > 1. Het mechanisme van de criteria

Lees eerst even dit…

Vaststellen of een medewerker het statuut van werknemer of van zelfstandige heeft, was altijd al een heel netelige zaak. Vandaar dat er hierover overvloedige rechtspraak bestaat.

Tot in 2012 hielden de rechtbanken in de eerste plaats rekening met de feitelijke toestand en niet met het door de partijen gekozen statuut.  

Een arrest van het Hof van Cassatie van 23 december 2002 zorgde voor een ommezwaai en gaf voorrang aan de door de partijen gegeven kwalificatie. Volgens een methode op basis van indiciën werd nagegaan of deze kwalificatie overeen kwam met de situatie op de werkvloer. Als te veel tegengestelde elementen aanwezig waren, kon de door de partijen gegeven kwalificatie worden verworpen. De gezagsband kwam in de eerste plaats tot uiting door een juridische ondergeschiktheid en niet door een economische afhankelijkheid. Er bleven echter veel grensgevallen bestaan en er deed zich nog te veel sociale fraude voor.

Daarom nam de wetgever een regelgeving over de aard van de arbeidsrelaties aan die in de lijn ligt van de rechtspraak na het arrest van 2002 en poogt de te talrijke schaduwzones te verhelderen. Om het bewijs van het bestaan van een band van ondergeschiktheid te vergemakkelijken, werden twee mechanismen ingevoerd:

Tenslotte werd een administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie opgericht.

Enkele definities

De wet betreffende de aard van de arbeidsrelaties geeft de volgende definities:

Hieruit kan worden afgeleid dat een ‘schijnzelfstandige’ een persoon is die onterecht als zelfstandige werd aangegeven bij de socialezekerheidsinstellingen (op eigen initiatief of op initiatief van de opdrachtgever), terwijl die persoon veeleer onder het werknemersstelsel valt.

Opmerking: Het voordeel voor een ‘schijnzelfstandige’ is dat hij zich kan onttrekken aan de veel hogere socialezekerheidsbijdragen van het werknemersstelsel en aan de vaak dwingende regels van het arbeidsrecht en het sociale zekerheidsrecht. Het voordeel van een schijnwerknemer is dan weer dat hij kan genieten van de sociale prestaties van dat stelsel, die over het algemeen veel hoger zijn dan die van het stelsel der zelfstandigen.

Werknemer of zelfstandige: een keuze?

Principe: de vrije keuze

De wet betreffende de aard van de arbeidsrelaties bekrachtigt een principe waar men niet omheen kan: de wilsautonomie[1]. De partijen kiezen vrij de aard van hun arbeidsrelatie[2]. Ze beslissen dus samen of de overeenkomst tussen hen een arbeidsovereenkomst (werknemer) of een aannemingsovereenkomst (zelfstandige samenwerking) zal zijn. De daadwerkelijke en concrete uivoering van die overeenkomst moet uiteraard overeenstemmen met de kwalificatie die de partijen hebben gekozen. Met andere woorden, de gekozen kwalificatie moet aansluiten bij de werkelijke situatie. Als dat niet het geval is, zal voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die overeenstemt met de daadwerkelijke uitoefening van de arbeidsrelatie.

Voorwaarden voor herkwalificatie

De arbeidsrelatie wordt geherkwalificeerd en het overeenstemmende socialezekerheidsstelsel zal van toepassing zijn:

  • hetzij wanneer bij de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen aanwezig zijn die onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie werd gegeven;
  • hetzij wanneer de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie werd gegeven, niet overeenstemt met de vermoedelijke aard van de arbeidsrelatie en dit vermoeden niet wordt weerlegd (we gaan uitvoerig in op dit mechanisme van het vermoeden in de fiche Werknemer of zelfstandige? De aard van de arbeidsrelaties - 2. Het mechanisme van het vermoeden).

Opgelet! De herkwalificatie mag nooit in strijd zijn met bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen.

De mechanismen die de wet invoert om een grotere rechtszekerheid te waarborgen

De wet:

  • bepaalt 4 niet-limitatieve algemene criteria die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen. Deze algemene criteria kunnen op sectoraal niveau worden aangevuld met specifieke criteria;
  • stelt voor specifieke sectoren een weerlegbaar vermoeden betreffende de aard van de arbeidsrelatie vast en biedt die sectoren de mogelijkheid om criteria op te stellen die echt passend voor hen zijn (raadpleeg hiervoor onze fiche nr. 2);
  • voert een preventief luik in via de administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie (ook sociale rulingcommissie genoemd).

 


[1] Artikel 331 van de programmawet (I) van 27 december 2006 dat voortvloeit uit artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek.

[2] Zonder de openbare orde of de goede zeden te overtreden en onder voorbehoud van wat uitdrukkelijk wordt bepaald in wetten of reglementen (bijvoorbeeld het onweerlegbaar vermoeden dat een activiteit als werknemer wordt uitgeoefend, zoals de activiteit van betaalde sportbeoefenaar of van uitzendkracht).

