E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Jaarlijkse vakantie

4. De Europese of aanvullende vakantie

Lees eerst even dit…

De Europese vakantierichtlijn stelt dat elke werknemer recht moet hebben op 4 weken betaalde vakantie. Omdat volgens de Belgische wetgeving de vakantierechten opgebouwd worden op basis van de prestaties van het jaar voordien, kunnen echter niet alle werknemers op 4 weken betaalde wettelijke vakantie aanspraak maken.

Om in overeenstemming te zijn met de Europese regelgeving werd voor werknemers met een onvolledig recht op wettelijke vakantie dan ook het recht op aanvullende vakantie ingevoerd[1]. Deze aanvullende vakantie wordt, om evidente redenen, ook wel Europese vakantie genoemd.

De aanvullende vakantiedagen worden toegekend in verhouding tot de arbeidsprestaties van het lopende kalenderjaar. Ze worden betaald via een voorschot op het dubbel vakantiegeld van het volgende jaar.

In deze fiche bespreken we de eigenheden van de aanvullende vakantie. Voor de zaken die niet specifiek in deze fiche aan bod komen (gelijkstellingen, overdraagbaarheid, in aanmerking te nemen loonelementen,…), zijn dezelfde regels van toepassing als voor de wettelijke vakantie. U vindt het antwoord op die vragen dan ook in de eerste 3 fiches over de jaarlijkse vakantie.



[1] Wet houdende diverse bepalingen (I) van 29 maart 2012 en koninklijke besluiten van 19 juni 2012 en 30 augustus 2013. Deze vakantie wordt ook "Europese vakantie" genoemd.

Jaarlijkse vakanties

Wie heeft recht op aanvullende vakantie?

Enkel de werknemers die geen 4 weken wettelijke vakantie hebben opgebouwd, kunnen aanspraak maken op aanvullende vakantie. Bovendien moeten ze, om dit recht effectief te kunnen uitoefenen, aan de volgende 3 voorwaarden voldoen:

Deze 3 voorwaarden worden in de titels hieronder toegelicht.

De aanvullende vakantie geeft een werknemer het recht om zijn wettelijk opgebouwde vakantiedagen aan te vullen met bijkomende vakantiedagen. Hierdoor kan hij net als de andere werknemers 4 weken vakantie opnemen. In tegenstelling tot de wettelijke vakantie, is de werknemer evenwel niet verplicht deze aanvullende vakantie op te nemen!

 

Een activiteit aanvatten of hervatten in dienst van één of meerdere werkgevers

Aanvatten van een activiteit

Onder "aanvatten van een activiteit" moet worden verstaan, de situatie van een werknemer die voor het eerst wordt tewerkgesteld bij een of meerdere werkgevers in het algemeen werknemersstelsel, en dat tot wanneer de werknemer 4 weken vakantie heeft kunnen genieten, in verhouding tot zijn arbeidsstelsel op het tijdstip waarop hij zijn vakantiedagen opneemt. De aanvatting van een activiteit loopt tot het einde van het jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk deze aanvatting heeft plaatsgevonden.

Het gaat bijvoorbeeld om een werknemer die overstapt van het statuut van zelfstandige naar het statuut van werknemer.

Hervatten van een activiteit

De "normale" hervatting

Onder "hervatting van activiteit" moet elke activiteit worden verstaan van een werknemer die, vóór de hervatting van de activiteit:

De hervatting van een activiteit loopt tot het einde van het jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk deze hervatting heeft plaatsgevonden.

De hervatting van deeltijders

Wordt ook beschouwd als een werknemer die een activiteit hervat, de deeltijdse werknemer die:



[1] Werknemer bedoeld in artikel 27, 1°, a) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

[2] Werknemer bedoeld in artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en de uitvoeringsbesluiten ervan, en dit voor de dagen arbeidsonderbreking die niet gelijkgesteld zijn met dagen normale werkelijke arbeid.

[3] Het gaat om de situaties bedoeld in artikel 46, §1 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967. Opgelet! Hier is geen sprake van de vermindering van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, die eveneens aanleiding geeft tot de betaling van vertrekvakantiegeld.

[4] Schorsing van de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 48 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.

