E.E.S.V. Securex Corporate
Maatschappelijke zetel: Tervurenlaan 43, 1040 Brussel
Ondernemingsnummer: BTW BE 0877.510.104 - RPR Brussel

Contracten/Clausules

Werknemer of zelfstandige? De aard van de arbeidsrelaties > 2. Het mechanisme van het vermoeden

Lees eerst even dit…

In de strijd tegen de sociale en fiscale fraude besliste de regering om het probleem van de aard van de arbeidsrelaties meer sectoraal aan te pakken. Daarom werden twee mechanismen ingevoerd:

Bovendien werd een administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie opgericht.

Een weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een band van ondergeschiktheid

Een band van ondergeschiktheid is een doorslaggevend element om te beslissen of er al dan niet een arbeidsovereenkomst bestaat. Om het bewijs ervan te vergemakkelijken, werd een mechanisme van weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een band van ondergeschiktheid tussen de partijen ingevoerd.

Dit vermoeden is enkel van toepassing op enkele welbepaalde sectoren en indien een bepaald aantal criteria met betrekking tot economische afhankelijkheid zijn vervuld.    

Als uw onderneming niet tot één van de beoogde sectoren behoort, is deze fiche niet voor u bestemd. In dat geval kan u gebruik maken van het mechanisme van de criteria om de aard van uw arbeidsrelatie te kwalificeren. U vindt de uitleg over dit mechanisme in onze fiche Werknemer of zelfstandige? De aard van de arbeidsrelaties - 1. Het mechanismevan de criteria.

Voor welke sectoren geldt het vermoeden?

Principe

De sectoren waarop het vermoeden van toepassing is, zijn:

  • de sector van de werken in onroerende staat (met inbegrip van het bouwbedrijf)[1];
  • de sector van de bewakings- en/of toezichtsdiensten voor rekening van derden;
  • de schoonmaaksector[2];
  • de sector van het vervoer van goederen en of personen voor rekening van derden (met uitzondering van de ambulancediensten en het vervoer van personen met een handicap);
  • de land- en tuinbouwsector.

Dit zijn sectoren waarin het probleem van de schijnzelfstandigheid vaak voorkomt en waar de sociale partners al verschillende jaren samenwerken met de overheid om fraude te bestrijden en eerlijke concurrentie te waarborgen.   

Op te merken valt dat de horecasector, die toch ook als een ‘risicosector’ wordt beschouwd, niet wordt vermeld. Binnen die sector werd immers nog geen consensus bereikt.

Familiale relaties uitgesloten

Het wettelijk vermoeden is niet van toepassing op familiale arbeidsrelaties. Dat zijn:

  • arbeidsrelaties tussen de leden van eenzelfde familie (het gaat om bloedverwanten en aanverwanten tot de derde graad) en tussen wettelijk samenwonenden;
  • arbeidsrelaties binnen een familiale onderneming indien de werknemer bloedverwant of aanverwant (tot de derde graad) of wettelijk samenwonende is van een vennoot of van verschillende vennoten die, ofwel alleen, ofwel samen, meer dan de helft van de aandelen bezitten.

Mogelijke uitbreiding tot andere sectoren

De lijst van de sectoren kan bij koninklijk besluit worden uitgebreid, na advies van de volgende organen:

  • het Directiecomité van het Federaal aansturingsbureau van de sociale inlichtingen en opsporingsdienst[3] ;
  • de bevoegde paritaire comités of subcomités of de Nationale Arbeidsraad (NAR) wanneer verschillende paritaire comités bevoegd zijn of bij ontstentenis van bevoegd of werkend paritair (sub)comité of subcomité;
  • de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld.

Deze organen hebben 4 maanden de tijd om te antwoorden op het verzoek tot advies van de bevoegde ministers (Middenstand, Werk en Sociale Zaken).

Indien binnen de gestelde termijn geen eensluidend en eenparig advies werd verstrekt, kan de Koning het vermoeden alleen toepassen voor de betrokken sector(en), beroep(en), categorie(ën) van beroepen of beroepsactiviteit(en) bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

De ministers kunnen deze organen vragen een advies uit te brengen, hetzij op hun eigen initiatief, hetzij op vraag van het bevoegde paritaire comité of subcomité, de NAR, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O. of van de organisaties die erin vertegenwoordigd zijn.