4 algemene criteria

Algemene criteria

Op basis van vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie bepaalde de wet 4 relevante algemene criteria die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen. Het gaat om een niet-limitatieve lijst op basis waarvan men zich een overtuiging kan vormen voor de beoordeling van de aard van de arbeidsrelatie. Deze soepelheid is noodzakelijk wegens de realiteit op de werkvloer, de verscheidenheid aan beroepen, de specifieke bijzonderheden van elke sector en de onvermijdelijke evolutie van de arbeidsrelaties. Deze 4 criteria, die aangeven of er al dan niet een juridische band van ondergeschiktheid bestaat, zijn:

Niet-relevante criteria

Hoewel de analyse van deze 4 criteria het mogelijk maakt een arbeidsrelatie te herkwalificeren, moeten bij de beoordeling niettemin de verplichtingen die inherent zijn aan de uitoefening van een beroep in overweging worden genomen, wanneer deze door of krachtens een wet worden opgelegd. Als voorbeeld kunnen we aanhalen dat het in acht nemen van een strikt uurrooster van rondes bij patiënten een verplichting is die inherent is aan de uitoefening van het beroep van verpleegster, die duidelijk niet in aanmerking mag worden genomen om de aard van de arbeidsrelatie te beoordelen[2].

Bovendien hebben bepaalde elementen, op zichzelf genomen, geen invloed op de beoordeling van het al dan niet bestaan van de gezagsband:

Deze elementen kunnen, samengevoegd met andere elementen, een aanwijzing vormen voor de wil van de partijen, maar ze mogen niet als doorslaggevend worden beschouwd.



[1] Als het om een mondelinge overeenkomst gaat, kan de echtheid van de band van ondergeschiktheid worden nagegaan door een analyse van de feitelijke contractuele relatie op basis van de andere algemene criteria.

[2] Arbrb. Luik, 7 mei 2008.

Een lijst van specifieke criteria

Het principe

De 4 algemene criteria kunnen ontoereikend blijken.

Daarom bepaalt de wet dat bij koninklijk besluit een lijst kan worden opgesteld met specifieke criteria die eigen zijn aan één of meerdere sectoren, één of meerdere beroepen, één of meerdere categorieën van beroepen of één of meerdere beroepsactiviteiten, om de algemene criteria aan te vullen[1].

Bij wijze van voorbeeld kan deze lijst van specifieke criteria meer bepaald elementen van socio-economische en juridische aard bevatten met betrekking tot:

Deze specifieke criteria mogen enkel bestaan uit elementen die al dan niet op het bestaan van een gezagsband wijzen. Ze kunnen de 4 algemene criteria aanvullen, maar ze kunnen er in geen geval van afwijken.

Bij samenloop tussen sectoreigen criteria, beroepseigen criteria en/of criteria eigen aan een beroepscategorie hebben de laatstgenoemde voorrang op de vorige.

De procedure om deze specifieke criteria vast te stellen

De Koning kan deze specifieke criteria alleen vaststellen nadat het advies van de volgende organen werd ingewonnen:

Deze organen hebben 4 maanden de tijd om te antwoorden op het verzoek tot advies van de bevoegde ministers (Middenstand, Werk en Sociale Zaken).

Indien binnen de gestelde termijn geen eensluidend en eenparig advies werd verstrekt, kan de Koning alleen specifieke criteria vaststellen voor de betrokken sector(en), beroep(en), categorie(ën) van beroepen of beroepsactiviteit(en) bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad.

De ministers kunnen deze organen vragen een advies uit te brengen, hetzij op hun eigen initiatief, hetzij op vraag van de bevoegde paritaire (sub)comités, de NAR, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O. of van de organisaties die erin vertegenwoordigd zijn.

Als ze tegelijk verschillende aanvragen tot advies ontvangen, bepalen ze een kalender voor de indiening van de adviesaanvragen.



[1] Voor meer informatie over deze specifieke criteria en de toepassing ervan in de betrokken sectoren verwijzen we u naar de fiche “Werknemer of zelfstandige? De aard van de arbeidsrelatie – 2. Het mechanisme van het vermoeden”.

[2] Artikel 6 van het Sociaal Strafwetboek.

Een vermoeden van het bestaan van een band van ondergeschiktheid

De wet heeft een mechanisme van weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een band van ondergeschiktheid tussen de partijen ingevoerd. Dit vermoeden is alleen van toepassing op welbepaalde sectoren[1] en als een aantal criteria vervuld zijn. Voor meer informatie hierover verwijzen we naar onze fiche nr. 2.

 


[1] Het gaat om 4 door de wet beoogde sectoren die daarom hadden verzocht. Andere sectoren kunnen zich op de lijst toevoegen als ze een door de wet vastgestelde procedure volgen.

De administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie

Samenstelling

De administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie bestaat uit verschillende kamers.

Elke kamer is samengesteld uit een gelijk aantal leden die worden aangewezen:

Het mag niet gaan om ambtenaren van die administraties (Middenstand, Sociale Zaken en Werkgelegenheid).