[5] Zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 (zowel voltijds als deeltijds (halftijds of 1/5) ouderschapsverlof.

Jaarlijkse vakantie

Een aanloopperiode van 3 maand achter de rug hebben

Minstens 3 maanden effectieve of gelijkgestelde prestaties

De werknemer moet gedurende een periode van 3 maanden effectieve arbeidsprestaties hebben verricht of gedurende een even lange periode een arbeidsonderbreking die gelijkgesteld wordt met werkelijke arbeid, hebben gekend.  Dit is de zogenaamde aanloopperiode. Pas nadat de werknemer deze aanloopperiode achter de rug heeft, kan hij aanspraak maken op aanvullende vakantie.

Opmerking: in de laatste week van de aanloopperiode kan de werknemer desgewenst ook al aanvullende vakantie opnemen. Deze bepaling werd voorzien om werknemers waarvan de aanloopperiode op 1 oktober begint de mogelijkheid te geven hun aanvullende vakantie gedurende de laatste week van de maand december van hetzelfde kalenderjaar op te nemen.

De Nationale Arbeidsraad heeft hierbij verduidelijkt dat evenwel niet de bedoeling is de verplichting op te leggen dat na afloop van elke activiteitsperiode van drie maanden een week vakantie wordt genomen. De aanvullende vakantiedagen kunnen worden uitgesteld binnen het lopende kalenderjaar (maar niet daarna!) en kunnen genomen worden in dagen of in periodes van meerdere dagen.

Voorwaarden

De aanloopperiode moet:

Deze voorwaarden moeten cumulatief worden vervuld.

Voorbeeld: een werknemer levert arbeidsprestaties van 1 november 2018 tot 1 februari 2019. Hij zal geen recht hebben op Europese vakantie (noch in 2018, noch in 2019), omdat hij niet in eenzelfde kalenderjaar gedurende 3 maanden arbeidsprestaties heeft verricht.

Jaarlijkse vakanties

Zijn wettelijke vakantiedagen hebben opgebruikt

Wettelijke vakantie

Het recht op aanvullende vakantie gaat pas in nadat de wettelijke vakantiedagen zijn opgebruikt. 

Jeugd- en seniorvakantie

Het recht op aanvullende vakantie kan echter wel worden uitgeoefend vóór het recht op seniorvakantie of jeugdvakantie.  De werknemer die voldoet aan de voorwaarden om van de seniorvakantie of jeugdvakantie te genieten, kan immers kiezen voor het ene of het andere stelsel.

Merken we hierbij op dat het voor een werknemer die recht heeft op jeugdvakantie of op seniorvakantie voordeliger is om eerst die vakantie op te nemen. Hoewel hij voor die dagen geen recht heeft op loon, maar op een uitkering van de RVA, zal dit op termijn financieel voordeliger zijn: het loon dat betaald wordt voor een dag aanvullende vakantie (aanvullend vakantiegeld genoemd) is immers een voorschot op het dubbel vakantiegeld van het volgend jaar en zal hierop dus in mindering gebracht tijdens het volgend jaar (zie verderop in deze fiche).  Kiest de werknemer voor jeugd- of seniorvakantie, dan ontvangt hij het jaar nadien wel zijn volledige dubbel vakantiegeld.

Jaarlijkse vakantie

Hoe lang duurt de aanvullende vakantie?

Aanvullende vakantie voor arbeiders

De duur van de aanvullende vakantie is gelijk aan de duur van de maximale wettelijke vakantie waarop de arbeider theoretisch recht kan hebben[1] min de wettelijke dagen waarop hij daadwerkelijk recht heeft op basis van zijn prestaties tijdens het vakantiedienstjaar. De berekening gebeurt op dezelfde manier als voor de gewone vakantiedagen.  Voor meer uitleg over de berekening en enkele voorbeelden hiervan, verwijzen we u naar de website van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.

Aanvullende vakantie voor bedienden

Principe

Er moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de bediende zich in de laatste week van de aanloopperiode of erna bevindt.

Vanaf de laatste week van de aanloopperiode heeft een werknemer die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op aanvullende vakantie, het recht om maximum 6 vakantiedagen op te nemen (in een 6-dagenweek).  Als de werknemer in een andere arbeidsregeling werkt, staat zijn recht in verhouding tot de arbeidsregeling waarin hij tijdens de aanloopperiode werkte.