Als ze tegelijk verschillende aanvragen tot advies ontvangen, bepalen ze een kalender voor de indiening van de adviesaanvragen.

 


[1] De wettekst heeft het over ‘de uitoefening van de werkzaamheden die zijn vermeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde’.

[2] Die nog niet worden beoogd in de sector van het bouwbedrijf.

[3] Artikel 6 van het Sociaal Strafwetboek.

 

Welke criteria bepaalt de wet om het vermoeden toe te passen?

Principe

De arbeidsrelaties worden weerlegbaar vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn wanneer uit de analyse van de arbeidsrelatie blijkt dat meer dan de helft van de volgende 9 criteria zijn vervuld:

  1. geen financieel of economisch risico bij diegene die de werkzaamheden uitvoert (onder meer geen persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen of geen persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming);
  2. geen verantwoordelijkheid en beslissingsmacht over de financiële middelen van de onderneming bij diegene die de werkzaamheden uitvoert;
  3. geen beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming bij diegene die de werkzaamheden uitvoert;
  4. geen beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming bij diegene die de werkzaamheden uitvoert (tenzij de prijzen wettelijk zijn vastgelegd);
  5. geen resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid;
  6. de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties die worden geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert;
  7. zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
  8. zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken;
  9. in ruimtes werken waarvan men niet de eigenaar of de huurder is of werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant.

Deze door de wet vastgestelde criteria kunnen bij koninklijk besluit worden aangevuld of vervangen.

Als daarentegen meer dan de helft van deze criteria niet zijn vervuld, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigenovereenkomst te zijn.

Het vermoeden kan worden weerlegd door alle middelen van recht, onder andere op basis van de algemene criteria. Hoe de meerderheid van de criteria wordt aangetoond en het bewijs wordt weerlegd (en dus wordt bewezen dat er geen band van ondergeschiktheid is), doet vandaag nog vragen rijzen.

Uitwerken van specifieke criteria

De Koning kan specifieke criteria bepalen die eigen zijn aan één of meerdere sectoren, één of meerdere beroepen of één meerdere categorieën van beroepen of één of meerdere beroepsactiviteiten die hij bepaalt, en die de hierboven vermelde criteria vervangen of aanvullen. Deze criteria moeten elementen bevatten die verband houden met een socio-economische afhankelijkheid of juridische ondergeschiktheid.

Wat zijn de specifieke criteria voor de bewakingssector?

De bewakingssector heeft een eigen lijst van criteria opgesteld[1], die de wettelijke criteria vervangen voor de toepassing van het vermoeden.

In de bewakingssector zal er een vermoeden van een arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis, in hoofde van de bewakingsagent, van enig financieel of economisch risico, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming;
    • ontstentenis, in hoofde van de bewakingsagent, van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming;
    • ontstentenis, in hoofde van de bewakingsagent, van enige beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming;
    • ontstentenis, in hoofde van de bewakingsagent, van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd, of van inspraak in identificeren van potentiële klanten en in onderhandelen en afsluiten van commerciële bewakingsopdrachten;
    • ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid; OF:
      • afwezigheid, in hoofde van de bewakingsagent, van rechtstreekse toegang tot informatie aangaande de te bewaken site van de klant;
      • afwezigheid, in hoofde van de bewakingsagent, van opmaak van de eigen planning en van de eigen arbeidsorganisatie;
      • afwezigheid, in hoofde van de bewakingsagent, van bepaling van de plaats van tewerkstelling;
      • onderworpen zijn van de bewakingsagent aan een systeem van tijdsregistratie;
      • onderworpen zijn van de bewakingsagent aan controle door hiërarchische oversten;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door de bewakingsagent;
    • het zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen zonder toestemming;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken;
    • werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant; OF:
      • werken met communicatiemiddelen waarvan de bewakingsagent geen eigenaar of huurder is;
      • werken met een uniform met het bedrijfslogo van de medecontractant;
      • werken met een identificatiekaart F.O.D. BIZA waarop de naam van de medecontractant vermeld is.