Elke kamer wordt voorgezeten door een beroepsmagistraat.

De leden van de kamers worden door de Koning benoemd. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de administratieve commissie.

De administratieve commissie kan beslissen om deskundigen van de betrokken sector(en) of van het betrokken beroep of beroepen te horen.

De rol van de administratieve commissie

De kamers van de administratieve commissie hebben als taak te beslissen over de kwalificatie van een bepaalde arbeidsrelatie. De kamers spreken zich dus uit over bijzondere gevallen en vervullen een rol van sociale ruling. De beslissingen worden geval per geval genomen. Sommige van die beslissingen (met name de beslissingen die worden genomen op initiatief van een partij bij het begin van de activiteit op het tijdstip van de aansluiting of op initiatief van elke partij die overweegt om een arbeidsrelatie aan te gaan met een andere partij van wie het statuut onzeker is) zijn van kracht voor een periode van 3 jaar. Hierdoor wordt geleidelijk aan rechtspraak gevormd die de instellingen van sociale zekerheid moeten raadplegen als ze de aard van een arbeidsrelatie betwisten.

Deze beslissingen worden genomen :

Opmerking: de regels en de modaliteiten van de opdracht van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen zullen bij koninklijk besluit worden vastgesteld.

Gevallen waarin geen beslissing kan worden genomen

Er kan geen beslissing worden genomen:

Invloed van de beslissingen en beroep

Deze beslissingen zijn bindend voor de instellingen die in de administratieve commissie vertegenwoordigd zijn en voor de sociaalverzekeringsfondsen (dus de RSZ, het RSVZ en de sociale verzekeringsfondsen):

De betrokken instellingen kunnen dus altijd controleren of de elementen die aan de grondslag van de beslissing van de administratieve kamer lagen, behouden zijn gebleven.

Beroep tegen de beslissingen

De partijen kunnen voor de rechtbanken beroep aantekenen tegen de beslissing binnen de maand die volgt op de kennisgeving van de beslissing via aangetekend schrijven. Wordt geen beroep aangetekend, dan wordt de beslissing definitief en kunnen de partijen ze niet meer betwisten[3].

De partij die een beslissing van de bevoegde kamer van de administratieve commissie onder de door hierboven vermelde voorwaarden heeft gekregen, kan een nieuwe beslissing van deze kamer verkrijgen.

Verslag en rechtspraak

Elk jaar stelt de administratieve commissie een verslag op waarin haar rechtspraak wordt opgenomen.

Hoven en rechtbanken

Uiteraard behouden de hoven en rechtbanken hun soevereine bevoegdheid om de aard van een bepaalde arbeidsrelatie te beoordelen, rekening houdende met de algemene criteria en eventueel met de specifieke criteria en/of het vermoeden.

Wanneer een instelling van de sociale zekerheid de aard van een arbeidsrelatie betwist, moet ze vooraf de rechtspraak van de administratieve commissie raadplegen.



[1] Koninklijk besluit van 29 oktober 2013 voor het paritair subcomité voor de autobussen en autocars, Koninklijk besluit van 29 oktober 2013 voor het paritair subcomité voor het wegvervoer en de logistiek voor rekening van derden, Koninklijk besluit van 29 oktober 2013 voor het paritair subcomité voor de taxi's en van het paritair comité voor het vervoer en de logistiek, enkel voor de activiteiten van verhuur van voertuigen met chauffeur en van collectieve taxidiensten, Koninklijk besluit van 7 juni 2013 voor de uitvoering van bepaalde onroerende werken, Koninklijk besluit van 20 juni voor het paritair comité voor de landbouw en dat voor de tuinbouwondernemingen. Koninklijk besluit van 29 april 2013 voor de bewakingsagenten.

[2] Een koninklijk besluit zal de regels en modaliteiten van de opdracht van de sociale verzekeringsfondsen vaststellen.

[3] Volgens Charles-Eric Clesse, in ‘L'assujettissement à la sécurité sociale des travailleurs salariés et indépendants. Aux frontières de la fausse indépendance', 2de editie ‘kunnen de partijen hun arbeidsrelatie altijd betwisten voor de hoven en rechtbanken. Wanneer er geen voorziening wordt ingesteld zijn de instellingen van sociale zekerheid echter altijd gebonden door de administratieve beslissing, op zijn minst tijdens de periode van 3 jaar waarin deze beslissing van toepassing is'. (vrije vertaling)

Regularisatie

Bij herkwalificatie tot arbeidsrelatie van werknemer (schijnzelfstandige)

Bij herkwalificatie in zelfstandige arbeidsrelatie (schijnwerknemer)

Merken we op dat wanneer de administratieve commissie een beslissing neemt op initiatief van een enkele partij van de arbeidsrelatie ingeval deze een beroepsactiviteit van zelfstandige start en een aanvraag ervoor doet bij haar sociaal verzekeringsfonds (en dit hetzij bij de aansluiting hetzij binnen een termijn van 1 jaar na de aanvang van de arbeidsrelatie) en deze commissie stelt vast dat er geen overeenstemming is tussen een arbeidsrelatie en de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, de herkwalificatie slechts voor de toekomst geldt[1].