Deze bepaling werd voorzien om aan de werknemers waarvan de aanloopperiode op 1 oktober begint de mogelijkheid te geven hun aanvullende vakantie gedurende de laatste week van de maand december van hetzelfde kalenderjaar op te nemen[2].

Na de aanloopperiode wordt de duur van de vakantie vastgesteld op basis van 2 dagen per maand van prestaties die bij één of meerdere werkgevers werden verricht (in een 6-dagenweek). Als de werknemer in een andere arbeidsregeling werkt, staat zijn recht in verhouding tot de arbeidsregeling waarin hij werkt.

De aldus bepaalde vakantieduur wordt verminderd met het aantal wettelijke verlofdagen waarop de werknemer recht heeft.

Concreet

De duur van de aanvullende vakantie is dus gelijk aan de duur van de maximale wettelijke vakantie waarop de werknemer theoretisch recht kan hebben min de wettelijke vakantiedagen waarop hij daadwerkelijk recht heeft op basis van zijn prestaties tijdens het vakantiedienstjaar.

De berekening van de vakantieduur gebeurt dus in 4 stappen:

  1. Berekening, volgens de gewone regels, van het aantal vakantiedagen op basis van de prestaties van het lopende kalenderjaar (vakantiejaar);
  2. Berekening, volgens de gewone regels, van het aantal vakantiedagen op basis van de prestaties van het vorige kalenderjaar (vakantiedienstjaar) voor zover deze aanwezig zijn;
  3. Het hoogste resultaat van deze beide berekeningen geeft het aantal vakantiedagen waarop de werknemer in het lopende kalenderjaar recht heeft tot op het ogenblik van de berekening;
  4. Van de aldus bekomen vakantieduur wordt het in de tweede stap berekende aantal vakantiedagen beschouwd als gewone vakantie die verplicht en bij voorrang wordt opgenomen, en het saldo als de aanvullende vakantie. 

Deze berekening moet gemaakt worden elke keer de werknemer aanvullende vakantie wenst op te nemen, om na te gaan op hoeveel dagen hij op dat moment recht heeft.

Voorbeeld

Een werknemer komt in dienst op 1 juli 2019. We gaan er voor het gemak van uit dat hij in een 6-dagenweek wordt tewerkgesteld. Hij heeft voordien als zelfstandige gewerkt en heeft dus geen recht op wettelijke vakantie in 2019.  Sowieso zal hij ten vroegste aanvullende vakantie kunnen opnemen in de laatste week van september (laatste week van de aanloopperiode).

Stel: in november 2019 wil hij graag enkele dagen aanvullende vakantie opnemen:

  • 1/ 4 maanden gewerkt in 2019 x 2 = 8 dagen
  • 2/ 0 maanden gewerkt in 2018 x 2 = 0 dagen
  • 3/ recht op 8 dagen op het moment van de berekening,
  • 4/ waarvan 0 dagen wettelijke vakantie en 8 dagen aanvullende vakantie.

Hij zal in november dus maximaal 8 dagen aanvullende vakantie kunnen opnemen.

Stel: in april 2020 wil de werknemer enkele dagen vakantie nemen:

  • 1/ 3 maanden gewerkt in 2020 x 2 = 6 dagen
  • 2/ 6 maanden gewerkt in 2019 x 2 = 12 dagen
  • 3/ recht op 12 dagen op het moment van de berekening,
  • 4/ waarvan 12 dagen wettelijke vakantie en 0 dagen aanvullende vakantie.

Hij zal in april dus maximaal 12 dagen wettelijke vakantie kunnen opnemen. Hij kan nog geen aanspraak maken op aanvullende vakantiedagen.

Stel: in augustus 2020 wil de werknemer enkele dagen vakantie nemen:

  • 1/ 7 maanden gewerkt in 2020 x 2 = 14 dagen
  • 2/ 6 maanden gewerkt in 2019 x 2 = 12 dagen
  • 3/ recht op 14 dagen op het moment van de berekening,
  • 4/ waarvan 12 dagen wettelijke vakantie en 2 dagen aanvullende vakantie.