Indien minder dan de helft van de criteria vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.



[1] Koninklijk besluit van 29 april 2013, Belgisch Staatsblad van 14 mei 2013, 2de editie.

Wat zijn de specifieke criteria voor de sector van de onroerende werkzaamheden?

Van de mogelijkheid om de door de wet bepaalde criteria voor de toepassing van het vermoeden te vervangen door specifieke criteria werd gebruikt gemaakt voor de uitoefening van sommige onroerende werkzaamheden[1].

De beoogde activiteiten

De door het besluit ingevoerde lijst van criteria is van toepassing op de volgende activiteiten[2]:

    • het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt[3];
    • iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:
      • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren;
      • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;
      • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;
      • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;
      • van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust;
      • van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;
    • iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbedekking als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;
    • ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in het tweede en derde streepje hierboven;
    • de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van een werk in onroerende staat of van een van de hierboven bedoelde handelingen.

Om onder het toepassingsgebied te vallen, moeten de bovenstaande activiteiten echter ook onder één van de volgende paritaire comités vallen:

    • het paritair comité voor de stoffering en de houtbewerking (PC nr. 126);
    • het paritair comité voor het bouwbedrijf (PC nr. 124);
    • het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw (PC nr. 111);
    • het paritair subcomité voor de electriciens (PC nr. 149.010).

De lijst van de specifieke criteria

Bij de uitoefening van de hierboven genoemde onroerende werkzaamheden zal er een vermoeden van een arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van enig financieel of economisch risico, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming, of,
      • bij ontstentenis van persoonlijke aansprakelijkheid, die geen betrekking heeft op bedrog, een zware fout of een lichte gewoonlijke fout, in voorkomend geval met name beoordeeld in functie van het bestek of van iedere andere verbintenis ten aanzien de gerealiseerde werken;
    • ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming, zoals dit onder meer het geval is inzake de uitgaven, ontvangsten, investeringen of aanwending van de al dan niet eigen middelen van de onderneming;
    • ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van beslissingsmacht over het aankoop- en prijsbeleid van de onderneming of van vrijheid in het identificeren van mogelijke klanten, het onderhandelen of het afsluiten van contracten;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert. Voor de toepassing van dit criterium mag geen rekening gehouden worden met vaste voorschotten om materiaal en grondstoffen aan te kopen;
    • het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of van zijn medecontractant, zoals met name het geval is wanneer geen gebruik wordt gemaakt van bepaalde zichtbare elementen die kenmerkend zijn voor de onderneming, zoals logo's, belettering op voertuigen, uithangborden of publicitaire slogans;
    • werken hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant;
    • werken in ruimtes die zich buiten de werf bevinden of met materiaal waarvan men geen eigenaar of huurder is, zoals met name het geval is wanneer gewerkt wordt in ruimtes die aangewend worden als opslag- of werkplaats, of met voertuigen, materieel of gereedschap waarvan de uitvoerder van de werken geen eigenaar is, die hij niet heeft geleased of die hem door de medecontractant werden ter beschikking gesteld;
    • niet onafhankelijk werken ten overstaan van de werkploegen van de medecontractant of van de onderneming waarin de uitvoerder van de werken de hoedanigheid van werkende vennoot heeft.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.



[1] Koninklijk besluit van 7 juni 2013, Belgisch Staatsblad van 25 juni 2013.

[2] Het gaat om de werken bedoeld in artikel 20 §2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992.

[3] Het gaat om de werken bedoeld in artikel 19 §2 van het BTW-wetboek.

Wat zijn de specifieke criteria voor de land- en tuinbouwsector?

De land- en tuinbouwsector is de eerste sector die van de mogelijkheid gebruik gemaakt heeft om deel uit te maken van de lijst van sectoren waarvoor specifieke criteria van toepassing zijn voor de toepassing van het mechanisme van het vermoeden[1].