 


[1] Artikel 341 van de programmawet (I) van 27 december 2006.

Welke sancties zijn van toepassing?

Voor een overzicht van de toepasselijke sancties verwijzen we naar het trefwoord ‘Schijnwerknemers' van de fiche ‘Sociaal Strafwetboek - 4. De inbreuken' van ons dossier over het Sociaal Strafwetboek. U vindt dit dossier in de rubriek Sociaal/Dossiers.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

Werknemer of zelfstandige? De aard van de arbeidsrelaties > 2. Het mechanisme van het vermoeden

Lees eerst even dit…

In de strijd tegen de sociale en fiscale fraude besliste de regering om het probleem van de aard van de arbeidsrelaties meer sectoraal aan te pakken. Daarom werden twee mechanismen ingevoerd:

Bovendien werd een administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie opgericht.

Een weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een band van ondergeschiktheid

Een band van ondergeschiktheid is een doorslaggevend element om te beslissen of er al dan niet een arbeidsovereenkomst bestaat. Om het bewijs ervan te vergemakkelijken, werd een mechanisme van weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een band van ondergeschiktheid tussen de partijen ingevoerd.

Dit vermoeden is enkel van toepassing op enkele welbepaalde sectoren en indien een bepaald aantal criteria met betrekking tot economische afhankelijkheid zijn vervuld.    

Als uw onderneming niet tot één van de beoogde sectoren behoort, is deze fiche niet voor u bestemd. In dat geval kan u gebruik maken van het mechanisme van de criteria om de aard van uw arbeidsrelatie te kwalificeren. U vindt de uitleg over dit mechanisme in onze fiche Werknemer of zelfstandige? De aard van de arbeidsrelaties - 1. Het mechanismevan de criteria.

Voor welke sectoren geldt het vermoeden?

Principe

De sectoren waarop het vermoeden van toepassing is, zijn:

  • de sector van de werken in onroerende staat (met inbegrip van het bouwbedrijf)[1];
  • de sector van de bewakings- en/of toezichtsdiensten voor rekening van derden;
  • de schoonmaaksector[2];
  • de sector van het vervoer van goederen en of personen voor rekening van derden (met uitzondering van de ambulancediensten en het vervoer van personen met een handicap);
  • de land- en tuinbouwsector.

Dit zijn sectoren waarin het probleem van de schijnzelfstandigheid vaak voorkomt en waar de sociale partners al verschillende jaren samenwerken met de overheid om fraude te bestrijden en eerlijke concurrentie te waarborgen.   

Op te merken valt dat de horecasector, die toch ook als een ‘risicosector’ wordt beschouwd, niet wordt vermeld. Binnen die sector werd immers nog geen consensus bereikt.

Familiale relaties uitgesloten

Het wettelijk vermoeden is niet van toepassing op familiale arbeidsrelaties. Dat zijn:

  • arbeidsrelaties tussen de leden van eenzelfde familie (het gaat om bloedverwanten en aanverwanten tot de derde graad) en tussen wettelijk samenwonenden;
  • arbeidsrelaties binnen een familiale onderneming indien de werknemer bloedverwant of aanverwant (tot de derde graad) of wettelijk samenwonende is van een vennoot of van verschillende vennoten die, ofwel alleen, ofwel samen, meer dan de helft van de aandelen bezitten.

Mogelijke uitbreiding tot andere sectoren

De lijst van de sectoren kan bij koninklijk besluit worden uitgebreid, na advies van de volgende organen:

  • het Directiecomité van het Federaal aansturingsbureau van de sociale inlichtingen en opsporingsdienst[3] ;
  • de bevoegde paritaire comités of subcomités of de Nationale Arbeidsraad (NAR) wanneer verschillende paritaire comités bevoegd zijn of bij ontstentenis van bevoegd of werkend paritair (sub)comité of subcomité;
  • de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld.

Deze organen hebben 4 maanden de tijd om te antwoorden op het verzoek tot advies van de bevoegde ministers (Middenstand, Werk en Sociale Zaken).

Indien binnen de gestelde termijn geen eensluidend en eenparig advies werd verstrekt, kan de Koning het vermoeden alleen toepassen voor de betrokken sector(en), beroep(en), categorie(ën) van beroepen of beroepsactiviteit(en) bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

De ministers kunnen deze organen vragen een advies uit te brengen, hetzij op hun eigen initiatief, hetzij op vraag van het bevoegde paritaire comité of subcomité, de NAR, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O. of van de organisaties die erin vertegenwoordigd zijn.

Als ze tegelijk verschillende aanvragen tot advies ontvangen, bepalen ze een kalender voor de indiening van de adviesaanvragen.

 


[1] De wettekst heeft het over ‘de uitoefening van de werkzaamheden die zijn vermeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde’.