Hij zal in augustus dus maximaal 14 vakantiedagen kunnen opnemen, waarvan 12 wettelijke en 2 aanvullende (uiteraard moeten de wettelijke vakantiedagen die hij in de loop van het jaar al heeft opgenomen van dit resultaat afgetrokken worden).

 


[1] Zie de vraag "Hoe lang duurt de jaarlijkse vakantie voor arbeiders?" in de fiche "Jaarlijkse vakantie -1. Het recht op vakantie".

[2] De aanloopperiode moet immers gedurende eenzelfde kalenderjaar gepresteerd worden.

Welke regels zijn van toepassing op het aanvullend vakantiegeld voor arbeiders?

De werknemer heeft recht op zijn normaal loon voor de dagen aanvullende vakantie. Het aanvullend vakantiegeld is evenwel een voorschot op het normale dubbel vakantiegeld van het jaar volgend op de opname van de aanvullende vakantie. Er zal dus een regularisatie moeten gebeuren.

Hierna geven we meer uitleg de regels met betrekking tot het aanvullend vakantiegeld voor arbeiders.

Bedrag

Het bedrag van het vakantiegeld voor de aanvullende vakantie is gelijk aan 7,69% van de lonen van de periode die recht geeft op de aanvullende vakantie die door de werknemer wordt gevraagd (eventueel vermeerderd met een fictief loon voor de dagen van inactiviteit die worden gelijkgesteld met dagen normale effectieve arbeid).

Tijdstip en modaliteiten van betaling

Het aanvullend vakantiegeld moet uiterlijk in de loop van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarop het recht op de aanvullende vakantie werd uitgeoefend betaald worden. Ter herinnering: de vakantiekassen (of de RJV[1]) staan in voor de betaling. Hiertoe moet de werknemer een formulier bezorgen aan zijn bijzondere vakantiekas[2].

Regularisatie

Het aanvullend vakantiegeld is in werkelijkheid een voorschot op het gewoon dubbel vakantiegeld van het jaar dat volgt op het opnemen van de aanvullende vakantie. Er moet dus een regularisatie worden uitgevoerd, wat inhoudt dat het bedrag van het betaalde aanvullend vakantiegeld wordt afgetrokken van het gewoon dubbel vakantiegeld van het jaar nadien.

De aftrek gebeurt ten belope van maximaal 50% van het bedrag van het gewoon vakantiegeld (dat overeenstemt met 15,38% van het brutojaarloon van het vakantiedienstjaar tegen 108%[3]) van het volgende jaar[4]. Aangezien de vakantiekassen instaan voor de betaling van het vakantiegeld van arbeiders, zullen ze ook de aftrek op het gewoon dubbel vakantiegeld toepassen.

Opgelet! Indien het totale bedrag van het aanvullende vakantiegeld niet kan worden afgetrokken, zal de solidariteit van de vakantieregeling voor arbeiders in werking treden[5]. Dit betekent dat er dan geen verdere regularisatie doorgevoerd zal worden.



[1] Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie.

[2] Dit formulier moet worden gedateerd en ondertekend en wordt opgesteld volgens een model dat werd goedgekeurd door het Beheerscomité van de RJV. Voor het overige wordt het bijkomend vakantiegeld uitbetaald door de kas volgens dezelfde modaliteiten als het gewone vakantiegeld (door overschrijving).

[3] In voorkomend geval wordt het brutojaarloon verhoogd met een fictief loon voor de gelijkgestelde dagen.

[4] Dit wil zeggen ten belope van 7,69% van het brutojaarloon van het vakantiedienstjaar tegen 108%.

[5] Dit wordt vermeld in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit.

Jaarlijkse vakanties

Welke regels zijn van toepassing op het aanvullend vakantiegeld voor bedienden?

De werknemer heeft recht op zijn normaal loon voor de dagen aanvullende vakantie. Het aanvullend vakantiegeld is evenwel een voorschot op het normale dubbel vakantiegeld van het jaar volgend op de opname van de aanvullende vakantie. Er zal dus een regularisatie moeten gebeuren.