Beoogde activiteiten

In de landbouwsector

De lijst van criteria is van toepassing op de volgende werkzaamheden die uitgevoerd worden door landbouwondernemingen:

    • de grasteelt en weideboomgaarden;
    • de tabaksteelt en -drogerij;
    • de hopteelt en -drogerij;
    • de teelt van geneeskrachtige kruiden;
    • de teelt van suikerbieten;
    • de teelt van cichoreiwortels;
    • de teelt van landbouwzaad en pootaardappelen;
    • de teelt van teenwilg;
    • de fokkerij;
    • de pluimveeteelt;
    • de bijenteelt;
    • de visteelt;
    • de mosselteelt;
    • de oesterteelt;
    • de kunstmatige bevruchting;
    • het onderhouden en verzorgen van paarden, het verhuren van paardenboxen, stallingen en het onderhoud ervan, het geven van instructies in verband met paardrijden, met uitzondering van de activiteiten ressorterende onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het hotelbedrijf;
    • de door de bevoegde overheid erkende diensten voor bedrijfsverzorging in de landbouw.
In de tuinbouwsector

De lijst van criteria is van toepassing op de volgende werkzaamheden die uitgevoerd worden door tuinbouwondernemingen:

    • de groententeelt, met inbegrip van de speciale teelten, zoals de witloof- en paddestoelenteelt;
    • de fruitteelt, met inbegrip van de speciale teelten, zoals druiven-, perziken- en aardbeienteelt;
    • de bloemen- en sierplantenteelt, alle specialiteiten inbegrepen[2];
    • de boomkwekerij, met inbegrip van de rozen en sierheesterteelt[3];
    • de teelt van de tuinbouwzaden;
    • het aanleggen en/of onderhouden van parken, tuinen, sportterreinen, recreatieterreinen, groene zones, begraafplaatsen met inbegrip van begraafplaatsen van vreemde militairen in België;
    • het aanleggen en/of onderhouden in eigen beheer van parken, tuinen, sportterreinen, recreatieterreinen of groene zones, wanneer de werklieden van de onderneming hoofdzakelijk aan deze activiteiten zijn tewerkgesteld;
    • het verrichten van onderzoek in verband met tuinbouwgewassen en organiseren van voorlichting in de tuinbouwsector;
    • de ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het sorteren van tuinbouwproducten;
    • de productie van potgrond, turf, schors en bodemverbeterende producten.

De lijst van de specifieke criteria

Bij de uitoefening van de hierboven genoemde werkzaamheden zal er een vermoeden van een arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming;
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de omvang van de prestaties geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    • het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk eigen personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen, zoals dit onder meer het geval is wanneer geen gebruik wordt gemaakt van een logo of een eigen bedrijfsnaam, of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één en dezelfde medecontractant werken;
    • uitsluitend of hoofdzakelijk werken met materiaal of vervoermiddelen, ter beschikking gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant;
    • het ontbreken van onafhankelijkheid van diegene die de werkzaamheden uitvoert, ten overstaan van de medecontractant wat betreft zijn logies;
    • werken op dezelfde plaatsen als de werknemers van de medecontractant, uitvoeren van dezelfde werkzaamheden als hen en niet beschikken over een gespecialiseerde beroepskennis nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.



[1] Koninklijk besluit van 20 juni 2013, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013.

[2] Onder telen wordt onder meer verstaan: het zaaien, planten, verspenen, oppotten, verpotten, stekken, in vitro of anderszins vermeerderen, bemesten, forceren, in bloei trekken, toppen alsook het verrichten van alle mogelijke andere of gelijkaardige werkzaamheden aan bollen, stekken, plantmateriaal evenals aan planten die men zelf geheel of hoofdzakelijk teelt (d.w.z. plantmateriaal dat op het ogenblik van inkoop reeds een zekere ontwikkeling doormaakte).

[3] Idem voetnoot hierboven.

Wat zijn de specifieke criteria voor de transportsector?

De transportsector heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de door de wet bepaalde criteria voor de toepassing van het vermoeden te vervangen door specifieke criteria. In deze sector werden hiervoor 3 koninklijke besluiten aangenomen die betrekking hebben op:

    • de werkzaamheden die vallen onder het toepassingsgebied van het paritair subcomité voor de autobussen en autocars[1];
    • de werkzaamheden die vallen onder het toepassingsgebied van het paritair subcomité voor het wegvervoer en de logistiek voor rekening van derden[2];
    • de werkzaamheden die vallen onder het toepassingsgebied van het paritair subcomité voor de taxi's en van het paritair comité voor het vervoer en de logistiek, enkel voor de activiteiten van verhuur van voertuigen met chauffeur en van collectieve taxidiensten[3].