[2] Die nog niet worden beoogd in de sector van het bouwbedrijf.

[3] Artikel 6 van het Sociaal Strafwetboek.

 

Welke criteria bepaalt de wet om het vermoeden toe te passen?

Principe

De arbeidsrelaties worden weerlegbaar vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn wanneer uit de analyse van de arbeidsrelatie blijkt dat meer dan de helft van de volgende 9 criteria zijn vervuld:

  1. geen financieel of economisch risico bij diegene die de werkzaamheden uitvoert (onder meer geen persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen of geen persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming);
  2. geen verantwoordelijkheid en beslissingsmacht over de financiële middelen van de onderneming bij diegene die de werkzaamheden uitvoert;
  3. geen beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming bij diegene die de werkzaamheden uitvoert;
  4. geen beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming bij diegene die de werkzaamheden uitvoert (tenzij de prijzen wettelijk zijn vastgelegd);
  5. geen resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid;
  6. de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties die worden geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert;
  7. zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
  8. zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken;
  9. in ruimtes werken waarvan men niet de eigenaar of de huurder is of werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant.

Deze door de wet vastgestelde criteria kunnen bij koninklijk besluit worden aangevuld of vervangen.

Als daarentegen meer dan de helft van deze criteria niet zijn vervuld, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigenovereenkomst te zijn.

Het vermoeden kan worden weerlegd door alle middelen van recht, onder andere op basis van de algemene criteria. Hoe de meerderheid van de criteria wordt aangetoond en het bewijs wordt weerlegd (en dus wordt bewezen dat er geen band van ondergeschiktheid is), doet vandaag nog vragen rijzen.

Uitwerken van specifieke criteria

De Koning kan specifieke criteria bepalen die eigen zijn aan één of meerdere sectoren, één of meerdere beroepen of één meerdere categorieën van beroepen of één of meerdere beroepsactiviteiten die hij bepaalt, en die de hierboven vermelde criteria vervangen of aanvullen. Deze criteria moeten elementen bevatten die verband houden met een socio-economische afhankelijkheid of juridische ondergeschiktheid.

Wat zijn de specifieke criteria voor de bewakingssector?

De bewakingssector heeft een eigen lijst van criteria opgesteld[1], die de wettelijke criteria vervangen voor de toepassing van het vermoeden.

In de bewakingssector zal er een vermoeden van een arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis, in hoofde van de bewakingsagent, van enig financieel of economisch risico, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming;
    • ontstentenis, in hoofde van de bewakingsagent, van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming;
    • ontstentenis, in hoofde van de bewakingsagent, van enige beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming;
    • ontstentenis, in hoofde van de bewakingsagent, van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd, of van inspraak in identificeren van potentiële klanten en in onderhandelen en afsluiten van commerciële bewakingsopdrachten;
    • ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid; OF:
      • afwezigheid, in hoofde van de bewakingsagent, van rechtstreekse toegang tot informatie aangaande de te bewaken site van de klant;
      • afwezigheid, in hoofde van de bewakingsagent, van opmaak van de eigen planning en van de eigen arbeidsorganisatie;
      • afwezigheid, in hoofde van de bewakingsagent, van bepaling van de plaats van tewerkstelling;
      • onderworpen zijn van de bewakingsagent aan een systeem van tijdsregistratie;
      • onderworpen zijn van de bewakingsagent aan controle door hiërarchische oversten;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door de bewakingsagent;
    • het zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen zonder toestemming;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken;
    • werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant; OF:
      • werken met communicatiemiddelen waarvan de bewakingsagent geen eigenaar of huurder is;
      • werken met een uniform met het bedrijfslogo van de medecontractant;
      • werken met een identificatiekaart F.O.D. BIZA waarop de naam van de medecontractant vermeld is.

Indien minder dan de helft van de criteria vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.



[1] Koninklijk besluit van 29 april 2013, Belgisch Staatsblad van 14 mei 2013, 2de editie.

Wat zijn de specifieke criteria voor de sector van de onroerende werkzaamheden?

Van de mogelijkheid om de door de wet bepaalde criteria voor de toepassing van het vermoeden te vervangen door specifieke criteria werd gebruikt gemaakt voor de uitoefening van sommige onroerende werkzaamheden[1].

De beoogde activiteiten

De door het besluit ingevoerde lijst van criteria is van toepassing op de volgende activiteiten[2]:

    • het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt[3];
    • iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:
      • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren;
      • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;
      • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;
      • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;
      • van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust;
      • van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;
    • iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbedekking als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;
    • ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in het tweede en derde streepje hierboven;
    • de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van een werk in onroerende staat of van een van de hierboven bedoelde handelingen.

Om onder het toepassingsgebied te vallen, moeten de bovenstaande activiteiten echter ook onder één van de volgende paritaire comités vallen:

    • het paritair comité voor de stoffering en de houtbewerking (PC nr. 126);
    • het paritair comité voor het bouwbedrijf (PC nr. 124);
    • het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw (PC nr. 111);
    • het paritair subcomité voor de electriciens (PC nr. 149.010).