Hierna geven we meer uitleg de regels met betrekking tot het aanvullend vakantiegeld voor bedienden.

Bedrag

Het bedrag van dit vakantiegeld is gelijk aan het bedrag van het enkel vakantiegeld dat de bediende zou hebben ontvangen indien hij wettelijke vakantie had genomen (d.w.z. het normale loon voor de aanvullende vakantiedagen).

Sociale behandeling van het aanvullend vakantiegeld

Het aanvullend vakantiegeld wordt gefinancierd met het gewone dubbel vakantiegeld. Om deze reden wordt dit vakantiegeld niet als loon beschouwd. Er wordt slechts een persoonlijke inhouding van 13,07% voor de sociale zekerheid op ingehouden[1].

Tijdstip van betaling

Dit vakantiegeld wordt door de werkgever betaald en moet worden gestort op de gewoonlijke datum van betaling van het loon.

Regularisatie

Het aanvullend vakantiegeld is in werkelijkheid een voorschot op het gewoon dubbel vakantiegeld[2] van het jaar dat volgt op het opnemen van de aanvullende vakantie. Er moet dus een regularisatie worden uitgevoerd, wat inhoudt dat het bedrag van het betaalde aanvullend vakantiegeld wordt afgetrokken van het gewoon dubbel vakantiegeld van het jaar nadien.

De aftrek gebeurt op het dubbel vakantiegeld van het jaar dat volgt op het opnemen van de aanvullende vakantie, en indien nodig, op het dubbel vakantiegeld van de volgende jaren[3].

Opmerking: indien de werknemer in de loop van het jaar zijn arbeidsduur vermindert en de werkgever een vertrekvakantiegeld december verschuldigd is, mag de aftrek ook hierop gebeuren.

Belangrijk is wel dat de regularisatie moet worden beperkt tot het gedeelte van het dubbel vakantiegeld waarop de bijzondere bijdrage van 13,07% verschuldigd is (dus 85% van dit vakantiegeld) en niet mag plaatsvinden op het gedeelte van het dubbel vakantiegeld dat overeenstemt met het loon vanaf de derde dag van de vierde vakantieweek (op dit gedeelte is geen bijdrage van 13,07% verschuldigd).

En wat indien de werknemer voor de regularisatie uit dienst gaat?

In dat geval wordt de aftrek uitgevoerd op van het vertrekvakantiegeld. Ook in dit geval wordt de aftrek beperkt tot het gedeelte van dit bedrag dat overeenstemt met het dubbel vakantiegeld.

In dit specifieke geval moet de werkgever een vakantieattest uitreiken. De reglementering bepaalt dat dit attest twee bijkomende verplichte vermeldingen moet bevatten:



[1] Dit is ook het geval voor het dubbel vakantiegeld (in dit geval moet de inhouding echter niet verricht worden op het deel van het dubbel vakantiegeld dat overeenstemt met het loon vanaf de derde dag van de vierde werkweek).  

[2] Bedoeld in artikel 38, 2° van het koninklijk besluit van 30 maart 1967.

[3] Dit laatste punt wordt vermeld in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit.

Jaarlijkse vakantie

Overzichtstabel

 

Indiensttreding op 1 juli 2018 (werknemer die vroeger in de openbare sector was tewerkgesteld)

Gewone vakantie

Aanvullende/Europese vakantie

2018

0 dagen

10 dagen (recht in verhouding tot de prestaties van 2018)

2019

10 dagen (op basis van de prestaties van het vakantiedienstjaar 2018)

10 dagen (recht in verhouding tot de prestaties van 2019 zodat 4 weken betaalde vakantie kunnen worden bereikt)

Er zal een regularisatie gebeuren van het vakantiegeld voor de Europese vakantie dat in 2018 werd toegekend (want dat was een voorschot op het dubbel vakantiegeld van 2019)

2020

20 dagen (op basis van de prestaties van het vakantiedienstjaar 2019)

Het is niet meer nodig om Europese vakantie toe te kennen aan de werknemer.

Er zal een regularisatie gebeuren van het vakantiegeld voor de Europese vakantie dat in 2019 werd toegekend (want dat was een voorschot op het dubbel vakantiegeld van 2020)

 

Jaarlijkse vakanties

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?