Lijst van de specifieke criteria voor de autobussen en autocars

Indien het vervoer wordt uitgevoerd door ondernemingen voor het vervoer met autobussen of autocars, met uitzondering van stadsautobussen, zal er een vermoeden van arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van verantwoordelijkheid betreffende de naleving van de wetgeving betreffende het bezoldigd personenvervoer per autobus of autocar, of,
      • bij ontstentenis van verantwoordelijkheid betreffende de naleving van de wetgeving betreffende de toegang tot het beroep of tot de markt, of,
      • bij ontstentenis van verantwoordelijkheid betreffende de technische staat van de voertuigen of hun technische keuring;
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die het vervoer uitvoert;
    • het zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen vervoer personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen;
    • in bedrijfsruimtes of met materiaal werken waarvan men niet de eigenaar of de huurder is, zoals dit onder meer het geval is wanneer gewerkt wordt met materiaal waarvan diegene die het vervoer uitvoert niet de eigenaar is, dat hij niet geleased heeft of dat hij niet op afbetaling heeft verworven.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.

Lijst van specifieke criteria voor vervoer van goederen voor rekening van derden[4]

Worden beoogd door deze lijst van specifieke criteria, de ondernemingen die:

    • wegvervoer voor rekening van derden uitvoeren en elk ander vervoer zowel met paarden als met motorrijtuigen voor rekening van derden;
    • voor rekening van derden uitsluitend logistieke activiteiten[5] uitoefenen.

Worden daarentegen niet beoogd:

    • de vervoerondernemingen voor rekening van derden die vallen onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, het Paritair Comité voor de handel in brandstoffen, het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten en het Paritair Comité voor het stads- en streekvervoer;
    • de ondernemingen die voor rekening van derden uitsluitend logistieke activiteiten uitoefenen en de daarmee gelijkgestelde ondernemingen wanneer deze logistieke activiteiten een onlosmakelijk onderdeel vormen van een productie- of handelsactiviteit waarbij deze logistieke activiteiten opgenomen zijn in de bevoegdheid van een specifiek paritair comité;
    • de ondernemingen die voor rekening van derden uitsluitend logistieke activiteiten uitoefenen of voor de daarmee gelijkgestelde ondernemingen die ressorteren onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, het Paritair Comité voor de handel in brandstoffen of het Paritair Comité voor het havenbedrijf.

In de ondernemingen[6] voor vervoer van goederen voor rekening van derden zal er een vermoeden van arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming, of,
      • bij ontstentenis van een financiële waarborg verstrekt in het kader van de toegang tot het beroep van goederenvervoerder, of,
      • bij ontstentenis van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid[7];
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is bij ontstentenis van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid[8];
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over de prestaties die in aanmerking komen voor de prijsafrekening van de werkzaamheden in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, behalve indien de prijs overeengekomen is op basis van objectieve criteria, zoals bij transportbeurzen en aanbestedingen die objectieve criteria hanteren voor de prijsbepaling zonder dat de vervoerder daar individueel invloed op kan hebben;
    • ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende het overeengekomen werk in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is bij ontstentenis van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid[9];
    • het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven;
    • behalve voor wat betreft de commerciële afspraken rond publiciteit op het getrokken materieel, het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen, zoals dit onder meer het geval is bij ontstentenis van een getuigschrift of een bewijs van vakbekwaamheid[10];
    • in ruimtes werken waarvan men niet de eigenaar of de huurder is of hoofdzakelijk werken met motorvoertuig dat niet tot de eigendom behoort van de uitvoerder van de werken of niet door hem zelf in leasing of huur is genomen, of dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.

Lijst van specifieke criteria voor taxi's, voertuigen met chauffeur en collectieve taxidiensten

Worden beoogd door deze lijst van specifieke criteria, de ondernemingen die houder zijn van een door de bevoegde overheid afgeleverde exploitatievergunning voor een taxidienst, voor een collectieve taxidienst of voor een verhuurdienst van voertuigen met chauffeur waaronder het vervoer uitgevoerd wordt.