De lijst van de specifieke criteria

Bij de uitoefening van de hierboven genoemde onroerende werkzaamheden zal er een vermoeden van een arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van enig financieel of economisch risico, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming, of,
      • bij ontstentenis van persoonlijke aansprakelijkheid, die geen betrekking heeft op bedrog, een zware fout of een lichte gewoonlijke fout, in voorkomend geval met name beoordeeld in functie van het bestek of van iedere andere verbintenis ten aanzien de gerealiseerde werken;
    • ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming, zoals dit onder meer het geval is inzake de uitgaven, ontvangsten, investeringen of aanwending van de al dan niet eigen middelen van de onderneming;
    • ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van beslissingsmacht over het aankoop- en prijsbeleid van de onderneming of van vrijheid in het identificeren van mogelijke klanten, het onderhandelen of het afsluiten van contracten;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert. Voor de toepassing van dit criterium mag geen rekening gehouden worden met vaste voorschotten om materiaal en grondstoffen aan te kopen;
    • het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of van zijn medecontractant, zoals met name het geval is wanneer geen gebruik wordt gemaakt van bepaalde zichtbare elementen die kenmerkend zijn voor de onderneming, zoals logo's, belettering op voertuigen, uithangborden of publicitaire slogans;
    • werken hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant;
    • werken in ruimtes die zich buiten de werf bevinden of met materiaal waarvan men geen eigenaar of huurder is, zoals met name het geval is wanneer gewerkt wordt in ruimtes die aangewend worden als opslag- of werkplaats, of met voertuigen, materieel of gereedschap waarvan de uitvoerder van de werken geen eigenaar is, die hij niet heeft geleased of die hem door de medecontractant werden ter beschikking gesteld;
    • niet onafhankelijk werken ten overstaan van de werkploegen van de medecontractant of van de onderneming waarin de uitvoerder van de werken de hoedanigheid van werkende vennoot heeft.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.



[1] Koninklijk besluit van 7 juni 2013, Belgisch Staatsblad van 25 juni 2013.

[2] Het gaat om de werken bedoeld in artikel 20 §2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992.

[3] Het gaat om de werken bedoeld in artikel 19 §2 van het BTW-wetboek.

Wat zijn de specifieke criteria voor de land- en tuinbouwsector?

De land- en tuinbouwsector is de eerste sector die van de mogelijkheid gebruik gemaakt heeft om deel uit te maken van de lijst van sectoren waarvoor specifieke criteria van toepassing zijn voor de toepassing van het mechanisme van het vermoeden[1].

Beoogde activiteiten

In de landbouwsector

De lijst van criteria is van toepassing op de volgende werkzaamheden die uitgevoerd worden door landbouwondernemingen:

    • de grasteelt en weideboomgaarden;
    • de tabaksteelt en -drogerij;
    • de hopteelt en -drogerij;
    • de teelt van geneeskrachtige kruiden;
    • de teelt van suikerbieten;
    • de teelt van cichoreiwortels;
    • de teelt van landbouwzaad en pootaardappelen;
    • de teelt van teenwilg;
    • de fokkerij;
    • de pluimveeteelt;
    • de bijenteelt;
    • de visteelt;
    • de mosselteelt;
    • de oesterteelt;
    • de kunstmatige bevruchting;
    • het onderhouden en verzorgen van paarden, het verhuren van paardenboxen, stallingen en het onderhoud ervan, het geven van instructies in verband met paardrijden, met uitzondering van de activiteiten ressorterende onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het hotelbedrijf;
    • de door de bevoegde overheid erkende diensten voor bedrijfsverzorging in de landbouw.
In de tuinbouwsector

De lijst van criteria is van toepassing op de volgende werkzaamheden die uitgevoerd worden door tuinbouwondernemingen:

    • de groententeelt, met inbegrip van de speciale teelten, zoals de witloof- en paddestoelenteelt;
    • de fruitteelt, met inbegrip van de speciale teelten, zoals druiven-, perziken- en aardbeienteelt;
    • de bloemen- en sierplantenteelt, alle specialiteiten inbegrepen[2];
    • de boomkwekerij, met inbegrip van de rozen en sierheesterteelt[3];
    • de teelt van de tuinbouwzaden;
    • het aanleggen en/of onderhouden van parken, tuinen, sportterreinen, recreatieterreinen, groene zones, begraafplaatsen met inbegrip van begraafplaatsen van vreemde militairen in België;
    • het aanleggen en/of onderhouden in eigen beheer van parken, tuinen, sportterreinen, recreatieterreinen of groene zones, wanneer de werklieden van de onderneming hoofdzakelijk aan deze activiteiten zijn tewerkgesteld;
    • het verrichten van onderzoek in verband met tuinbouwgewassen en organiseren van voorlichting in de tuinbouwsector;
    • de ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het sorteren van tuinbouwproducten;
    • de productie van potgrond, turf, schors en bodemverbeterende producten.

De lijst van de specifieke criteria

Bij de uitoefening van de hierboven genoemde werkzaamheden zal er een vermoeden van een arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming;
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de omvang van de prestaties geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    • het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk eigen personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen, zoals dit onder meer het geval is wanneer geen gebruik wordt gemaakt van een logo of een eigen bedrijfsnaam, of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één en dezelfde medecontractant werken;
    • uitsluitend of hoofdzakelijk werken met materiaal of vervoermiddelen, ter beschikking gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant;
    • het ontbreken van onafhankelijkheid van diegene die de werkzaamheden uitvoert, ten overstaan van de medecontractant wat betreft zijn logies;
    • werken op dezelfde plaatsen als de werknemers van de medecontractant, uitvoeren van dezelfde werkzaamheden als hen en niet beschikken over een gespecialiseerde beroepskennis nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.



[1] Koninklijk besluit van 20 juni 2013, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013.

[2] Onder telen wordt onder meer verstaan: het zaaien, planten, verspenen, oppotten, verpotten, stekken, in vitro of anderszins vermeerderen, bemesten, forceren, in bloei trekken, toppen alsook het verrichten van alle mogelijke andere of gelijkaardige werkzaamheden aan bollen, stekken, plantmateriaal evenals aan planten die men zelf geheel of hoofdzakelijk teelt (d.w.z. plantmateriaal dat op het ogenblik van inkoop reeds een zekere ontwikkeling doormaakte).

[3] Idem voetnoot hierboven.

Wat zijn de specifieke criteria voor de transportsector?

De transportsector heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de door de wet bepaalde criteria voor de toepassing van het vermoeden te vervangen door specifieke criteria. In deze sector werden hiervoor 3 koninklijke besluiten aangenomen die betrekking hebben op:

    • de werkzaamheden die vallen onder het toepassingsgebied van het paritair subcomité voor de autobussen en autocars[1];
    • de werkzaamheden die vallen onder het toepassingsgebied van het paritair subcomité voor het wegvervoer en de logistiek voor rekening van derden[2];
    • de werkzaamheden die vallen onder het toepassingsgebied van het paritair subcomité voor de taxi's en van het paritair comité voor het vervoer en de logistiek, enkel voor de activiteiten van verhuur van voertuigen met chauffeur en van collectieve taxidiensten[3].

Lijst van de specifieke criteria voor de autobussen en autocars

Indien het vervoer wordt uitgevoerd door ondernemingen voor het vervoer met autobussen of autocars, met uitzondering van stadsautobussen, zal er een vermoeden van arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van verantwoordelijkheid betreffende de naleving van de wetgeving betreffende het bezoldigd personenvervoer per autobus of autocar, of,
      • bij ontstentenis van verantwoordelijkheid betreffende de naleving van de wetgeving betreffende de toegang tot het beroep of tot de markt, of,
      • bij ontstentenis van verantwoordelijkheid betreffende de technische staat van de voertuigen of hun technische keuring;
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die het vervoer uitvoert;
    • het zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen vervoer personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen;
    • in bedrijfsruimtes of met materiaal werken waarvan men niet de eigenaar of de huurder is, zoals dit onder meer het geval is wanneer gewerkt wordt met materiaal waarvan diegene die het vervoer uitvoert niet de eigenaar is, dat hij niet geleased heeft of dat hij niet op afbetaling heeft verworven.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.

Lijst van specifieke criteria voor vervoer van goederen voor rekening van derden[4]

Worden beoogd door deze lijst van specifieke criteria, de ondernemingen die:

    • wegvervoer voor rekening van derden uitvoeren en elk ander vervoer zowel met paarden als met motorrijtuigen voor rekening van derden;
    • voor rekening van derden uitsluitend logistieke activiteiten[5] uitoefenen.

Worden daarentegen niet beoogd:

    • de vervoerondernemingen voor rekening van derden die vallen onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, het Paritair Comité voor de handel in brandstoffen, het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten en het Paritair Comité voor het stads- en streekvervoer;
    • de ondernemingen die voor rekening van derden uitsluitend logistieke activiteiten uitoefenen en de daarmee gelijkgestelde ondernemingen wanneer deze logistieke activiteiten een onlosmakelijk onderdeel vormen van een productie- of handelsactiviteit waarbij deze logistieke activiteiten opgenomen zijn in de bevoegdheid van een specifiek paritair comité;
    • de ondernemingen die voor rekening van derden uitsluitend logistieke activiteiten uitoefenen of voor de daarmee gelijkgestelde ondernemingen die ressorteren onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, het Paritair Comité voor de handel in brandstoffen of het Paritair Comité voor het havenbedrijf.