In deze ondernemingen zal er een vermoeden van arbeidsovereenkomst zijn wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria zijn vervuld:

    • ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert, zoals dit onder meer het geval is:
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of,
      • bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming;
    • ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert;
    • ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die het vervoer uitvoert, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd;
    • de ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid;
    • de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die het vervoer uitvoert;
    • het zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen vervoer personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    • het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of van zijn medecontractant of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één enkele medecontractant werken;
    • het uitvoeren van transporten met een voertuig waarvan diegene die het vervoer uitvoert geen eigenaar is of dat hij niet geleased heeft en/of met een voertuig dat hem ter beschikking is gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door een medecontractant.

Indien meer dan de helft van de criteria niet vervuld zijn, wordt de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigencontract te zijn.



[1] Koninklijk besluit van 29 oktober 2013, Belgisch Staatsblad van 26 november 2013.

[2] Koninklijk besluit van 29 oktober 2013, Belgisch Staatsblad van 26 november 2013.

[3] Koninklijk besluit van 29 oktober 2013, Belgisch Staatsblad van 26 november 2013.

[4]Onder "voor rekening van derden" wordt verstaan: het uitvoeren van logistieke activiteiten voor andere natuurlijke of rechtspersonen en onder voorwaarde dat de ondernemingen die voor rekening van derden logistieke activiteiten uitoefenen op geen enkel ogenblik eigenaar van de betrokken grondstoffen, goederen of producten worden.

Met ondernemingen die voor rekening van derden logistieke activiteiten uitoefenen worden gelijkgesteld de ondernemingen die bij verbonden vennootschappen (in de zin van het Wetboek Vennootschappen) van de groep grondstoffen, goederen of producten aankopen en deze grondstoffen, goederen of producten verkopen aan verbonden vennootschappen van de groep en in zo verre deze grondstoffen, goederen of producten tevens het voorwerp zijn van logistieke activiteiten.

[5] Onder "logistieke activiteiten" wordt verstaan: ontvangst, opslag, weging, verpakking, etikettering, voorbereiding van bestellingen, beheer van voorraden of verzending van grondstoffen, goederen of producten in de verschillende stadia van hun economische cyclus, zonder dat er nieuwe halfafgewerkte of afgewerkte grondstoffen, goederen of producten worden voortgebracht.

[6] Voor de toepassing van deze lijst moet worden verstaan onder “de onderneming”, de onderneming die de werken uitvoert of de onderneming die de werken uitvoert en waarin de persoon die de werken uitvoert aandelen bezit. Deze definitie is niet van toepassing op het voorlaatste criterium uit de lijst .

[7] Bedoeld in de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en in de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg

[8] Idem

[9] Idem.

[10] Idem.

Inwerkingtreding van de bepalingen

De volgende artikelen treden in werking op 1 januari 2013,

    • 329 (commissie),
    • 337/2 § 1 en 2 (9 criteria voor vermoeden),
    • 338 (rol van de commissie),
    • 339 (Hoven en rechtbanken),
    • 341 (initiatief van één partij bij het begin van de activiteit en gebrek aan overeenstemming tussen arbeidsrelatie en kwalificatie).

De andere artikelen van de programmawet van 27 december 2006 zijn in werking getreden op 1 januari 2007 (sommige bepalingen werden ondertussen uitgesteld).

Zijn opgeheven:

    • de artikelen 330, 336, 337 van de programmawet 27 december 2006;
    • de koninklijke besluiten van 14 december 2010.

Wat zijn de belangrijkste wettelijke referenties?

  • Programmawet (I) van 27 december 2006
  • Wet van 25 augustus 2012, Belgisch Staatsblad van 11 september 2012, 2de editie.
  • Koninklijk besluit van 29 april 2013, Belgisch Staatsblad van 14 mei 2013, 2de editie
  • Koninklijk besluit van 7 juni 2013, Belgisch Staatsblad van 25 juni 2013
  • Koninklijk besluit van 20 juni 2013, Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013
  • 3 koninklijke besluiten van 29 oktober 2013, Belgisch Staatsblad van 26 november 2013