In de ondernemingen[6] voor vervoer van goederen voor rekening van derden zal er een vermoeden van arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming, of,
      • bij ontstentenis van een financiële waarborg verstrekt in het kader van de toegang tot het beroep van goederenvervoerder, of,
      • bij ontstentenis van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid[7];
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is bij ontstentenis van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid[8];
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over de prestaties die in aanmerking komen voor de prijsafrekening van de werkzaamheden in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, behalve indien de prijs overeengekomen is op basis van objectieve criteria, zoals bij transportbeurzen en aanbestedingen die objectieve criteria hanteren voor de prijsbepaling zonder dat de vervoerder daar individueel invloed op kan hebben;
    • ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende het overeengekomen werk in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is bij ontstentenis van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid[9];
    • het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven;
    • behalve voor wat betreft de commerciële afspraken rond publiciteit op het getrokken materieel, het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen, zoals dit onder meer het geval is bij ontstentenis van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid[10];
    • in ruimtes werken waarvan men niet de eigenaar of de huurder is of hoofdzakelijk werken met motorvoertuig dat niet tot de eigendom behoort van de uitvoerder van de werken of niet door hem zelf in leasing of huur is genomen, of dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.

Lijst van specifieke criteria voor taxi's, voertuigen met chauffeur en collectieve taxidiensten

Worden beoogd door deze lijst van specifieke criteria, de ondernemingen die houder zijn van een door de bevoegde overheid afgeleverde exploitatievergunning voor een taxidienst, voor een collectieve taxidienst of voor een verhuurdienst van voertuigen met chauffeur waaronder het vervoer uitgevoerd wordt.

In deze ondernemingen zal er een vermoeden van arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming;
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd;
    • de ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die het vervoer uitvoert;
    • het zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen vervoer personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of van zijn medecontractant of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één enkele medecontractant werken;
    • het uitvoeren van transporten met een voertuig waarvan diegene die het vervoer uitvoert geen eigenaar is of dat hij niet geleased heeft en/of met een voertuig dat hem ter beschikking is gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door een medecontractant.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.



[1] Koninklijk besluit van 29 oktober 2013, Belgisch Staatsblad van 26 november 2013.

[2] Koninklijk besluit van 29 oktober 2013, Belgisch Staatsblad van 26 november 2013.

[3] Koninklijk besluit van 29 oktober 2013, Belgisch Staatsblad van 26 november 2013.

[4]Onder "voor rekening van derden" wordt verstaan: het uitvoeren van logistieke activiteiten voor andere natuurlijke of rechtspersonen en onder voorwaarde dat de ondernemingen die voor rekening van derden logistieke activiteiten uitoefenen op geen enkel ogenblik eigenaar van de betrokken grondstoffen, goederen of producten worden.

Met ondernemingen die voor rekening van derden logistieke activiteiten uitoefenen worden gelijkgesteld de ondernemingen die bij verbonden vennootschappen (in de zin van het Wetboek Vennootschappen) van de groep grondstoffen, goederen of producten aankopen en deze grondstoffen, goederen of producten verkopen aan verbonden vennootschappen van de groep en in zo verre deze grondstoffen, goederen of producten tevens het voorwerp zijn van logistieke activiteiten.

[5] Onder "logistieke activiteiten" wordt verstaan: ontvangst, opslag, weging, verpakking, etikettering, voorbereiding van bestellingen, beheer van voorraden of verzending van grondstoffen, goederen of producten in de verschillende stadia van hun economische cyclus, zonder dat er nieuwe halfafgewerkte of afgewerkte grondstoffen, goederen of producten worden voortgebracht.

[6] Voor de toepassing van deze lijst moet worden verstaan onder “de onderneming”, de onderneming die de werken uitvoert of de onderneming die de werken uitvoert en waarin de persoon die de werken uitvoert aandelen bezit. Deze definitie is niet van toepassing op het voorlaatste criterium uit de lijst .

[7] Bedoeld in de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en in de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg

[8] Idem

[9] Idem.

[10] Idem.

Inwerkingtreding van de bepalingen

De volgende artikelen treden in werking op 1 januari 2013,

    • 329 (commissie),
    • 337/2 § 1 en 2 (9 criteria voor vermoeden),
    • 338 (rol van de commissie),
    • 339 (Hoven en rechtbanken),
    • 341 (initiatief van één partij bij het begin van de activiteit en gebrek aan overeenstemming tussen arbeidsrelatie en kwalificatie).

De andere artikelen van de programmawet van 27 december 2006 zijn in werking getreden op 1 januari 2007 (sommige bepalingen werden ondertussen uitgesteld).

Zijn opgeheven:

    • de artikelen 330, 336, 337 van de programmawet 27 december 2006;
    • de koninklijke besluiten van 14 december 2010.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

  • Programmawet (I) van 27 december 2006
  • Wet van 25 augustus 2012, Belgisch Staatsblad van 11 september 2012, 2de editie.
  • Koninklijk besluit van 29 april 2013, Belgisch Staatsblad van 14 mei 2013, 2de editie
  • Koninklijk besluit van 7 juni 2013, Belgisch Staatsblad van 25 juni 2013
  • Koninklijk besluit van 20 juni 2013, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013
  • 3 koninklijke besluiten van 29 oktober 2013, Belgisch Staatsblad van 26 november 2013